Ik struikelde op weg naar school, en ik viel, op een gravelpaadje, op mijn knieën. Dag mooie benen.
Ik viel gisteren ook al, van zo’n opstapje over prikkeldraad in de weilanden, op mijn achterhoofd nog wel. En vorige week ging ik ook vol onderuit bij een wandeling.
In de tweeënhalf jaar dat ik hier woon heb ik al ruim vijfhonderd kilometer gewandeld, en ik ben nog nooit gevallen. En nu drie keer in één week.
Wat wil het universum mij zeggen? Toch niet zo’n banale dat ik ook altijd weer opsta? Misschien juist wel andersom, misschien moet ik even blijven liggen.
Ik ben naar huis gegaan, er waren genoeg mensen op school om te helpen. Er was iemand van de KLM pool, die vallen nu op allerlei plekken in, mooi wel.
Het liefst wil ik nu een kusje op die knie, en dan pas weer opstaan. Maar dat schreef ik gisteren eigenlijk ook al.
Ik weet het al wel, die boodschap. In de afgelopen jaren heb ik tijdens het wandelen wel vaker een bijna val gemaakt. Dan wist ik me net op tijd te herstellen. Pfoeh! Dacht ik dan, fijn dat ik zo alert ben, ik had lelijk kunnen vallen.
De banale boodschap is dat ik te aangeslagen ben om alert te zijn. De dieper liggende boodschap is dat ik in mijn leven te vaak net niet ben gevallen. Ik redde mezelf op tijd. Niemand die het door had. Daarmee heb ik mezelf beroofd veel kusjes op knieën, en van de nodige hersteltijd. Ik vond het vroeger niet voor niets al zo’n mooie titel, die van een bundel korte verhalen van Toon Tellegen: “Bijna iedereen kon omvallen.”
Ik kan het nu eindelijk ook.
En ik kan mezelf ook troosten. Ik kocht een zomerhoed.
Het liefst schrijf ik hier natuurlijk hoe goed ik met van alles om ga.
Maar ik ga heel vaak niet goed om met van alles.
Nu bijvoorbeeld. Ik schreef gisteren een mooi stukje over voor mezelf zorgen. Ik vind het ook knap van mij dat ik dat kan.
Maar ik heb er verschrikkelijk veel verdriet over dat ik de enige ben die dat altijd doet. Ik heb zo vreselijk veel behoefte aan iemand bij me, iemand die van me houdt, iemand die al die lieve dingen voor me doet. Dat hoeft helemaal niet altijd. Af en toe is al fijn. Maar nu is het nooit. En dat nooit drukt zwaar op me, het scheurt me uit elkaar.
Ik zit nu al de hele dag te huilen.
Het gaat straks wel weer. Dan doe ik iets liefs voor mezelf, ik leid mezelf af met een mooi boek, of door verder te gaan met mijn ik-leer-mezelf- JAVAscript project, en ik ga wandelen. Op andere dagen ben ik op school en pas ik op de kinderen van ouders met onmisbare beroepen. Dat vraagt veel energie.
En als ik dan moe thuis kom, van wandeling of van school, dan kruip ik in de hoek van de bank, en dan aai ik mezelf en spreek lieve woordjes.
Maar god wat mis ik een arm om me heen, de nabijheid, een lieve blik, een kop koffie die ik aangereikt krijg, een aai over mijn hoofd, een hand op mijn been.
En god wat doet het pijn.
En nee, dit is geen Corona verdriet (of misschien ook wel). Ik mis dit al jaren. Het viel alleen minder op omdat ik elke week wel een paar contacten had die me even opfleurden. Vandaag zou ik mijn nagels laten doen, ook altijd een moment van zelfzorg door iemand anders. Maar nu, zonder al die kleine momenten waardoor ik weer even verder kan, moet ik alles uit mezelf halen, en dat is zo verrekte zwaar.
Naschrift:
Er bekruipt me een akelig vermoeden. Ik schreef gisteren over mijn verzorgde, de ik die liefde kon ontvangen, en dat ik die pas langzaam aan leer kennen. Ik ben heel erg bang dat dat stuk in mij ook afwezig is geweest in mijn vriendschappen. Misschien is dat waarom ik nu niemand om me heen heb die dit voor mij kan doen, omdat ik nooit iemand heb toegelaten om dat te doen.
