Dag 1
Genesis 1-3 en Psalm 8
Ontzag. Dat is het woord dat bij me omhoog komt als ik ver 1 lees. Ontzag voor alles op de aarde, dat grote firmament daarboven. Ontzag voor de grote vragen. Hoe is dat alles ontstaan? En wat is mijn plek daarin?
Mijn dochter Fenna was een jaar of tien toen ze me vertelde over haar gedachten.
“Ik kan een heel klein probleem heel belangrijk vinden als ik alleen maar dat probleem zien. Maar als ik aan meerdere dingen denk, wordt dat probleem kleiner. Als ik aan nóg meer denk wordt het wéér kleiner. Maar dat kan eindeloos doorgaan. Dan wordt dat probleem zo klein dat het er niet meer belangrijk is, maar als ik dan nóg verder ga ben ik zelf ook niet meer belangrijk. Daar word ik bang van. Want ik kan dat niet meer stoppen in mijn hoofd.
Ontzag. Het oneindige. Het alles. En jezelf zo klein voelen. Dan is het mooi om jezelf gezegend te voelen. God is voor mij een naam voor dat alles waar ik ontzag voor heb. Dat maakt dat ik een persoonlijke band voel met het alles. Het maakt dat ik me niet verloren voel in dat alles.
Ik zal nog vaker dingen zeggen over wat God voor mij is. Dat is niet iets dat eenduidig is. Het is iets dat groter is dan ik in woorden kan vatten. Maar hier en daar kan ik er wel aan raken. Dus weet, dat steeds al ik zeg wat God voor mij is, dat dat slechts een heel klein stukje is van alles wat ik daarover voel.
Vers één leest dan als een gedicht. Een gedicht met een mooi ritme. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd morgen, de tweede dag. Hoe mooi is het om je verbonden te weten met het allerseerste begin, ook al is dat alleen maar politieschool zo. Het geeft me een anker. Omdat ik Fenna heel goed snap. Zonder anker kan het alles angstaanjagend zijn.
Vers twee van de bijbel geeft meteen weer dat de Bijbel geen geschiedenis boek is. Het zegt niet: zo is het precies gebeurd. De bijbel verteld een verhaal. De kracht van verhalen is dat het diepere waarheden kan vertellen, juist door los te komen van de vraag of het precies zo gebeurd is. De vraag hoe het precies gebeurd is, is een kleine waarheid. Dat is soms heel belangrijk. Maar het is niet waar het over gaat in de Bijbel. De Bijbel gaat over grote waarheden.
Meteen al in dat tweede vers wordt namelijk iets verteld dat tegenstrijdig is met het eerste vers. De schepping van de mens heeft twee versies. Het leest voor mij ook als twee heel andere vertellers, elk met een eigen stem. En zo wil ik de bijbel graag lezen, als luisteraar naar iemand die me een verhaal verteld. Iemand die beelden schetst en me mee neemt in het verhaal. Dan gaat het deel van mijn hersenen dat alles wil verklaren even slapen, en wordt het creatieve, het voelende, het scheppende deel wakker. Het deel mij verbindt met anderen. Dat verklarende deel ziet altijd eerder wat me van andere scheid, besef ik nu.
Maar toch wil dat verklarende deel ook iets. En dat mag. Hieronder laat ik het even spreken.
De boom met de kennis van goed en kwaad, en het verlaten van het paradijs, zijn voor mij zulke beelden. Het paradijs is zorgeloosheid. Er is van alles genoeg, het is er mooi en fijn, en je bent onwetend van goed en kwaad.
Maar zodra je weet over goud en kwaad kan er geen sprake meer zijn van een heerlijke onwetendheid. Je hebt nu een verantwoordelijkheid. Je kunt je eigenlijk niet meer helemaal zorgeloos voelen. En er zal onherroepelijk een moment komen dat je moet kiezen tussen twee kwaden. Die verantwoordelijkheid is een zware last. Die last moeten dragen is voor mij het vertrek uit het paradijs. Ik kan dat niet als straf zien. Ik zie het als datgene wat we hier te doen hebben. We moeten leren leven met een wereld waar goed is maar waar ook kwaad is, en we kunnen niet meer doen alsof we dat niet zien. Voor mij is het een opdracht om niet weg te kijken, en om steeds bewust te kiezen voor het goede, ook al zal dat vaak moeilijk zijn, ook al zullen we daar niet vlekkeloos in zijn.
En ook al zullen we het nooit bereiken, we zullen blijven geloven dat we het paradijs samen met elkaar kunnen maken, hier op aarde.





















