Natte dagen

Over de tekening.

Ik heb een heel archief foto’s die ik heb gemaakt op wandelingen. Ik kies daar de foto’s uit die ik in winters maakte, want ik wil tekenen in het jaargetijde waar ik in leef. Dat betekent nog een tijd lang grijze luchten en kale bomen. 
Deze maakte ik twee dagen geleden, toen ik terug liep van mijn wandeling naar de schaatsers in Sonsbeek. Ik wilde het water dat half bevroren (als je de foto in zoomd zie je zelfs iemand op het eis staan), half open was, tekenen.  Met de reflectie van die boom. Ik ben niet helemaal tevreden, maar dat kan ook niet na die treffer van gisteren, zo kunnen ze niet allemaal zijn. Het blijft zoeken naar de juiste kleur, met mijn kleurenblindheid.  Ik word steeds beter in stoppen en niet verder klooien. “Dit is war het is” denk ik dan. Een beslissing die het windt van mijn perfectionist, en dat vind ik best knap van mezelf.  Dat is het moment waarop ik de datum onderin zet: dit is de tekening van vandaag. Dit was mijn best. Daarom is het belangrijk dat ik elke dag teken, zodat het niet van die ene tekening af hangt. En dat geld natuurlijk voor alles in het leven.
Nu zie ik de fouten. Wat ik nog steeds doe, als zou ik intussen beter moeten weten, is dat ik de bovenkant van het water, het wit, het ijs, te lang maakt. Daardoor kijk je er teveel bovenop. Dat is in de tekening van gisteren een stuk beter. Het gekke is, dat die “fout” niets out zou maken als mijn stijl wat minder realistisch is. Dat zou ik wel willen, want dat houd ik van. Het gaat niet om het kloppende plaatje, het gaat om iets dat ik wil laten zien, en nu is dat die overgang, die botsing van ijs en water. Die heeft die ruimte juist nodig. 
Voor die stijl heb ik nog wat meer lef nodig. Ik groei daar wel in, dar vertrouwen heb ik wel.

 

Intussen is de overgang van ijs naar natheid in het weer compleet doorgezet. Vandaag regent het de hele dag. Ik ga met mijn vier kinderen naar het theater. Dat is een aanslag op mijn energie, maar ook heel fijn. Ik zie wel of ik morgen energie heb voor een tenening.

 

 

Eenzaamheid

Ik zou een boek willen schrijven over eenzaamheid. Als ik ooit leer hoe ik er mee om moet gaan doe ik dat ook. Ik zie twee soorten eenzaamheid: Verlorenheid en Allenigheid.

 

Als kind was ik niet alleen, maar wel verloren, nu ben ik niet meer verloren maar wel alleen.

 

Vakanties waren voor mij als kind de veiligste periodes van het jaar. Geen school, waar ik van alles moest wat ik niet wilde, en waar kinderen waren die mij niet mochten. Ik werd niet veel gepest, maar dat was vooral omdat ik mezelf onzichtbaar maakte. Dat koste energie en een voortdurende waakzaamheid die ik nu nog in mijn lijf kan voelen.

 

In vakanties kon ik ontspannen. En wat ook belangrijk was: mijn ouders die beiden een drukke baan hadden, waren er voor ons als kinderen. Ook mijn broer was er voor mij in plaats van voor zijn stoere vrienden. We hadden als gezin onze eigen rituelen waarin ik me koesterde.

 

Maar ook in die vakanties was ik alleen. Ik had geleerd met niemand te delen wat er zich in mijn hoofd afspeelde. Ik kreeg altijd alleen maar onbegrip als ik dat wel deed. Onbegrip is pijnlijker dan stilte. Dus ik hield mijn mond. Alleen mijn knuffel Knorrepoet wist van mijn binnenwereld. Ik was niet alleen maar ik was wel verkoren. Ik had geen woorden om uit te drukken hoe ik me voelde. Ik kreeg dus ook geen herkenning en erkenning voor dat gevoel. Dat is een beetje als verloren zijn in een woestijn.

 

Toen ik via Social Media en mijn blog mensen ontmoette die een vergelijkbare binnenwereld hadden, was dat een oase. Ik voelde me herkend en erkend, ik kreeg worden om te delen wat daarbinnen gebeurde en ik was niet langer verloren. Ik king in transitie, en ik ging scheiden en alleen wonen. De kinderen zijn allemaal uit huis en hebben hun eigen leven. 

