Gedichten in mijn hoofd geschreven

Vandaag precies twee jaar geleden kreeg ik een herseninfarct.
De gedichten die ik in die periode “schreef” zette ik pas later op papier. Die teksten, met inleiding, deel ik nu hier:

 

 

Eerste gedichten na herseninfarct.

Deze gedichten maakte ik toen ik nog niet kon lezen, in de eerste weken na mijn hartinfarct.

Het maken (niet schrijven dus) was een moeizaam proces omdat ik elk woord moest onthouden. Ik had niet veel anders te doen, die weken dus dit is waar ik een groot deel van de dag mee bezig was. Eindeloos herhalen van deze zinnen, totdat ze in mijn hoofd zaten. Het was meteem ook therapie en oefening om mijn hoofd weer op gang te krijgen. 

Nu, half oktober, schrijf ik ze voor de eerste keer op. Ze zitten nog allemaal in mijn hoofd.

In mijn hoofd is een stukje stuk.

Maar ik heb nog veel geluk.

Niet meer kunnen lezen is niet fijn.

Maar ik had ook jou vergeten kunnen zijn.

Soms is doorgaan de

de enige deuk

die je kunt slaan

in de zeeën van verdriet.

Het leven is lastig

en niet altijd leuk.

Dat het ook mooi is

voel je soms niet.

O taal, ik hou zo van jou

Je woorden verzetten mijn zinnen

je zinnen zingen in mijn hoofd.

Maar met de letters gaat het mis.

Ik heb zo’n moeite

om ze te vertalen in fonemen.

Misschien omdat

ik ze niet letterlijk wil nemen.

Op weg naar iets

ben ik onderuit gegaan.

En nu lig ik languit

op de vloer van mijn bestaan.

Mijn lichaam vraagt:

Waar wilde je naar toe?

Of waar wilde je vandaan?

Totdat je dat antwoord weet,

heeft het geen zin om op te staan.

Niet alleen de kou dringt door

nu ik oude stemmen hoor,

en voel wat ze bedoelden.

En voel wat ik nooit voelde.

Veel ervan is oude pijn

dus het kost kracht om hier te zijn,

meer kracht dan om op te staan

en gewoonweg door te gaan.

Ik raak haar nooit meer kwijt

mijn bange ik, die me wijst om hoe het hoort.

Ze loodste me gevaren door,

maar wil nu niet meer van boord.

Uit boosheid, dacht ik eerst.

Ik heb haar niet meer nodig.

Ze is nu gepikeerd

em voelt zich overbodig.

Maar toen ik met haar sprak

bleek dat niet de pijn.

Ze was gewoon een beetje bang

om alleen te zijn.

Nu mag ze voor altijd

bij me blijven schuilen.

En steeds als ik haar troost

moet ik zelf een beetje huilen.

Wat bedoelen ze, als ze zeggen

“Je bent zo sterk!”

Dat ik niet huil?

Dat ik niet klaag?

Dat ik niet schreeuw? 

Dat ik niet empathisch ben? 

Ik doe het allemaal.

En soms wil ik zelfs opgeven.

Maar weet je,

als je tegen de wereld zegt:

“Ik stop er mee!”

Dan blijft die wereld zo onbekommerd doorgaan

dat je uiteindelijk weer zegt:

“Oké dan, ik doe wel weer mee.”

Zelfs het opgeven heb ik opgegeven.

Dus wie is er nu sterk?

 

 

(“Empathie” in dit gedicht moet natuurlijk “apathisch” zijn. Dat zie ik nu pas. Ik leer dus nog steeds bij en kan nu dingen die ik toen nog niet kon)