God als uitslover en opschepper

Rechtersn 6 en 7.

Ik schreef hier dat God in de Bijbel breedere gezichten heeft. Ik beschrijf er hier twee. God als tastbaar iemand met wie je kunt praten. En, zoals de titel al zegt, de God die een beetje een uitslover en misschien zelfs wel een opschepper is.

Er woon nu een generatie in Israël die niet meer mee heeft gemaakt hoe God ze hielp bevrijden uit de slavernij. Ze hebben dus ook die slavernij dus niet meegemaakt. En misschien maakt dat ze verwend.  Want er is te lezen dat het volk slecht deed in de ogen van God.

Om ze te straffen laat God Israël veroveren en plunderen door de buurlanden. Dan is er een rechter die namens God Israël bevrijd, maar even later begint alles weer  opnieuw. Dat gaat een aantal keren zo door.

Een van deze Rechters is Gideon. Ik hou erg van de het verhaal hoe God Gideon roept. Er komt een Engel langs. Op een gegeven moment zegt Gideon aan God: wacht even, ik ga iets halen, blijf even hier. En God belooft dat hij blijft wachten. Als Gideon terug staat er dat hij iets geeft die onder de onder de boom zit. Dan staat er dat de engel zegt wat hij moet doen.

Er wordt dus rechtstreeks over God gepraat, waarmee Gideon in gesprek is. Dan is er iemand die onder een boon zit en iets aan pakt. En dan is de enge die dingen doet en zegt. Ik vind het mooi dat het onduidelijk blijft of Gideon nu rechtstreeks tegen God tussen of via God tegen de Engel. Of IS God die Engel? Dat zelfde gebeurde ook al toen God bij Abraham op bezoek kwam om te vertellen dat jij een zoon kreeg.

Dat vind ik een mooie God. Een God die op een af andere manier als mens naast je staat. Het is ook een God waar je vragen aan mag stellen. Het is zelfs een God die bereid is om tekenen te geven als je nog niet Helemaal geloofd dat het echt is.

Dat is voor mij een heel menselijk God, waarmee je mag discussiëren, waarmee je zelfs mag onderhandelen. Het is voor mij ook de God waar ik boos op mag worden. 

En dan, als God de tekens heeft gegeven, twee zelfs, gaat Gideon op bad om te struiken tegen de vijand.

En dan komt de uitsloverige God naar voren. Want Gideon verzamelt een heel groot leger, en je ziet God denken: “Ja met zo’n groot leger is het een ijtje om de vijand te verslaan. Dan kunnen ze niet zien dat het aan mij te danken is. Dan is het net alsof ze dat helemaal zelf hebben gedaan en mij niet nodig hebben.

Dus hij besef dat iedereen die bang is naar huis mag gaan. Veel mensen vertrekken. Maar het zijn er nog te veel. Dan moeten ze water gaan denken en alleen degen die als een hond het water uit de rivier grootte mag blijven. Met een klein clubje van 300 man moet de strijd gevoerd worden. Dat is bas een wonder.

Eerder deed God dat ook al bij de bevrijding uit Egypte.  Tot twee keer toe is het God zelf die er voor zorg dat de Farao Wijster het volk te laten vertrekken. Want, zo zecht hij zelf, dan kan ik geen wonderen doen.

Deze God wil dientafel. Het is een Cecil B. TheMIlle, het is Tom Cruise die als Ethon Hunt zijn Mision Impossible doet.  En hij doet Ik zwem effen stunts, helemaal zonder EI.

Dat is een God die zijn spierballen wil laten zien. En, net zoals ik het soms heerlijk vind om een actiefilm te kijken vindt ik het we leuk dat de Bijbel ook deze God laat zien. Zolang ik maar weet dat die anderen er ook zijn,  zoals bijvoorbeeld het God die ik het begin noemde. Een God die me veel dierbaarder is, omdat jij naast je komt zitten, en met je wil praten. 

 

Geloofscrisis

Geloofscrisis is is niet het juiste woord. Ik heb een goede en helpende relatie met een innerlijke stem die ik nu God wil noemen. Ik ga naar een kerk waar ik onderdeel ben van een gemeenschap die dit innerlijke leven in mij snapt. Dat is belangrijk. Ik heb dat heel erg gemist in mijn leven.

Het doet me goed om lid te zijn van de kerk. Ik heb mooie gesprekken, lees mooie boeken die allemaal God als kern hebben, maar vervolgens heel breed en openhartig met het leven, en alles wat daarin gebeurt, om gaan.

Ook dat is belangrijk want er gebeurt veel in mijn leven. Veel heftige dingen ook, waar ik de steun goed bij kan gebruiken.

Maar nu die crisis.

Ik besloot de hele Bijbel te gaan lezen. Om wat meer achtergrond te weten over dat geloof waar ik me bij aan heb gesloten.

Daar lees ik ook heel erg veel mooie verhalen. Ontroerend, liefdevol, schokkend. Dat mag allemaal. Ik heb inmiddels door dat God vele gezichten heeft, en dat vind ik juist heel mooi.

Maar ik kan niet met al die gezichten door één deur. En ik lees dingen waardoor ik God bij de lurven zou willen bakken, en roepen: “Hé God, zó zijn we niet getrouwd!”

Ik wil het hier hebben over een specifiek thema. Het probleem is dat dat thema ook een hele mooie kant heeft, Het is de Exodus, de uittocht uit Egypte. Dat staat voor bevrijding uit de slavernij en het mooie is dat je die slavernij ook veel breder kunt zien. Het gaat over bevrijding.

MAAR!

Het heeft een zeer duister kant die ik niet weg kan redeneren.

God beloofd de Joden een land. Dat is mooi. Maar mijn probleem is dat dat land al bewoond was. En die mensen doe er niet toe. Die mensen mogen zelfs gewoon dood. Ik lees hoe het Joodse volk een massa slachting.