 

Ik voel me nu gezien, serieus genomen, erkend. Maar ik ben alleen. Ik spreek lieve mensen op Social Media, ik zie mijn kinderen af en toe, soms spreek ik af met vriendinnen, maar altijd is er dat moment dat ik weer naar huis ga, en zelfs in de zomer voelt dat huis koud en donker. Nu ik amper kan lezen, en geen films en series meer kan zien (door mijn slechthorendheid heb ik ondertiteling nodig en die gaat te snel voor me) voel ik nog duidelijker hoe alleen ik ben. Ik ben niet meer verloren maar de prijs die ik daarvoor betaalde is allenigheid, en ook dat doet pijn. Dat voelde ik gisteren, toen ik een party crashte waar ik niks te zoeken had, maar me toch even laafde aan de mensen om me heen.

 

Ik ga op social media pau, dwars door mijn allenigheid heen, en ik weet niet eens of je er aan de andere kant weer uit kan komen.

 

Weg op Twitter. En een tekening.

 

Over de tekening:
Mijn dichter appte dat ze schaatste op een vijver in Sonsbeek. Ik was droevig en alleen, en besloot dat het goed was om er even uit te gaan. Ik wilde nog even sneeuwpret voelen voor het weg is. Dat was een goed plan. Ik genoot van het plaatje en wist meteen dat ik dat wilde tekenen. Ik liep naar de overkant naar een uitspanning. Daar was muziek en er waren vuurkorven. Ik weet dat het slecht is en dat iedereen het vind stinken, maar ik houd van de geur van vuur. Ze deelden drang uit, en ik nam een glas wijn (de eerste en enige, sinds mijn herseninfarct), en ik ging even op een stoeltje zitten genieten van de gezelligheid. Het werd drukker en ze bleven drank aanbieden, er werden ook allemaal hapjes klaargemaakt. Maar ik zag nergens hoe je die kon bestellen, er werd niks verkocht. Pas toen besefte ik dat dit een besloten feestje was. Met schaamrood op de kaken vertrok ik. Dank feestvierders, jullie hebben mijn allenigheid even verdreven. 
Thuis heb ik lang gepiekerd hoe ik dat eis met die sneeuw en die vegen van schaatsen vast kon leggen met pastelkrijt. Ik heb net zo lang uitgeprobeerd tot het lukte, en vanmorgen ging het nog beter dan verwacht. Ik ben echt verbaasd over het effect.

 

Hier begon het, op mijn blog. Nou ja, mijn JacobJanVoerman blog. En voor dat blog (die blog?) was Twitter wel de basis.

Ik ben weg op Twitter, dit wordt mijn thuisbasis, want ik heb het toch nodig om mijn gedachten ergens op te schrijven. Dat maakt het rustiger in mijn hoofd. Naast tekenen heb ik dat nodig. 

Ik weet nog niet wat ik met Mastodon en Facebook doe. Die laatste is natuurlijk ook gewoon eigendom van een boef.

Ik ben een beetje in rouw. Ik laat veel achter op Twitter en het voelt nu kaal en onherbergzaam. Maar dat is ook een beetje wat winter is. Ik ga een nieuwe fase in. Als je wat loslaat is er ruimte voor iets nieuws. We gaan het zien.

Social Media

Over de tekening:
Deze is genaakt aan de hand van de foto van 16 november. De dag dat ik besliste om geen tekening te maken omdat ik wilde zien of ik dat los kon laten.
Ik maakte de foto op de terugweg van mijn controle afspraak bij het revalidatiecentrum Klimmendaal. Het is het pad naar beneden, naar Naariendaal. Ik hou zo van dit wintserse. Ik vind hem gelukt.

 

Ik heb een haat-liefde verhouding met Twitter en Facebook. Er zijn daar verschrikkelijk veel lieve mensen, en ik heb ze ook nodig. En dat laatste is een risico. Ik wil niet dat mijn dag alleen maar goed is omdat mensen mijn tekening mooi vinden.

En, zoals ik hier als schreef, ik sta voor de klus om mijn leven te herijken, en dat begint met naar binnen gaan en met stilte. (Ja dat doet pijn.)

Dus ik probeer even zonder social media. (Dat houd ik vast niet lang vol.)