Ik zorgde goed voor mezelf, dacht ik. Ik leerde mijn grenzen bewaken, ‘nee’ zeggen, lieve dingen voor mezelf doen, mezelf iets gunnen.
Maar ik deed het allemaal maar half.
Want om voor jezelf te zorgen heb je twee zelven nodig. De zorger en de verzorgde. Dat zorgen, dat kon ik intussen wel, maar de verzorgde leer ik nu pas kennen.
Steeds vaker ben ik in dialoog met mezelf, en vraag ik wat ik wil, wat ik écht wil. En dan kom ik er achter dat ik dat verrassend vaak niet weet. Bij gebrek aan antwoord deed mijn verzorger dan maar wat. Nu wacht ze geduldig, tot ik het wel weet. En het antwoord is vaak net even anders dan verwacht. Zo doe ik nu soms een middagslaapje in plaats van de koelkast afstruinen naar iets waar ik zin in heb. Die koelkast gaat nu dus ook pas open als ik weet wat ik eruit wil halen.
En steeds vaker ontdek ik dat ik gewoon niks wil. “Je mag ook gewoon even zo blijven zitten, uit het raam staren”, zeg ik dan. “Je hoeft niet naar het balkon omdat daar de zon schijnt.” De gedachten die dan komen, laat ik even makkelijk ook weer gaan. Ik hoef al dat moois niet in blogvorm of dichtvorm om te zetten. Het mag er ook gewoon even vluchtig zijn. Ik zeg: “dankjewel” tegen mezelf, geef mezelf een zachte aai en ik voel hoe ik geaaid wordt.
Ik zit op de picknicktafel op het schoolplein, mijn voeten op de bank zodat mijn knieën omhoog kunnen. Ik streel heel zacht en langzaam met mijn handen over mijn benen. Ik heb een panty aan, dat maakt het strelen nog soepeler. Mijn bovenlichaam wiegt haast onmerkbaar op en neer.
Ik stim. Ik stim als een malle, altijd en overal. Ik deed dat als kind al. Toen heette het tiebelen, en iedereen werd er gek van, dus het mocht niet. Sindsdien kan ik onmerkbaar stimmen. Als ik wandel ga ik met mijn duim over de nagels van mijn hand, een voor een, en weer terug. Het wandelen zelf is ook stimmen, ik maak een cadans in mijn hoofd met één regel uit een liedje, die ik eindeloos herhaal. Ik heb wel eens geprobeerd stappen te tellen, maar dat gaat bij het telwoord ‘zeven’ al mis. Wie komt er nu ook in hemelsnaam op het idee om een telwoord twéé lettergepen te geven!
Ik kan trommelen met mijn vingers zonder dat iemand het merkt. Gewoon één voor één de druk van mijn vingers op de tafel zwaarder of lichter maken. Zo kan ik ook met mijn voeten langzaam trappelen zonder dat de zool van mijn schoen los komt van de vloer. Ik kan op deze manier al mijn spiergroepen ritmisch aanspannen in een gymnastiek-achtige serie, liefst een die rondgaat. Ik doe dit altijd, en overal, en onbewust.
Zelfs het wapperen met mijn handen doe ik, maar alleen als er niemand kijkt. Het geeft een bijzonder gevoel. Net of je dikke wattige vingers krijgt. Nee, net of je een handschoen aan hebt die opgeblazen wordt (1), zodat je overal in je hand precies overal evenveel druk voelt. En.. wapperen met je handen is de beste manier om energie kwijt te raken als je ergens heel erg opgewonden blij van wordt. Als ik niet kan wapperen huil ik van blijdschap, maar huilen is een druppelende kraan, en wapperen met je handen is een waterval. Springen en juichen doet niks voor me, gek genoeg.
Soms word ik bewust van mijn stimmen, meestal als de bewegingen wat groter of uitgebreider zijn. Zoals nu het strelen van mijn benen, en het op en neer wiegen. Vandaag besefte ik pas ten volle dat ik dan overprikkeld ben, en ik mezelf tot rust stim.
