Selecteer een pagina

Ik struikelde op weg naar school, en ik viel, op een gravelpaadje, op mijn knieën. Dag mooie benen.

Ik viel gisteren ook al, van zo’n opstapje over prikkeldraad in de weilanden, op mijn achterhoofd nog wel. En vorige week ging ik ook vol onderuit bij een wandeling.

In de tweeënhalf jaar dat ik hier woon heb ik al ruim vijfhonderd kilometer gewandeld, en ik ben nog nooit gevallen. En nu drie keer in één week.

Wat wil het universum mij zeggen? Toch niet zo’n banale dat ik ook altijd weer opsta? Misschien juist wel andersom, misschien moet ik even blijven liggen. 

Ik ben naar huis gegaan, er waren genoeg mensen op school om te helpen. Er was iemand van de KLM pool, die vallen nu op allerlei plekken in, mooi wel.

Het liefst wil ik nu een kusje op die knie, en dan pas weer opstaan. Maar dat schreef ik gisteren eigenlijk ook al.

Ik weet het al wel, die boodschap. In de afgelopen jaren heb ik tijdens het wandelen wel vaker een bijna val gemaakt. Dan wist ik me net op tijd te herstellen. Pfoeh! Dacht ik dan, fijn dat ik zo alert ben, ik had lelijk kunnen vallen.

De banale boodschap is dat ik te aangeslagen ben om alert te zijn. De dieper liggende boodschap is dat ik in mijn leven te vaak net niet ben gevallen. Ik redde mezelf op tijd. Niemand die het door had. Daarmee heb ik mezelf beroofd veel kusjes op knieën, en van de nodige hersteltijd. Ik vond het vroeger niet voor niets al zo’n mooie titel, die van een bundel korte verhalen van Toon Tellegen: “Bijna iedereen kon omvallen.”

Ik kan het nu eindelijk ook.

En ik kan mezelf ook troosten. Ik kocht een zomerhoed.