En er is nog iets anders. De eigenaars van Twitter en Facebook zijn gevaarlijke narcisten, en het voelt niet goed hun platforms te blijven gebruiken.

Nou ja, ik weet het even niet, en daarom ben ik nu even hier en niet daar.

Tekeningen hier 

De pijn

De pijn klopte aan, en ik liet hem binnen. Ik gaf hem mijn beste stoel en vroeg of hij iets wilde drinken. De pijn schudde zijn hoofd.

“Ik kom alleen maar om gevoeld te worden”, zei hij.

Ik king op een andere stoel tegenover hem zitten, en wachtte, maar er gebeurde niks.

“Moet je nou niet transformeren of zo?” vroeg ik, toen ik het wachten beu was: “ik heb je binnen gelaten toch?”

De pijn schudde weer zijn hoofd.

“Ik kom om gevoeld te worden.” herhaalde hij, en hij stak zijn hand uit. Ik schoof mijn stoel dichterbij en pakte zijn hand vast. Het verdriet benam letterlijk adem. 

“Blijf doorademen.” zei de pijn.

Ik ademende en huilde.

“Got, wat doet dat pein!” zuchtte ik.

“Als het geen pijn zou doen, zou ik mijn werk niet goed doen.” zei de pijn: “voor wat het waard is, er zit veel liefde in je voelen.”

 

 

Geen plannen meer

Ik ben met terug van mijn controle afspraak op Klimmendaal, mijn revalidatiecentrum. Mijn revalidatiearts is trots op me. Ik doe het goed. Goed betekent niet dat ik zo hart werk om weer te kunnen wat ik kon, goed is dat ik nu ook ruimte maak voor wat er niet meer terugkomt. 

Dat klopt, ik ben een aangeland in een nieuwe fase. Niet het keihart werken om weer sneller te kunnen lezen staat nu centraal, maar het accepteren van wat er nu is, en voor van wat er niet is.

Ik besef nu dat ik in mijn leven altijd grote plannen had. Sommigen zijn uitgekomen, ik heb een boek geschreven, ik heb twee keer met een theater op het podium gestaan, ik heb een column geschreven in een tijdschrift. Er zijn ook heel veel plannen nooit uitgekomen. Maar in plaats van berusten, stortte ik mezelf in nieuwe plannen. Het was mijn motor, het was wat me overeind hielp. Maar het was ook wat me eindeloos over mijn grenzen liet gaan. En mijn grenzen pikken dat niet meer, dus voor het eerst in mijn leven heb ik geen grote plannen meer.

Dat is niet helemaal waar. Er komt nog een pleinwachtboek, en ik wil heel erg graag een prentenboek maken. Maar dat pleinwachtboek hoeft geen bestseller te worden, en ik houd er heel erg rekening mee dat dat prentenboek er niet gaat komen. Mijn jong adult ficion, waar ik een complete eerste versie van had geschreven, gaat er ook niet meer komen. Het is goed zo. Ik blijf vertellen, maar ook daar ga ik niet aan trekken, dus dat blijft sporadisch.

Ik zeg nu wel dat het goed is zo, maar ik moet daar erg aan wennen. Het kost me emotie-werk om daar akkoord mee te kunnen zijn. En dat is wat ik nu te doen heb. Ik ben aan het ‘winteren‘. Terug naar mijn wortels. Misschien dat er in de lente weer van alle gaat jeuken, maar nu houd ik alles op een heel laag pitje.

En voor het eerst sinds 1 otkober maak ik vandaag geen tekeningen. Ook dat is heel erg moeilijk om dat te laten, het voelt als verraad, en juist daarom is het goed om het vandaag los te laten.

loslaten

Over de tekening:
Een tijdje terug sprak ik met Fenna, mijn dochter,  af in Nijmegen. Het was nog zo war, dat we buiten op een terras konden zitten. We liepen samen nog even voor de stap voor we naar huis gingen. En daar maakte ik de foto voor deze tekening. In hete echt geeft de lage zon een veel mooiere glans op de kerk en de stat. Ik kan zo tafereel helemaal niet tekenen, en toch wilde ik het, vanwege de sfeer. Er klopt van alles niet, en dat vind ik gek genoeg niet erg. Ik vind hem leuk. Soms lukt het me verrassend goed om mijn innerlijke criticus los te laten. 