Ik had zelf nog niet eens door dat ik overprikkeld was. Het was pas tien uur, en het was een gewone rustige ochtend met acht kinderen in mijn oppasklasje. Ik had er niet eens drukke kleuters tussen.
Maar was het wel rustig geweest? Ik laat de ochtend in detail aan me voorbij gaan. Ik haal alle momenten die anders waren dan anders en die een beslissing van me vroegen voor de geest. Stuk voor stuk peanuts, maar ik ben niet voor niets overprikkeld, er is iets opgestapeld. Bij elkaar heb ik toch een behoorlijk aantal prikkelpunten verzameld.
Vroeger deed ik al die dingen op auto-pilot. Ik zorgde ervoor dat ik voor iedereen het goede deed. Dat lukt nooit helemaal, en het zorgde ervoor dat ik mezelf mislukt voelde.
Mijn auto-pilot is stuk, doorgebrand. Ik heb besloten hem niet meer te vervangen. Maar ik ben het zelf sturen nog niet helemaal gewend.
Ik mag veel en veel liever zijn voor mezelf. Ik besluit dat hier en nu te doen door me over te geven aan mijn stimmen, en de pleinwacht even aan de andere juffen te laten.
(1) Die moet ik beter uitleggen. Ik bedoel géén lucht tussen mijn hand en de handschoen. Ik bedoel een dubbelwandige handschoen die je op kunt blazen, en die op die manier tegen de hand aan drukt. Zo’n handschoen bestaat best, in mijn verbeelding,
(Yep, I kow. Ik had een lijstje van 17 dingen, en ik had er nog maar 12 benoemd. Dit is nr 13. Die andere vier lijken te veel op de eerste 12. Ze komen vanzelf aan bod als ik ruimte vind om te bloggen. Want eerlijk gezegd, dat lukt me niet elke dag. Soms is de pijn, die ik aan te gaan heb te groot, en lukt het me niet om woorden te vinden. Dat zijn moeilijke dagen, maar ik heb niet alleen te snappen, ik heb vooral te voelen.)
Het vervolg van het lijstje van gisteren. Dingen die ik niet over mezelf wist, of die ik angstvallig verborgen hield als ik ze wel wist. Dingen waarvan ik nu weet dat ze bij me horen.
7.
Ik wil van alles de logica weten, het diepere waarom. Ik kan heel erg slecht tegen dingen “die we nu eenmaal zo doen”. Voorbeeld: Ik moest voor mijn operatie een nagel ongelakt laten. Ik wist dat dat voor de saturatiemeter was, maar ik dacht dat die ook gewoon door de huid heen kon meten. Niemand kwam verder dan dat het door iedereen werd voorgeschreven. Ik kan erg slecht tegen de manier waarop iedereen daar blijkbaar genoegen mee neemt, en dat er niemand weet waarom dat een voorschrift is, dat mensen het zelfs vreemd vinden dat ik doorvraag, dat ze vinden dat ik niet zo moeilijk moet doen (hoe vaak ik dát niet geoord heb!) Ik ben gaan googelen naar de werking van saturatiemeters. De ouderwetse meten inderdaad ‘door de vinger heen’. Nieuwere meters kunnen ook mbv een soort echo aan één kant de zuurstof in het bloed meten. Nu kon ik met gerust hart mijn nagel vrij houden, omdat ik niet weet welke meter ze hebben. Met die onzekerheidsfactor kan ik gek genoeg dan wel weer leven.
8.
Deze lijkt op punt 4, mijn verzamelwoede. Ik vind het fijn om dingen bij te houden. Ik ben verslaafd geweest aan mijn fitbit die alles bij hield. Ik zet de coronacijfers van het RIVM in een eigen excelsheet en maak er berekeningen mee. Ik weet dat ik er niets aan heb, ik trek er ook geen conclusies uit, het geeft me niet eens een veilig gevoel om te zien dat de grafieken inderdaad afvlakken. En toch is dit een ritueel geworden dat ik moeilijk kan loslaten, alsof alleen de handeling al, me gerust stelt.
9.
