Ik weet nog hoe ik,
helemaal aan het begin van de lente,
een gedicht schreef over herwonnen hartstocht.
Ik voelde toen hoe ik die was kwijtgeraakt.
Bijna achteloos moet ik haar,
ergens in de winter,
verloren zijn geraakt.
Nu, eind augustus, is het tijd
om te zoeken naar een plek
waar ik straks de hartstocht kan begraven.
Ik zal in de winter langsgaan bij het graf.
Zo zal de hartstocht bij me zijn
zonder me te verzengen.
Ze is zo groot,
ik weet nu
ik houd dat niet langer dan een zomer vol.
Er is nu plaats voor een zachter soort van liefde,
als een vuur dat suddert.
Soms zullen er vonken spatten.
In de lente zal de hartstocht me opnieuw verrassen.
Nog voor ik bedenk dat het tuit is om haar op te graven
zal ze meer weer overvallen,
en zal ik beseffen dat ik weer vergeten was
hoe ze voelde.