Rechters begint met die slachting. In Betel worden alle inwoners vermoord. Allen de verrader, die ze liet zien hoe ze binnen moesten komen, wordt met zijn hele gezin gespaard. Wie zijn hier nu de slechteriken? En God, hoe kom je er bij om zo met mensen om te gaan. Hoe bestaat het dat je beslist dat de ene groep mensen meer waard is dat de andere? Zo zijn we niet getrouwd!

Ik kom een uitleg tegen, al helemaal in het begin, in Genesis die ik ook al problematisch vind. 

Noah is veilig aan land met zijn ark. Hij verbouwd druiven en drinkt van de wijn die hij gemaakt heeft, en valt naakt in slaap. Zijn jongste zoon Sem ziet hem en vertelt aan zij broers wat hij ziet. Dat wordt uitgelegd als wandaad. Want kennelijk is het schaamtevol om je vader bloot te zien. Ik heb eerder al een keer geschreven dat je daar verschillend over kunt denken. Daar wil ik het niet niet over hebben.  De Bijbel kiest ervaar om het een schande te vinden en Sem wordt vervloekt voor deze daad.

Tot twee keer toe wordt gezegd dat Sem de vader is van Kanaän. Dat lijkt mij niet voor niets. Dit is een voorzet, want Kanaän is het land dat aan de Joden wordt beloofd. En hier wordt uitgelegd dat de Kaänanieten dus kennelijk de zonde van Sem hebben geërfd en dat ze daarom uit een land mogen worden weggejaagd of vermoord.  Ik kan dat niet anders lezen.

Als ik dan ook nog lees dat de Gaza strook wordt veroverd kan ik niet ontkomen aan de gedachte dat de Bijbel hiermee een genocide goedkeurt. En gezien de huidige tijd heb ik daar een heel erg groot probleem mee.

Dat maakt dat de druiven van de Bijbel een zuren smaak krijgen voor mij. Zo zelfs dat ik mooiste heb met verder lezen. Ik was een tijd terug als gestopt omdat ik vond dat de Egyptenaren ontredelijk zwaar werden gestraft. Ik werd toen al boos omdat ik tot twee keer toen las dat God er voor zou zorgen dat de Farao ze niet zou laten gaan, zodat God zijn wonderen kon laten zien. En die wonderen waren dood en verderf. Ik lees een Bijbel die me elke dag een deel laat lezen. Ik stopte hier. Dat was in de veertig dagen tijd.

Nu, na Pinksteren, wilde ik het weer oppakken. Ik zou gewoon het stuk overslaan dat ik mistte en weer bij de datum van nu beginnen. En dat is dus Rechteren, en het begint met de slachting die ik hierboven beschreef. Ik ontkom er dus niet aan. Ik moet hier iets mee. Maar ik weet werkelijk niet wat. 

Nou ja, ik weet het wel. Ik wilde in iedere geval dit schrijven. En ik wil er met mensen over praten. Het zit me echt dwars.

Mijn zeuren is liefde

Mijn klagen is liefde.
Ik ben zelf vergeten dat het liefde is
want ik gaf het een vorm van uit angst.
En in het duister kwam misschien zelfs 
afgunst mee, en wrok.
Dat het angst is ben ik ook vergeten.
Liever ben ik boos.

God vergeef me als ik houvast zocht
en liefde liet verstenen.

Vergeef me als ik dijken bouwde
over anderen heen.

Geef me geen bevestiging van het gelijk
waarvan ik denk dat ik het zoek.
Het maakt van steen graniet.

Sla me niet met verwijten.
Dan verhoog ik mijn duiken.

Zoek mij op waar ik zelf niet durf te gaan.
Neem me serieuzer dan mijn lief is.
Laat me weer voelen
dat mijn klagen, liefde is.
Ik zal voor jou hetzelfde doen.

En als jij vindt dat ik zeur
heb je misschien gelijk.
Maar zoek altijd in je hart,
want misschien ook schuren mijn woorden
aan de stenen van jouw muur.

Laten we zo voor elkaar 
de beschutting zijn die we nodig hebben.
Geen dijk, maar een wadi.
Geen muur, maar een schouder.
Geen vreemde maar een vriend.

 

De gezichten van God

In de bijbel kom ik meerdere gezichten van God tegen. Dat vind ik mooi, want God heeft voor mij ook meerdere gezichten. Steeds als ik probeer uit te leggen wat God voor mij betekent, schiet ik tekort. Waar ik over vertel is altijd maar één aspect, en er zijn er zo veel meer. Een heel boek zou nog niet genoeg zijn om alle gezichten die ik zie te delen. En dan zijn er al die andere mensen die weer andere aspecten zien en ervaren. Ik denk weleens dat we allemaal, dus alle mensen op de wereld, samen pas het hele plaatje compleet kunnen maken. Maar waarschijnlijk is zelfs dat plaatje niet volledig. 

Ik beperk me nu tot twee gezichten van God. En ik kies er twee die tegenstrijdig zijn, want dat kan ook!

God is voor mij de moeder die me in haar armen neemt en me troost als er verdrietige dingen gebeuren. In mijn persoonlijk leven, maar ze doet het ook als ik onmacht voel bij alle onrecht in de wereld. God is voor mij dus niet degene die bepaalt wat er gebeurt. Het beeld van een troostende God past niet bij een God die beslist dat die slechte dingen op een of andere manier noodzakelijk zijn. Dat het, hoe verdrietig ook, ergens goed voor zou zijn. Dat gaat er bij mij niet in. 

Dit gezicht van God kijkt samen met mij naar de wereld en is net zo verdrietig als ik over wat er gebeurt. En dit gezicht van God laat ook op verschillende manieren weten dat het zo niet de bedoeling is. Dit is ook de God die als Jezus de wereld in komt om te laten zien wat dan wél de bedoeling is. Als mens. Samen met ons. Dwars doorheen de pijn.