Ik heb veel ingebouwde veiligheidsmechanismen. In de cursus over hoogsensitiviteit leerde ik dat ik een actieve prikkelontwijker ben. Ik kan de voordeur van mijn huis niet op slot doen als ik mijn sleutels niet in mijn hand heb. Zelfs niet als ik zeker weet dat ik ze net in een zijvakje van mijn tas heb gestopt. Ik haal ze uit het zijvakje, voel ze in mijn hand, en trek dan de deur dicht. Ik ben ook overal een half uur te vroeg (minstens!).
10.
Deze lijkt op punt 2. Ik voel nu hoe ik mijn hele leven lang altijd en overal mijn omgeving scande om er achter te komen wat ik wel en niet kan doen. Ik heb een enorm archief met do’s en dont’s. Ik weet nog hoe ik als kind hier tekort in schoot, en de diepe schaamte die ik voelde als ik een don’t over het hoofd had gezien. Nóg beter opletten in het vervolg! Ik doe nu, heel voorzichtig, vrijwilligerswerk en merk hoe dit mechanisme aan staat. Nu pas ben ik me bewust hoe het werkt. Ik word er doodmoe van, maar ik weet niet hoe ik het uit kan zetten.
11.
Vrienden. Nooit over nagedacht. Vrienden waren voor mij de weinigen waar ik me veilig bij voelde. Waar ik voelde dat ik niet zo vreselijk hard mijn best hoefde te doen om geaccepteerd te worden. Maar ik heb eerlijk gezegd geen idee waarom die mensen vrienden met mij willen zijn. Het werkt ook alleen met mensen die niet neurotypisch zijn (dat is ook de reden dat ze veilig zijn). Ik ben dankbaar voor deze vrienden, ze voelen als cadeautjes, en ik ben heel langzaam aan het accepteren dat ik ze verdien (al snap ik het nog niet). Ik heb een hele leuke enthousiaste onderbuurvrouw. Ik zou haar best beter willen leren kennen, maar ik weet niet hoe ik dat aan moet pakken.
12.
Nieuwe dingen kosten mij meer energie dan ik wist. Dit lijkt weer op punt 3. Als er teminste één vertrouwd element is, heb ik nog een beetje houvast. Maar ook dan houd ik niet van dingen die anders zijn. Vorige week werd ik ineens geconfronteerd met een stagiare die samen met mij op het klasje kinderen zou passen. In plaats van blij zijn met de hulp voel ik me in eerste instantie ongemakkelijk. Dat slijt wel, maar het is er. Het is iets waar ik me nu pas bewust van ben. Zou je mee een jaar geleden een lijst gegeven hebben met de vraag: “heb je problemen met nieuwe situaties?” zou ik een 5 gegeven hebben bij “totaal niet”. Nu geef ik het een 1. Ja, ik heb daar veel problemen mee. Ik kan het, maar het kost me kruim.
Voor bijna al deze dingen geldt dat ik ze al wel had/deed, maar dat ik me er niet bewust van was, ook niet van de energie die het me kostte. Ik ging eindeloos door mijn grenzen heen. Niet gek dat ik zo’n beetje om de drie jaar een soort van burnout had. Ik ben me er nu wél van bewust. Ik hoef niet per se anders om te gaan met deze dingen, behalve met de energie vreters. Daar zou ik graag anders mee om leren gaan.
Toen ik in 2012 ging bloggen leerde ik in versneld tempo veel over mezelf. De kapstok die ik toen kreeg was hoogsensitiviteit. Dat verklaarde heel erg veel, en wat fijn was, ik was niet de enige die ‘anders’ was. Het werd een zoektocht die er uiteindelijk toe leidde dat ik ontdekte dat ik een vrouw was en geen man.
Vorig jaar stortte ik in. Ondanks al mijn ontdekkingen waardoor ik steeds meer mezelf kon zijn, leefde ik nog steeds een leven zoals ik vond dat ik het moest leven. Ik hield het niet meer vol, moest mijn baan als juf opgeven, en langzamerhand liet ik alles los.