Er is iets waar ik graag een woord voor wil hebben. Het gaat over mijn onrustige gevoel. Ik ben ooit gediancnistiseerd met een dwanstoornis. Menno Oosterhof noemt het in zijn boek “Vals Alarm” als jeuk. Iets dat je móet grappen. En misschien is dat wel een goed woordt.

Maar ik weet niet of het wel dwang is, wat ik voel.

 

Het is in ieder geval een onderdeel van mijn verdedigings mechanisme. Ik was als kind permanent bang. Bang om ‘ door de mand te vallen’. Bang dat ze zouden ontdekken dat er van alles met me mis is, want ik snapte de wereld niet, en maakt steeds fouten. Dat heeft me waakzaam gemaakt. De waker laat me niet rusten, de waker wil dat ik alert ben, op mijn hoede. 

 

Steeds vaker kan ik die hoed los laten. Dan kan ik voelen dat “het goed is”. Dat gevoel brengt steevast een huilbui naar boven. Op die momenten kan ik het kind in mij geruststellen: “Het is goed, je mag ontspannen.”

Mijn coping mechanisme is dat ik dat gevoel moet verdienen. Met een ‘gelukte’ tekening, of met een mooi verhaal dat ik maak of vertel, of met een kind dat ik help tijdens pleinwacht. 

 

De paradox is dat “het is goed” komt als ik alles los laat en het juist niet wil verdienen. Dat betekent trouwens niet dat ik geen mooie tekeningen meer mag maken of geen verhalen meer kan maken of vertellen, en geen kinderen meer moet helpen, het betekent dat die dingen geen voorwaarde meer zijn voor mijn geluk. Mijn geluk is er als ik dat los kan laten. De prijs is dat ik naast vrede en liefde, ook een tomeloos verdriet voel.

De Kleine Emma, een verhaaltje

“Emma, let nauw eens op!”

De Juf zei dat wel honderd keer per dag. Nou ja, niet precies honderd natuurlijk, het kwam eerlijk gezegd niet eens in de buurt van honderd. Emma had het een keer geteld, en was tot dertien gekomen. Maar dat wat was heel veel, zeker als je besefte dat ze het bijna nooit tegen andere kinderen zei. Emma had geleerd dat je mocht liegen als je het “overdrijven” noemde. Haar moeder deed dat ook vaak, en honderd was een mooi getal. Dus vertelde ze het zo aan haar moeder toen ze klaagde over haar juf.

“Maar jij bent ook heel snel afgeleid!” had haar moeder gezegd.

“Moeders horen geen partij te kiezen voor leraren als hun kinderen over ze klagen!” ze Emma.

“Maar het is toch gewoon waar?”

Dat moest Emma toegeven, het was wel gewoon waar. Er was ook zo veel te zien en te ontdekken in de klas. Er hing zoveel aan de muur bijvoorbeeld. Emma was deze week bezig om te tellen hoeveel daarvan gewoon versiering was en hoeveel bedoeld was om te leren. Ze wilde weten waar het meeste van was. Verhoudingen en procenten, heette dat. Ze hadden dat op school nog lang niet gehad, maar Emma had dat van haar grotere broer geleerd die daar thuis over vertelde, en het wel aan haar wilde uitleggen.

Emma vond dat een leuke klas meer dan de helft, dus meer dan vijftig procent alleen maar voor het mooi moest zijn. Hoe hoger de klas, hoe saaier de muur. Ze was op 68% nuttig gekomen, het ging de verkeerde kant op. Ze had wel een moeilijke beslissing moeten nemen/ Blaten over geschiedenis en tekeningen en foto’s van dieren en planten waren bedoeld om van te leren, maar konden ook mooi zijn. Ze had besloten om alles met planten en dieren mee te tellen als mooi. Ze hield van planten en dieren.

En net toen ze bezig was om dat te bedenken had de juf haar weer bij de les geroepen. 

“Emma! Jet nou eens een keer op! De afspraak is dat iedereen alles weg legt, stil is en deze kant op kijkt als er instructie is. 

Emma had wel kunnen zeggen dat ze het toch al wist, maar ze had al geleerd dat juffen daar alleen maar bozer van werden. Deze juf was eigenlijk best lief, en Emma wilde ook best wel opletten.