Maar ik lees in de bijbel ook een ander gezicht van God. Een gezicht dat hier lijnrecht tegenover blijkt te staan. Dat is een God die juist wél dingen laat gebeuren. Goede dingen, maar ook vreselijke dingen. Het is een God die een hele beschaving kan laten verdwijnen onder een zondvloed. Het is een God die kan beslissen dat Sodom en Gomorra vernietigd moeten worden omdat de mensen die daar leven slecht zijn.

Het mooie van deze God is dat je met hem kunt praten. Ik vind het prachtig om te lezen dat God naast Abraham staat, en zelfs met een beetje schroom vertelt wat hij van plan is. Je kunt zelf met hem onderhandelen. Je kunt gewoon tegen hem zeggen: “Zeg God, zo zijn we niet getrouwd!” Ik schrok de eerste keer een beetje van mezelf toen ik dit tegen hem zei. Maar ik bedacht ook dat de uitdrukking helemaal niet zo gek is als je beseft dat het huwelijk gebruikt wordt als beeld van samenzijn met God. 

Twee kompleet tegenovergestelde beelden van God, en ze staan beiden in de bijbel. Ze passen gek genoeg ook beiden, naast elkaar,  in mijn hoofd. De God waarvan ik de arm echt om me heen kan voelen en de God waarmee ik kan vechten. Twee mooie manieren om met mijn onmacht om te gaan. Me laten troosten en mijn opstandigheid kunnen uiten. Het is soms ook fijn om even met iemand te kunnen vechten. Ik hou erg van Jacob, ook hij vocht met God.

De ene manier van omgaan met alles in mijn leven, en de wereld, is niet beter dan de andere. Ik vind het daarom ook fijn dat ik beide manieren terug vind in de bijbel, in God. 

Maskeren. Wat het NIET is

Ik merk dat veel mensen het woord “Maskeren” anders intepreteren als ik. Dus daar wil ik wat over vertellen.

Ik begin twee beelden die mensen er bij hebben die voor mijn gevoel niet kloppen.

Toneelspelen.

Mensen denken dat dat ik me bewust anders gedraag in bepaalde situaties. Dat ik gedrag vertoon wat niet bij me past. Dat klopt niet. Ik kan me helemaal niet anders voordoen dan ik ben. Ik zou meteen door de mand vallen als ik dat zou doen. 

Het enige wat ik qua gedrag doe is mezelf inhouden. En daar ga ik tamelijk ver in. Er is heel veel gedrag dat van nature bij me hoort dat ik niet laat zien. Dat is echter nooit een bewuste keuze geweest. Ik heb stuk voor stuk dingen achterwege gelaten waarvan ik merkte dat anderen ze niet accepteerden, of waar ik als kind mee werd gepest. Als ik zeg dat ik goed ben in maskeren bedoel ik dat ik nu niet eens meer door heb dat ik die dingen niet meer doe. Heel langzamerhand ontdek ik ze en sta ik ze toe.

Doen alsof het goed met me gaat

Daarbij krijg ik het beeld van iemand die het moeilijk heeft, maar sterk wil zijn ten opzichte van anderen. Ik hoefde niet sterk te zijn. Ik negeerde ook voor mezelf de extra moeite die alles me kostte. Dat is ook iets wat ik nu pas ontdek, nu ik het wel toe sta om dat te voelen. Ook dit is iets wat er sluipenderwijs is ingebakken. Dingen kostten me meer moeite dan anderen. Dat maakte dat ik me dom voelde, dat ik kennelijk beter mijn best moest doen. Dus ik deed beter mijn best en erkende niet dat me dat extra kostte. Ook daar werd ik goed in: eindeloos over mijn grenzen gaan zonder dat ik dat door had. Dit is ook iets wat ik nu pas door heb, omdat ik mezelf toe sta om te voelen dat het me te veel kost.

Deze dingen heb ik pas echt leren zien toen ik door mijn NAH niet meer in staat was om het vol te houden. Ik was het al eerde op het spoor, en probeerd al meer rekening met mezelf te houden, maar door mijn NAH besef ik pas hoe vreselijk ver ik hier in ging. En dat dat beter zorgen voor mezelf nog maar met hele kleine stapjes ging.

Maskeren is dus nooit iets wat ik bewust deed, en ik heb dus nooit iemand anders gespeeld, en ik heb me nooit bewust sterk gehouden.

De zachtmoedigen

Dit is een boodschap voor mensen die met lede ogen zien hoe de wereld verhardt. Voor wie de pijn voelt voor al die mensen die worden buitengesloten, niet meer mee kunnen doen. Je kunt je machteloos voelen als je dat ziet gebeuren.

Liever lezer, er is hoop, en jij bent die hoop. Je machteloze gevoel is een teken van een grote kracht. Het is de grootste kracht in de wereld, de kracht van de liefde. Het is een scheppende kracht. Alles wat waardevol is, is ooit met liefde gemaakt. Alles wat echt van belang is, is uit liefde tot stand gekomen. 

Liefdeloze machthebbers spreken met hun veel te grote monden niet de taal van de liefde. Hongerend naar nog meer macht lopen ze zonder blikken of bloezen over de kwetsbaren heen. Deze machthebbers zijn niet in staat om iets te maken. Hun macht kan alleen afbreken.

Dat werd me weer duidelijk in een lezing die ik volgede over Apocalyptische literatuur. Ik leerde dat het beeld dat ik daar bij had helemaal niet klopte. Ik dacht dat het ging over rampen en het einde van de wereld. Die beelden staan er in, maar ze vormen niet de kern van dit soort literatuur. Er vallen meer verhalen onder dan het boek Openbaring. Allemaal zijn ze bedoeld als protest en troost. Ze zijn geschreven in een tijd waarin er wrede heersers regeren, en ze hebben de boodschap: de wereld zoals die er nu uitziet is niet de bedoeling van God. De liefdeloosheid heeft niet het laatste woord.