Toen ontdekte ik een aantal dingen die voor mij niet onder de kapstok van hoogsensitiviteit vielen. Ik liet hardop de mogelijkheid vallen dat ik misschien wel autistisch was. Een paar vriendinnen die, zo bleek opeens, autistisch waren, zeiden: “Dat zou ons niets verbazen.”
Ik had een nieuw kapstok woord. In het begin klampte ik dat vast als anker. Ik voelde me zo losgeslingerd, ik had wel wat houvast nodig. Misschien zijn wachtlijsten juist goed, want intussen kan ik het ook weer loslaten. Toch laat ik het diagnosetraject bij het expertisecentrum voor autisme doorgaan. Het traject zelf gaat me helpen om dingen te plaatsen. Ik ben ook wel zo eigenwijs dat ik, als ik niet autistisch ben, dat alleen maar geloof van mensen die er verstand van hebben.
Ik ben in een opschrijfboekje aan het bijhouden wat nu precies die dingen zijn die me op het spoor van autisme zetten. Het werkte twee kanten op. De mogelijkheid dat ik autistisch ben, heeft licht geworpen op veel dingen die ik nog verborgen hield, ook voor mezelf. Ik heb een groot deel van de winst dus al binnen.
Autisme is de aanleiding voor dit lijstje, maar ik weet helemaal niet of dit wel typisch autistische dingen zijn, van een aantal weet ik zelfs al dat ze het niet zijn. Dat doet er ook niet zo heel veel toe. Het zijn nieuwe ontdekkingen over mezelf. Dingen die ik vorig jaar uit de schaduw haalde. Dingen die ik leer accepteren en zelfs waarderen.
Het wordt een opsomming, met een hele korte uitleg. Ik kan het mooi gebruiken als content planner, want ze verdienen allemaal een eigen blog. Al schrijvend ga ik meer over mezelf ontdekken, dat weet ik nu al. Sommige onderwerpen zijn verweven met elkaar. Hoe, dat weet ik nog niet helemaal. Dat merk ik vanzelf als ik de blogs ga schrijven. Hier volgt het lijstje zoals het in mijn boekje staat, ongecensureerd en ongesorteerd.
1.
Ik steek een ongelooflijke dosis energie in het begrijpen en ‘lezen’ van de mensen om me heen. Ik dacht dat dit een talent was. Dat is het niet. Het is een vaardigheid die ik leerde toen ik sociale vaardigheidstrainingen ging volgen en geven. Het gaat me niet vanzelf af, het kost me veel werk. Sinds vorig jaar voel ik pas hoe dit me leegzuigt. Ik doe het om me veilig te voelen, om te weten hoe ik moet reageren. Ik doe nu vrijwilligerswerk op een school. Ik heb weinig te doen, en ik ben na een halve dag doodop. Ik weet nu waarom.
2.
Ik ben gestopt met iedereen te snappen. Ik kon altijd van iedereen het standpunt begrijpen, had begrip voor de manier waarop ze reageerden. Ik was de ideale intermediair. Maar nu snap ik pas hoeveel ik mezelf weg gaf met deze strategie. Ik wil het niet meer. Ik wil geen ruimte meer maken voor dingen die voor mijn gevoel niet kloppen, hoezeer ik ook kan zien hoe ze ontstaan zijn. Ik heb nog geen nieuwe manier gevonden om hier mee om te gaan. Ik heb principiële onverzettelijkheid uitgeprobeerd, maar dat bevalt me ook niet. Dit is iets waarmee ik in therapie wel wat zou willen doen.
3.
Ik ben een routine mens. Dit was een volslagen verrassing voor me! Ik ben een chaoot, ik haar routinematige klussen. Ik houd van creatieve oplossingen. En toch heb ik mijn eigen specifieke manier waarop ik dingen doe, en ik kan er heel erg slecht tegen als er een spaak in mijn wiel wordt gestoken. Ik heb zelfs erg veel van dit soort dingetjes, heb ik ontdekt.
4.