 

En toen was er een keer een boswachter in de klas geweest en die vertelde hele mooie verhalen. De juf had de klas gevraagd om extra stil te zijn en goed op te letten. Dat wilde Emma graag. De boswachter had mooie verhalen en Emma wilde zich daar helemaal op concentreren. Dus toen de boswachter vertelde deed ze haar ogen dicht zodat er alleen nog maar de stem van de Boswachter was. Ze was helemaal in het verhaal van de boswachter die vertelde hoe hij een Reekalfje uit de strik had bevrijd terwijl de moeder een eindje verderop toekeek, toen ze opeens heel hard: “Emma!” hoorde.
Ze schrok heel hard, in haar gedachten zag de moeder Ree wegvluchten en het jong van schrik een verkeerde beweging maken waardoor het nog vaster in de strik raakte.

Ze deed haar ogen open en zag een boze juf naar haar kijken.

“Je had beloofd op te letten, en nu zit je weer te dromen!”

“Maar zo luister ik beter!” zei ze.

“Dat kan wel, maar het is niet leuk voor onze gast. Kijk nou maar gewoon deze kant op.

 

Emma stoomde van verontwaardigheid toen ze thuiskwam. 

“O lieverd”, had haar moeder gezegd: “Kom eens hier!” Haar moeder sloeg haar armen om haar heen en wiegde haar zachtjes.

“Ik snap je. Wat deed je goed je best, en wat jammer dat je juf het niet zag. Weet je, mensen willen kraag ogen zien als ze iets vertellen. Op die manier hebben ze het gevoel dat er beter naar ze geluisterd wordt, zelf als mensen helemaal niet luisteren.”

“Mag ik make up?” vroeg Emma.
“Hoe kom je daar nou opeens bij. En ik vind je ook nog een beetje jong.”

Toen fluisterde Emma haar moeder iets in het oor. Haar moeder moest lachen.

“Om te laten zien dat ik aan jou kant sta ga ik je dat leren.”

 

Een week later, vrijdagmiddag, het moment waarop juf altijd extra lang voorlas uit een gaaf boek, zat Emma heel stil met haar ogen dicht te luisteren. Het ging helemaal goed, Juf had niet door dat ze haar ogen dicht hat. En toen moest juf opeens midden in het verhaal heel hard lachen.

“O lieve Emma! Wat mooie gedaan! Ik had het eerst zelfs helemaal niet door!”

Emma wist dat ze betrapt was, maar kennelijk was de juf niet boos.

“Wat knap gedaan, het lijkt heel echt. Wil je het aan de anderen laten zien?”

Emma knikte en draaide zich naar de klas.

“Kijk eens, Emma heeft ogen getekend op haar oogleden.”

Emma hoorde een aantal kinderen “Woa!” zeggen. En toen ging de bel. Juf kwam naar Emma toe.

“Weet je, ik kan gewoon écht beter luisteren als ik mijn ogen dicht heb.” legde Emma uit.

“Ik geloof je, en van mij mag je je ogen dicht doen als je dat nodig hebt.”

Inclusie

Ik ga het over systemen hebben. Alles wat op een bepaalde manier georganiseerd wordt is een systeem. Zo hebben we het schoolsysteem. Maar ook onze zorg is een systeem, ons geld, onze sociale voorzieningen, ons recht, onze regering tec.

Geen enkel systeem is inclusief. Elk systeem is opgezet om de grootste gemene deler te bedienen. Dat is ook logisch, je kunt het niet zo inrichten dat het voor 100% voor iedereen werkt.

Het probleem is dat we wél doen alsof het systeem voor iedereen werkt. En dat betekent dat het de mensen die in en met het systeem werken ervan uitgaan dat er iets mis met je is als het systeem niet voor jou werkt.

Dat zou ik kraag anders willen.

Laten we bewust zijn dat het systeem niet iedereen bedient. Dat betekent dat je allert moet zijn op het moment dat er iets niet lekker loopt. De reflex moet dan niet meer zijn: “Dat licht aan het individu!” De reflex moet zijn: “Dat is logisch, want het systeem werkt niet goed voor iedereen.”

Op basis van die reflex kun je maatwerk regelen. Standaard, en niet pas als iemand een officiële stikker heeft (gegeven door van het systeem) die zegt dat hen recht heeft op maakwerk. Gewoon elke keer dat iets niet goed loopt: maatwerk. Vragen “wat heb je nodig zodat het wel werkt?”