In dit licht moet ik ook denken aan woorden uit de bergrede. “Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven”. Wat een mooi woord: zachtmoedigen. Het zijn niet de mensen die met een vuist op tafel slaan. Het zijn de mensen die zelfs vaak over het hoofd worden gezien. En toch zijn zij het die de troost voor de wereld zijn. Hun kracht is de kracht van de liefde, de sterkste kracht in de wereld. Het is misschien niet de kracht die altijd kan voorkomen dat iets afgebroken wordt, het is wel de kracht die altijd weer kan opbouwen. 

Ik reken ons, in onze machteloosheid, tot de zachtmoedigen. Dat we oog hebben voor de mensen die op welke manier dan ook worden afgedankt, is een onderdeel van onze macht, de macht van de liefde. Laten we het blijven uitspreken: “We zien jullie. Jullie doen er toe.” Dat is misschien wel de belangrijkste manier waarop we de wereld mooier maken. 

In de Gedlerlander

De journalist die zo goed kon luisteren en mooi schreef over mijn boe “Onder het Radar” deed dat ook weer voor Liedwij. Ik vertelde ook aan Fenna omdat ik het boek aan haar opdroeg.

En weer schreef hei zeer respectvol en invoelend.

Tekens van rouw

Er is zoveel dat me aan Fenna doet denken. En ik ben daar dankbaar voor, want naast verdriet voel ik ook altijd eindeloos veel liefde voor mijn dochter. Wat een mooi mensen was ze, is ze nog, in mij. Een leven dat zó veel betekent, nog steeds.

Deze keer was het een koekje.

Fenna hield niet van suiker op koekjes. Dat gaf een verwarrend mondgevoel. Dus steeds als ik zo’n koekje eet, is ze even bij me.

 

 

 

Gesprek met Fenna

Emma

Dag Fenna, je bent nu bijna drie maanden dood, en ik wil graag met je praten.

Fenna

Dat mag, als je maar weet dat het je eigen stemmen zijn met wie je praat. Al moet ik zeggen dat je, in de gesprekken waar het er toe doet, goed naar me luisterde, zelfs als dat je pijn deed. Je mag er dus vanuit gaan, dat je weet hoe ik over veel dingen denk. Het is niet zo heel erg als je er soms naast zit, zolang je weet dat dat zo is. 

Ik ga niet tegen je zeggen dat het te vroeg is om dit gesprek te voeren. Als je dit nu nodig hebt, moet je dat doen. Dat is één van de dingen waar ik dankbaar voor ben: dat jij niet probeerde te weten wat wel en niet goed voor me was. Dat heb ik je ook verteld toen ik nog leefde, dus daar mag je zeker van zijn. Je nam mijn beslissing om een einde-levens traject aan te gaan, direct serieus. Dat betekende veel voor me. Het maakte me iets minder alleen. 

Emma

Dat gesprek weet ik nog. Ik weet ook nog het eerste echt openhartige gesprek dat we hadden. Je vertelde wat je gemist had in mij als vader. Het deed pijn om naar te luisteren. En tegelijkertijd was ik dankbaar dat je me dit zo openhartig en eerlijk vertelde. Het was tijdens je eerste burn-out. Je vertelde toen ook dat je van iedereen iets moest. Ik heb je toen beloofd dat ik nooit meer vraagtekens zou zetten bij wat je aangeeft over hoe het met je gaat, en wat jij voelt over wat er wel en niet goed voor je is. Ik beloofde altijd achter je te staan. Dat is het eerste waar ik aan dacht toen je vertelde dat je een dat traject aan wilde gaan, dat ik achter, en naast je wilde staan in dat proces, zelfs al wist ik toen al hoe dat af zou lopen. Ik wist inmiddels hoe goed jij over dingen na dacht. Jij was al heel ver in dit proces. Ik wilde je niet nog een keer door al die overwegingen laten gaan, alleen maar omdat ik later instapte. Ik wilde een steun voor je zijn, geen last. Dat ik toch af en toe een last voor je was, is iets waar ik nog op terug wil komen.

Ik wil even vertellen over die tijd, na dat gesprek. Dat gesprek bracht on namelijk dichter bij elkaar. Ik was net begonnen met mijn transitie. Je vertelde mij later dat je aan je therapeute hebt gezegd dat mijn transitie niet vervelend voor je was. Dat je zag dat ik meer ontspannen was, en dat dat maakte dat we dichter bij elkaar kwamen. Je vroeg me zelfs om je te helpen verwijzen, iets wat je daarvoor nooit gedaan zou hebben, omdat je niet tegen mijn stress in zo’n situatie kan. En je vind het helemaal erg als ik probeer niet stressvol te zijn, want dan stuur ik dubbele boodschappen en daar kun je al helemaal niet tegen. Maar nu was ik ontspannen genoeg om je te verhuizen. De klerenkast die we samen op probeerden te zetten viel om, en zelfs dwars door het raam. Je raakt heel even in paniek. Ik liet de jast de kast en ging bij je zitten. Je kalmeerde snel. We ruimden het glas op, lieten de kast daar liggen. Je zou je grote broer vragen je daar mee te helpen. Ik ben niet de handige vader.  We gingen naar de Duivelsberg, het was mooi weer en ik trakteerde je op een seider. Dat voelde als veerkracht, en ik was blij dat je dat gevonden had. Maar, zoals later bleek, het was niet genoeg, en vooral te laat.  Maar toen was een hoopvolle periode. En we waren veel samen.

Het was onze mooiste tijd samen. Ik was mijn baan kwijt door mijn transistie, en probeerde als ZZP’er te werke. Als coach. Ik vluchte ook weer snelweg weg uit die wereld van Indië coaches, maar dat is een ander verhaal. Die transitie is ook een ander verhaal. Daar ga ik het nog wel met je over hebben. Voornamelijk om je te bedanken voor de steun die je maar daarin gaf. 