Ik ben verzot op weetjes, en krijg dan een enorme verzameldrift. Ik heb dit met boeken: wil alle boeken van mijn lievelingsschrijfster,
-geschiedenis: wil alles lezen over een bepaalde periode (nu: 18e eeuw) -films: ik heb de avengers serie compleet op DVD, op volgorde -ik háát het intens dat ik vier seizoenen van Dr Who niet meer kan krijgen -ik heb twee boeken én twee filmversies van Little Women (en zocht op youtube naar alle eerdere verfilmingen) -ik las een boekje over belangrijke vrouwelijke schrijfsters, nu heb ik een boekenplank gereserveerd voor boeken van al die schrijfsters -ik heb wel drie boeken over hoe de plek waar ik nu woon was in de 19e eeuw -kunst: ik heb van alle exposities waar ik was de catalogus enz….
5.
Ik voel mijn lijf niet. Ik had ergens zin in. Niet iets zoets, niet iets hartigs, geen dorst. Het bleek dat ik heel erg moe was en moest slapen. Ik heb vaak niet goed door wat mijn lijf nodig heeft.
6.
Ik wil heel graag dat alles klopt en volledig is. Dit lijkt op punt 4, maar het is breder. Het maken van dit lijstje hoort er ook bij. Maar ik ontdekte bijvoorbeeld ook dat ik beeldbellen voor mijn diagnose niet prettig vind omdat we niet in dezelfde ruimte zijn. Dat voelt niet kloppend, het voelt onaf. Ik heb dat met heel veel dingen.
Dit is even genoeg voor vandaag. Ik heb er 17 in totaal. Stoppen bij nummer zes voelt niet helemaal kloppend, maar hé, laat ik eens buiten mijn comfortzone gaan en dat niet alsnog kloppend proberen te maken (17 is ook nog eens een priemgetal, dat helpt ook niet echt).
Ik heb twee soorten zelfzorg. Nou ja, het zijn er meer. Ik kan mezelf ook verwennen en zo, maar ik wil het nu hebben over deze twee.
De eerste is mijn standaardmanier sinds 2012. Mezelf leeg schrijven. In blogs, in boekjes, op twitter. Kleine observaties, gedichten, en stukken waarin ik mezelf een beetje probeer te verklaren. Het helpt, het geeft rust, het geeft zelfs nieuwe inzichten. Maar het is allemaal hoofd.
Daarom geef ik me steeds vaker over aan de tweede vorm. Zitten en voelen. Het liefst in het hoekje van mijn bank, in bijna foetus houding. Als ik mezelf open zijn er direct de tranen, ik voel het golven in mijn lijf. Soms doet mijn verdriet fysiek pijn, soms voel ik grote dankbaarheid. Er is niet zo heel veel verschil in het gevoel, beide is liefde.
En steeds vaker streel ik mij. Ik weet intussen wat fijn voelt. Mijn armen om me heen in omhelzing en dan heel zacht mijn bovenarmen voelen, ze zijn zó zacht. Of ik laat mijn handen elkaar bevoelen, hele kleine bewegingen, ik verstil als ik dit doe. Mijn bewegingen worden langzamer, zachter en tegelijk intenser. Ik voel liefde op de millimeter.
En dan ook altijd even met mijn vingers over mijn wangen. Die zijn zo heerlijk zacht sinds de hormonen. s’Avonds moet ik wel uit de buurt blijven van mijn bovenlip en kin vanwege de stoppels, onzichtbaar, maar mijn gevoel is intussen zo fijn dat ze onmiskenbaar aanwezig zijn.
Nu schiet ik weer in blogmodus. Ik bedenk al schrijvende dat ik juist die stoppels mee moet nemen in mijn ritueel. Dat is een manier om mezelf heel te maken. Ik heb nog heel veel Jacob Jan binnen te halen. Ik probeer het uit, nu terwijl ik dit schrijf. Het gaat nog niet van harte. Maar als ik iets geleerd heb van mijn transitie is het geduld. Ik kom er wel.