Het systeem kan ook leren van alles wat niet werkt. Misschien is levert dat maatwerk wel iets op dat goed is voor iedereen in het systeem. Zo krijg je een mooi zelflerend systeem, juist dankzij iedereen die niet in dat systeem past.

Dit is waarom ik me erger aan all boeken die mensen in het systeem moeten leren om te gaan met mensen die niet in dat systeem passen. Het systeem wordt daardoor heilig verklaard en gezien als onveranderbaar. Waarom moeten mensen die niet passen leren omgaan met het systeem. Waarom zou het systeem niet kunnen leren om te gaan met mensen die niet bassen? Dat hoeft zoals ik eerde al zei niet door het systeem volledig kloppend te maken. Dat kan door als basishouding uit te gaan van het feit dat het dat niet is. En je dus voortdurend te blijven vragen aan iedereen: “Wat heb jen nodig?”

En het zou zo leuk zijn als er ook een een boek ging over wat het systeem kan leren over alles wat mis niet leer loopt voor mensen die niet in dat systeem passen.

Ik lees bijvoorbeeld over autisme, en dat mensen met autisme meer tijd nodig hebben om informatie te verwerken. Dat is geen ontwerpfout van de autist, dat is gewoon een andere strategie die andere dingen oplevert. Als je ruimte maakt voor die andere strategie, maak je ook ruimte voor wat doe strategie oplevert. Want dat is het grote nadeel van systemen zoals ze nu werken. We vernietigen creativiteit door uit te blijven gaan op het gemiddelde.

Samenvattend:

Maak maakwerk standaard als het systeem niet werkt.
Ga van dat maatwerk geen systeem maken, dat is de vrije ruimte.
Herzien het systeem om de zoveel tijd op basis van wat je leerde van het maatwerk.

 

 

Er is ook nog een politieke factor. Systemen worden ontworpen door de mensen die de macht hebben en zullen dus geneigd zijn die macht te bevoordelen. 

 

 

 

Coping mechanimsen loslaten

Ik maakte gisteren een filmpje over het loslaten van coping door mijn herseninfarct. Dat is een mooi thema waar ik meer over te zeggen heb, dus misschien toch ooit een boek.

 

Waarom komt dat thema nu pas, na 4,5 maand? Ik denk dat ik dat weet. Revalideren is terug halen wat verloren is én leren omgaan met wat er niet meer terug komt. Maar de eerste tijd, en voor mij was dat dus een half jaar, was mijn aandacht zó opgeslokt door het terugkrijgen dat er geen ruimte was voor wat niet terug komt.

 

Het is natuurlijk niet zo gek dat ik dat uitstelde. Ruimte maken voor wat niet terugkomt is confronterend. Dat is ruimte maken voor verdriet, voor acceptatie, voor rouw. Maar nu het zich toch aandoet, is er ook een mooie kant. Ook een deel van mijn niet meer effectieve coping is verdwenen. Ik was met dat terughalen ook weer bezig om die oude copimg weer opnieuw te installeren. Goed dus om nu even stil te staan. 

 

Het is voor een controlfreak vreemd om te merken dat je over heel basale dingen (zoals het juist schrijven van het woord bazaal) geen controle meer hebt. Ik ben nog steeds vaak in de war met tijden, ze zitten gewoon niet goed in mijn hoofd. En zo is er eindeloos veel dat niet meteen meer direct paraat is. 

 

Ik leer nu (gedwongen) om niet in paniek raken over wat ik niet in de hand heb. Wat nog belangrijker is: ik leer, als die paniek er wel is, om die niet langer te verbergen. Want dat is wat ik deed: in paniek zijn en niemand iets laten merken. Dat heeft bergen energie gekost. Het is fijn om dat ander te doen.

 

Ik ben nog steeds hard aan het werk om dingen terug te halen. Ik wil echt heel graag veel en veel betere en sneller leren lezen. Maar ik wil niet die oude coping mechanismen terug. En dat is opletten, want ik besef dat ik bijvoorbeeld meer vooruit kijk, naar wat ik nog niet kan, dan achteruit naar wat ik al wel kan. Ik word daar ongeduldig door. Dat ongeduld laat ik kraag achter me. Dus vanaf nu is er naast ruimte voor wat ik nog moet binnen halen, ook ruimte voor wat er (nog) niet is.