Ik had een lege agenda. Jij was al een tijd gestopt met je studie en probeerde weer overeind te komen. Ik haalde je vaak op voor uitjes. We gingen wandelen of naar een museum. Je ging mee naar mijn geliefde Singer. Je vertelde me van alles over de tuin daar. Die was ontworpen door Piet Oudolf. Je wist er veel over. Je wist toen ook al dat je tuin en landschaps schroothoop zou gaan doen. Ik ben met je mee geweest naar de open dag en later ook de uitgebreidere voorlichting. Je liet me, ook daar weer, de tuin zien. Je wilde zelfs een groot deel van de introductie meemaken. 

Je wilde weer ergens bij horen. Een nieuwe start. Het voelde wankel, dit begin, maar er was ook hoop, ook bij jou. Er was in ieder geval jouw hartstocht voor de tuinen en het landschap, al was er ook vrees voor de studie zelf. Je deed er alles aan om het een succes te maken. Je maakte afspraken met de studiebegeleider over wat je nodig had. Dat vond ik zo stoer van je. Ik wil van je horen of dat moeilijk was. 

Ik hield er zo van als je dingen uitlegde. Je liefde voor natuur, bloemen, bomen, stroomt zo door je naar buiten als je dat doet. Je weet ontzettend veel, en er zit hartstocht in alles wat je weet. Je weet dingen omdat je het de moeite waard vindt om het te weten. Je bent daarin onverzadigbaar. Je straalde zo’n zekerheid uit als je vertelde over alles waarvan je hield en alles waarvan je dus veel wist. 

Ik vond het ook mooi om naar je te kijken als je naar schilderijen keer in een museum. Dat was je eerste liefde als studie: Cultuurwetenschappen. Weet je nog, op vakantie in Engelend, in de tweedehands boekenwinkel “Scriviner” in Buxton. Ze delen op Facebook leuke dingen, en daar kijk ik graag naar. Het doet me aan jou denken.

Je was net zo gretig als ik. Je wilde alle klassiekers waar je over wist hebben, en je wilde ze allemaal ook lezen, terwijl je wist dat je niet echt een lezer bent, en dat het er niet van zou komen dat je ze ook echt allemaal zou lezen. Je gretigheid was vaak groter dan je aan kon.

Dan moet ik denken aan het gesprek dat we vorig jaar nog hadden, toen jij je kamer leeg maakte, en je spullen weg moest doen. Ik was er om zo veel mogelijk boeken over te nemen. Je vertelde hoeveel pijn het je deed, al een jaar eerder, omdat je geen energie meer had om die boeken te lezen. De pijn dat jouw hartstocht nergens meer een plek kon krijgen. Het besef dat je die boeken echt nooit meer zou lezen. En toen ik daar was nam je ook fysiek afscheid. Ik huilde van binnen. Resoneerde toen al mee dat ik ook fysiek afscheid zou moeten nemen van jou?

Fenna

Als antwoord op je vraag: Ja! Het kostte eindeloos veel moed om van alles te regelen voor mijn studie. Ik wist intussen dat ik niet anders meer kon. Had ik toen maar geweten dat ik autistiesch was. Had ik dat maar nóg veel eerder geweten. In ieder geval had ik wel al geaccepteerd dat ik niet alles meer kon. Dat ik een beperking had. Dat is ook een heel pijnlijk proces geweest. Beseffen dat ik beperkt ben. Op een andere manier naar mezelf kijken. Ook daarbij had een autisme diagnose me kunnen helpen. Dan had ik woorden gehad, en hulp bij dat proces. Nu moest ik dat helemaal alleen doen. Het was fijn dat er zelfs een kamer voor me was geregeld waar ik me even terug kon trekken, maar het was ook heel confronterend dat ik dat dus nodig had. 

Dat “heel erg enthousiast over iets zijn” , daarin lijk ik op jou. En wat fijn dat je het in mij ziet, en dat je er zo van houdt, en dat je het mooi vindt. Want je voelt je schuldig over dat gedrag als het over jou gaat. Omdat jij ook vaak zo leeg liep met je enthousiasme en omdat ik je vertelde dat dat voor mij vaak te veel werd. Als je zo enthousiast deed was er voor mij geen ruimte meer. Niet dat ik per se iets wilde delen, maar er was niet eens ruimte om rustig naar mijn eigen gedachten te luisteren. Je snapte dat, als ik je dat zei, en dan stopte je meteen. Maar ik zag ook dat je je schuldig en betrapt voelde. Ik had je wel willen zeggen dat dat niet hoefde maar ik vond ook dat dat iets was waar je zelf mee moest leren omgaan. En ook al waren we beiden volwassen. Ik was je dochter en ik was degene die herstellend was. Ik hoefde niet ook nog voor jou te zorgen. Maar dat is oké. Ik zag dat je ook dat wel snapte. Uiteindelijk. 

Je zegt zelf vaak: “pijn = liefde”. Dit is één van die dingen waar we borsten, juist omdat we zo op elkaar leken en juist omdat we zo van elkaar hielden. Ik ben zó blij dat we dit tegen elkaar hebben kunnen uitspreken. Ik maakte me zorgen over je. Omdat ik kan aanvoelen hoe dingen ook bij jou hard binnen komen. En ik maakte me zorgen om je, juist omdat je zo van me hield.

Emma

Dat is waarom ik besefte hoe waar het was. En jij weet dat, dat ik moeilijk lieve woorden binnen laat. In dat allereerste gesprek waar je me vertelde dat je het levenseinde traject aan wilde gaan, drukte je me op het hart om alsjeblieft nog geluk te kunnen voelen. En omdat je weet hoe slecht ik voor mezelf zorg, en hoe weinig ik mezelf gun, maakte je er een opdracht van. En dat was een schot in de roos. 