Dat waren mijn ‘second thoughts’. Ik schreef dit gisteravond. Vannacht kwamen mijn ’third thoughts’. Ik moet die stoppels helemaal niet meenemen. Ik haal Jacob Jan wel op een andere manier binnen. De manier waarop ik mezelf streel is namelijk een vorm van ‘stimmen’. Zelfstimelerende handelingen waar ik rustig van word, mijn ouders noemden dit tiebelen, ik doe dit met van alles, tikken met een pen, spelen met alles wat geluid maakt, wapperen met mijn handen (als niemand kijkt), mijn gladde nagels voelen. Nu ik weer alleen woon kan ik het eindelijk weer doen want ik moest mezelf altijd inhouden omdat mijn huisgenoten gek van me werden. Mezelf aaien, kan ik heel bewust doen, als vorm van zelfliefde, zoals ik hierboven beschreef, maar ik besefte vannacht dat het ook een vorm van stimmen is, een beweging waar ik rustig van word. Daarom is het zo belangrijk dat die niet verstoord wordt door het voelen van stoppels. Dat heeft niets te maken met het niet willen accepteren van mijn baard. Het is een tactiele ervaring die niet prettig is.
Ik was natuurlijk een beetje een dramaqueen toen ik twitter en facebook dichtgooide. Zonder uitleg vooraf. Het voelde als een deur dichtsmijten in een ruzie.
En dat terwijl ik met niemand ruzie heb. Ik heb er de mooiste contacten. Contacten die me helpen in moeilijke tijden. Contacten waardoor ik me gezien voel. Ik kreeg zelfs stapels post toen mijn operatie niet doorging
Ik was boos op de wereld die niets gaat leren van deze crisis, maar me boos maken is ook een mooie manier om mezelf af te leiden van mijn eigen pijn.
En die voel ik nu. Voluit. Dus ik dank mijn dramaqueen, ze heeft me een soort therapie opdracht gegeven.
Afgelopen jaar was diep en donker. Vaak wilde ik niet helemaal niet meer verder.
Dit jaar was een stuk lichter. De eerste twee-en-een-halve maand ging ik best lekker. Helemaal door het nieuws van mijn geslachtsbevestigende operatie waar ik naar toe kon leven.
En nu is de pijn er weer.
Maar het voelt nu anders. Ik wordt er niet langer door overwoekerd. Een lieve vriendin zei: “het voelt alsof jij de regie houdt.”
En dat klopt. Niet de pijn heeft de regie, maar ik. Dat maakt de pijn niet minder pijn. Het maakt het wel draagbaar.
Ik heb de pijn te voelen, het is uitgestelde pijn, het is de pijn die ik jarenlang niet heb willen voelen, en die ik succesvol buiten de deur heb gehouden.
Het is mijn werk, deze dagen. Het draagt bij aan mijn veerkracht, en het maakt me milder, het vult me met compassie.
Ik was het moeilijkste hoofdstuk van mijn boek, dat over mijn huwelijk, vooruit aan het schuiven. Het moet helemaal herschreven worden, want er zit geen ziel in. Dat zie ik nu ook. En nu, nu ik dwarsdoorheen mijn pijn naar mijn oude leven kijk, en ook de pijn daarvan kan voelen, kijk ik milder terug naar die twee lieve mensen die elkaar vonden, en ook veel goeds met elkaar deelden. Ik zie nu hoe ze al hun liefde uit lieten stromen over hun kinderen, hoe ze niet bij machte waren die liefde ook voor zichzelf te voelen en hoe ze elkaar daardoor langzaam kwijt raakten.
Ik blijf nog even hier. Dit werk vraagt alles van me. Ik zal hier, als het lukt, wel elke dag van me laten horen, als een soort werkverslag.
Maar ik kom terug op dat vluchtige medium twitter. Want ik mis bijvoorbeeld dat ik niet kan laten zien hoe trots ik ben op mijn aldereerste zelfgelakte nagel. En ik mis het om dat soort ‘onbenullige’ berichten van anderen te lezen, want dat is voor mij twitter, het uitwisselen van de kleine dingen in het leven, tussen het grote. Want uiteindelijk zijn die kleine dingen het grote.
Ik kan intussen ook weer vreugde vinden in die kleine dingen. Het is ook een beetje symbolisch, die nagel. Het is de nagel die ik vrij liet voor mijn operatie. Juist die nagel lakken helpt bij het afscheid van al die mooie verwachtingen, al is dat proces nog niet helemaal rond, voel ik. Daar is ook nog verdriet te voelen.