Het gaf me ruimte. Want het eerste wat ik voelde is dat ik zo vreselijk gefaald had. Ik ben in zoveel dingen misgelukt. Het vaderschap was zo’n beetje het enige waar ik trots bij kon voelen. En dat was nu weg. “you had one job!” zegt de strenge stem in mijn hoofd. Dus al het andere in mijn leven was op slag waardeloos. Dat dreune heel hard door me heen. 

En dan was er jouw stem, en ik kan je nog zo zien zitten toen je het zei. “Zorg dat je geluk kunt voelen.”  Dat maakt dat ik het in eerste instantie niet voor mij hoef te doen. Mijn innerlijke critiekus is heel erg sterk en slim. Deze omweg heb ik nodig om te voorkomen dat hij alle geluk dat ik nog kan voelen de grond in zou boren.

Wacht, ik ga van de hak op de tak. Dat kunnen mensen niet meer volgen. En misschien is dit een gesprek, een verhaal wat de moeite waard is om te delen.

Fenna

Ja, jij bent van de grote verhalen.

Emma

Ja. Misschien is dat wel mijn manier om de pijn wat minder te voelen, er een verhaal van maken.

Fenna

Dat is wéér een verhaal. En het is ook niet wat ik bedoelde. Het is best vermoeiend dat jij alles wat tegen je gezegd wordt als kritiek laat binnen komen. Je wordt er al beter in om dat minder te doen, maar the force is strong in you, op die manier.

Ik vind het best mooi hoe je dat doet. Ik ben er ook best jaloers op. Jij weet hoe het is als alles zo hard binnen komt. Het vreselijke, maar ook het mooie. Ook dat mooie kan een last worden als het er niet uit kan. En jij hebt je verhalen. Ik wilde dat ik zo;n uitweg had. 

Maar je verhalen werken niet altijd voor mij. Ze werken eigenlijk bijna nooit. En daar kun je niks aan doen. Het is hoe ik anders ben. Ik zie dat je daar soms verdrietig van wordt, omdat ik ook wel snap dat jij me met die verhalen probeerd te helpen. Maar soms werken ze averechts. Ja, ik weet dat je daar weer een verhaal over hebt. Je hebt het zelfs al opgeschreven in je boek. En je mag dat hier best herhalen. Want het gaat over dat allereerste echt openhartige gesprek dat we hadden. Je noemde het hierboven ook al. 

Emma

Dat was toen je vertelde dat ik bij je boven kwam om een ruzie op te lossen. En dat deed ik met een verhaal. Over mezelf in een vergelijkbare situatie. Dat was mijn manier om je te laten zien dat ik je snapte. Maar je vertelde me dat het effect was dat het weer over mij ging. Je vertelde zelfs dat je dat wel snapte omdat je zag dat ik worstelde met dingen. Ook dat had je goed gezien. Het was jaren voordat ik doorhad dat ik trans was en autistiesch. Je vertelde ook dat je voelde dat het niet zo hoorde dat jij mijn snapte. Dat was niet jouw rol. Hoe oud was je? Een jaar of tien. Zo wijs al, en je had gelijk. Het was niet jouw rol. Parentificatie noemen ze dat, als een kind de rol van een ouder over moet nemen.

Het deed zeer om te horen, maar tegelijkertijd was ik zo dankbaar dat je dit vertelde. Ik heb toen alleen maar geluisterd. Ik heb ook dingen wel goed gedaan.

Fenna

Je hebt een heleboel goed gedaan. Je hebt zoveel lieve vader dingen gedaan. Ik heb ze opgeschreven in mijn brief aan jou. Omdat het nodig is dat je het weet en het gelooft. En zodat je het terug kunt lezen als je een bij van zelfhaat hebt. 

Wat me overeind hield waren de dingen die ik bedacht die ik voor jullie kon doen, om de klap een klein beetje te verzachten. Dat en de vlucht naar series die ik keek. Ik had die vlucht nodig. Het liefst had ik de hele dag geslapen, dan was ik me niet zo vreselijk bewust van mijn lichaam dat eindeloos veel vreselijke signalen naar me stuurde. Zo onmogelijk om te negeren, om van te vluchten. Het wat zó aanwezig. Ik kon er steeds minder tegen. Ik probeerde het te ontvluchten, met een noise-canseling koptelefoon. Ik weet wel dat ik het daar erger mee maakte, maar ik zat al in de spiraal naar beneden en had echt geen energie meer om daaruit te klimmen.

Emma

Ik geef je nu het woord om uit te leggen waarom je geen hoop meer kon voelen. Ik ga daarin ontoereikend zijn. 

Fenna

Dan is het beter dat jij dit stuk vertelt. Het is wat jij van me hebt gezien en gehoord, aangevuld met je eigen ervaringen. Je nam me serieus. Je luisterde naar wat ik vertelde, en je nam dat serieus. Ik heb je nooit gevraagd om het in te voelen. Dat is wat je probeerde, maar gek genoeg ging je er daardoor juist meer van weg. Net als met die verhalen die je over jezelf vertelde om me te laten zien dat je mij begreep. Dus als je hier wil uitleggen wat ik voel, laat het dan jouw woorden zij n, want het kan nooit zijn wat ik voel. Je komt er wel dichtbij, dat weet ik. Maar wat nu komt is jouw beeld over wat ik voelde.

Emma

Dat is inderdaad eerlijk. Jij helpt me altijd enorm in eerlijk zijn. Ik ben heel dankbaar dat we dat hadden, en ik besef nu dat het jouw kracht was die ons daar liet komen. Omdat je naars pijnlijk eerlijk ook altijd oordeelloos was.

Fenna

Nee hoor. Ik heb eindeloos gevloekt en gemopperd op iedereen om me heen. Ik ben heel boos geweest op iedereen die me niet snapte of niet hoed naar me luisterde.

Emma

Nu mag ik jou zeggen dat je niet zo streng moet zijn. Die boosheid en dat oordelen kwam uit buien waar je er doorheen zat. Je was nooit te beroerd om terug te komen op harde dingen die je op zo’n moment zei. Als je er ruimte voor had zag je zelf ook wel dat het uit je uitzichtloosheid kwam. En je had terechte oordelen over een aantal dingen die echt niet goed zijn gegaan.

Fenna

Ja. Dat is waar.

Emma

Dan ga ik nu uitleggen hoe ik denk dat jij je voelde. En je hebt gelijk, ik begin weer bij mezelf. Dat is hoe ik dingen snap en kan uitleggen. Dat is eigenlijk het enige waar ik met zekerheid over durf te spreken.

Dus ik begin met een verhaal.

Ik heb een hele winter erg veel last gehad van mijn neus. 

In de winter 24-25 had ik veel last van mijn neus. Hij was niet verstopt. Mijn holten waren wel vol. Ze liepen door mijn neus leeg mijn keel in, met hele lange taaie snot draden. Ik had aan een stuk door het gevoel dat ik iets weg moest slikken, maar dat ging niet want het bleef stromen. Ik werd er helemaal gek van, want er kwam geen eind aan. Ik ben autistiesch en ik heb een dwangstoornis, net als jij. Ik kon het niet meer negeren. Hoe harder ik dat probeerde, hoe meer ik er op ging letten. Ik zat in een vicieuze cirkel. 

Ik kon niet slapen en ik werd zó moe. Ik ging uit bed, op zoek naar afleiding. Maar ik was te moe om iets te lezen. Op een gegeven moment was ik zelfs te moe om naar iets te kijken. Ik trok midden in de nacht mijn kleren aan en een jas en ging buiten lopen. Als ik teug kwam lukte het soms om in slaap te vallen, maar vaak ook niet. Dan viel ik doodmoe pas tegen de ochtend in slaap.

Dat waren de nachten waarin ik aan jou moest denken. Dingen voelen waar je niet aan kunt ontsnappen. Te moe zijn om afleiding te zoeken. Zo moe zijn dat ik me beroerd voel. En dit was alleen maar een snotneus. Jij had heen heel scala aan dingen waarin je geen seconde aan kon ontsnappen. En je voelde je aan een stuk door zo hopeloos en in paniek als ik in die nachten. 

Dat voelt inderdaad als uitzichtloos. Je had gelukkig wel momenten waarin je een beetje afgeleid was, en je nog min of meer van dingen kon genieten. Als is genieten denk ik een groot woord. Maar de meeste dagen was het afzien. Afzien waar geen einde aan kwam. Ik kon me er een klein beetje iets bij voorstellen. 

Daar is theoretisch een weg uit, maar dat kost energie, en die had je niet mee. Je was echt op. 

Fenna

Ja. Ik was op. En zeker in het begin was er niemand die me geloofde. Want alle mensen in de zorg zijn gericht op beter maken. Opgeven is geen optie. Ze bleven allemaal hoop houden. Maar hun hoop was ook ontkenning van mijn uitzichtloosheid. Het maakte me alleen. Ik had maar een vriendin die het snapte.

En jij. Dat was fijn, dat jij direct naast me ging staan. Je vroeg me ook of ik me niet eenzaam voelde, terwijl iedereen om me heen nog iets had om naar te hopen. Ja. Ik was eenzaam, en nu was het fijn dat je iets probeerde te snappen. Door jouw reactie was ik iets minder alleen.

Het moeilijke is dat ik het niemand kwalijk kon nemen.

Emma

Dat vond ik zo bijzonder mooi van jou. Dat je ieder van ons, in het gezin, de ruimte gaf om in eigen tempo vrede te krijgen met je wens. Je was nooit boos dat we nog niet allemaal daar waren waar jij al was. Je gaf ons de tijd. Zelfs al had jij die niet. 

Ik ben er heel trots op dat we allemaal elkaar de ruimte gaven. Ik voelde me ook schuldig dat ik achter je ging staan. Net alsof ik het niet waard vond om voor jouw leven te vechten. Ik had iets anders gevonden om voor te vechten. Ik wilde dat we met zijn allen dit proces liefdevol konden doorlopen. Daar lag mijn hoop. Niemand nam mij het kwalijk dat ik direct achter je ging staan. Iedereen had door dat we allemaal ons eigen proces daarin in hadden, en we gaven elkaar de ruimte. Ik ben heel trots op ons gezind dat we dat tot het eind toen konden. Dat we er nog steeds kunnen zijn voor elkaar. 

 

Vasten week 2

Het is zondag. Zondagen tellen niet mee in de veertig dagen. Dus de eerste week is voorbij. Een halve. Een soort teen in het water voordat je nat gaat zwemmen.

Het is zwaar.Na vier dagen besef ik al hoe ik social media gebrui. Vooral om mijn hoofd leeg te maken. Alles wat er bij mij binnen komt raakt zoveel andere dingen aan. Er kom van alles in beweging in mijn hoofd. Dat moet er ook weer uit. 

Ik schreef daar al eerder overVastentijd
Te veel 
Column Volzin

In “Te veel” heb ik het zelfde volle gevoel. Er is zelfs meer bij gekomen. Maar ik ben verrast dat ik nu niet meer de wanhoop voel die ik in dat Blog van toen lees. Ik voel meer, maar kennelijk vind ik minder van wat ik voel. Dat maakt het gek genoeg minder zwaar.
In die column vertel ik hoe alle prikkels als een hondje in een park in mijn hoofd tekeer gaan. Zo voelt het nu.

Dat moet er weer uit, want anders blijft het tintelen daar. En dat is de belangrijkste reden dat ik steeds weer terug kom naar social media. Dat is de ideale plek om even snel een observatie en mijn associaties daarbij te delen.  En dan genieten als iemand dat herkent. Dat is wat social media met me deed toen ik er mee begon: herkenning. Ik was niet gek. Ik was niet de Yvettes met zo’n hoofd. Ik kan wél dingen delen! Dat had ik daarvoor zo’n veertig jaar niet gedaan. Ik weet niet hoe ik dat vol hield. Ja, dat weet ik wel. Ik ging kapot, krabbelde overeind en ging weer kapot. En ik duwde al mijn gevoel weg.

Dat doe ik niet meer. Dus nu, na nog maar vier dagen voel ik al hoeveel ik voel. Ik schreef in mijn vorige blog als dat ik ruimte wil maken voor de rouw om Fenna. Dat komt heel hard binnen. Maar er is nog veel meer.

Ik lees veel en lang voor mijn doen, sinds mijn herseninfarct. Ik lees nu “Een jaar met Simon” van Pauline Slot. Ik geniet. Maar dat is meteen het probleem. De hondjes die zij loslaat in mijn brein snuffelende op blekken die ik vergeten was. Boeken die ik geweldig vond en nu weer wil herlezen. En als ik ontdek dat ze schijf coach is moet ik ook weer denken aan mijn mislukte boek dat ik los had gelaten. Dacht ik. De veertig dagen tijd is ook een tijd van voorbereiden. Ik ga die dus ook gebruiken om te zien wat ik met mijn schrijverschap wil. En dus ook of ik nog iets met dat mislukte boek “De Tussenwerelden” wil. Dat hoef ik nu nog niet te weten. 

En omdat ze zo veel oproept en omdat ik zo veel herken van wat ze schrijft wil ik dat kwijt. Ik schreef haar een mail. Ik verwacht niet echt dat ze die leest, maar ik moest haar wel schrijven voor ik verder kon lezen. (En dat lukt maar half omdat ik het stom vind om in die mail te vertellen dat “Toren hoof en Mijlenbreed” ook mijn lievelingsboek is. Ik voel altijd onmiddellijk verbonden met mensen die van dat boek houden.)

Er kon niks meer van dat boek ik mijn hoofd als ik niet ook mijn eigen hondje ergens laat rennen. Pauline schrijft zelf ontroerend over de hond die ze adopteerde maar die een mis mach was. De hond, Jeentje, is nu bij een stel dat ik Zweden (Noorwegen?) is gaan wonen, waar hij minder brokkelig heilige en eindeloos de ruimte heeft. Ik moest huilen toen ik dat las. 

Maar direct nadat ik die mail heb verzonden lees ik verder, en wil ik er direct weer een mail achteraan sturen. Dat doe ik niet. Maar ja, ik heb ook geen Bluy Sky waar ik kan delen wat me raakte. Dus doe ik dat hier maar.

Het gaat over de “Kelner en de levenden”. Dat is het enige boek dat ik in mijn middelbare-school tijd las. Ik was verpletterd, maar vooral door het magisch realisme er van. In die tijd  zag ik ook “Het grote Geburen” van Belcompo in een bewerking van Jaap Druptseen op VBRO tegenpraten. En ook in die tijd was er een Bommel verhaal “De Grote Onthaler”, dat een zelfde soort thema had. 

Nu ik de korte samenvatting in “Een jaar met Simon” lees zie ik wat ik gemist heb. De confrontatie van de mensen met alle pijn in hun leven, en de vraag of ze dan nog steeds ja kunnen zeggen tegen dat leven. Maar misschien heb ik dat niet gemist. Ik heb het niet het als spannend avontuur gelezen, maar misschien juist daardoor heb ik het wel heel erg beleefd, zonder allerlei filosofische gedachte daar over. Misschien kwam het daardoor juist wel veel directer mijn onderbewuste binnen. Ik heb het zojuist besteld bij De Slecte. Ik ga het herlezen.

En dan schrijft ze dat ze terug rijd, en dierenmishandeling ziet en klaar is met de wereld. Dat zij die wél zou willen vervloeken, maar dat dat natuurlijk niet in stand blijft.

Ook daar herken ik veel. Ik schreef daar ooit dit gedicht over, tijdens mijn revalidatie na mijn herseninfarct, tien ik er ook helemaal doorheen was.

Wat bedoelen ze, als ze zeggen
“Je bent zo sterk!”
Dat ik niet huil?
Dat ik niet klaag?
Dat ik niet schreeuw? 
Dat ik niet apathisch ben? 
Ik doe het allemaal.
En soms wil ik zelfs opgeven.
Maar weet je,
als je tegen de wereld zegt:
“Ik stop er mee!”
Dan blijft die wereld zo onbekommerd doorgaan
dat je uiteindelijk weer zegt:
“Oké dan, ik doe wel weer mee.”
Zelfs het opgeven heb ik opgegeven.
Dus wie is er nu sterk?

Ik houd niet zo van “het kan geen toeval zijn”, maar nog geen week hiervoor jas ik Job. Daar worden vragen gesteld. En Vestdijk heeft gewoon de weddenschap van God met de Duivel geleend. Job raakte me ook al omdat ik in de klachten van Job ze veel herkenden waar Fenna doorheen heeft moeten gaan. En dat brengt me weer terug bij het gesprek dat ik in mijn hoofd heb met Fenna. Ik ga dat nog uitschrijven.

Fenna mopperde soms hard. Daar had ze alle recht toe. Ze vervloekte niet haar leven, maar wel haar autisme die haar zo gedij liet voelen dat alles pijn is gaan doen. Ze zou gezegd hebben dat ze het leven wel de moeite waard vind, maar dat ze het gewoon niet meer kan opbrengen. Het is niet dat ze de moeite niet wilde doen, maar dat ze de moeite gewoon niet meer aan kon.

En zo brengt het boek dat ik lees om even niet met mijn gedachten bij Fenna te zijn, me toch terug naar Fenna. En dat kan denk ik ook niet anders.

Ik kan het op dit moment even niet aan om dat gesprek dat ik heb met Fenna verder te schrijven. Maar dit is wat ik kwijt moest. Nu ga ik weer verder lezen. Ik hoop op iets meer lucht. Het is zondag. Vandaag hoef ik feitelijk niet te vasten.