Geluk

Ik heb geen bipolaire stoornis. Dat is nu ook duidelijk, na mijn diagnose.

Ik voel wel alles in uitersten. Mijn verdriet en mijn geluk. Misschien hebben de hormonen daar wat mee te maken. Ik zou het eerlijk gezegd niet anders willen.

Ik heb de kracht mezelf uit mijn tomeloze verdriet te tillen, elke keer weer. Ook al denk ik elke keer dat het deze keer niet gaat lukken, het lukt elke keer opnieuw.

En nu voel ik het geluk.

Ik zou een ode willen zingen aan dat geluk, maar ik kom met woorden niet eens in de buurt. Mijn woorden zijn een keukentrapje dat de maan wil bereiken. En zelfs al had ik een Apollo 8 tot mijn beschikking, dan nog zou blijken dat wat ik wil beschrijven niet de maan is maar de Pleiaden.

Wat ik nu zo graag wil beschrijven is het gevoel dat me raakt, en bijna vloert als ik mezelf in de spiegel zie.

Ik moet dan als achtergrond vertellen dat ik mijn spiegelbeeld haatte, en haten is niet eens het goed woord. Het was alsof dat spiegelbeeld me elke keer opnieuw neerdrukte. Hoe mooi en licht ik me van binnen ook voelde, daar was het stoffelijke bewijs dat die gevoelens toch ook maar vluchtig waren. Dit is waar ik het mee te doen had.

Maar nu!

Nu kijk ik in de spiegel en wat ik daar zie bezingt wat ik van binnen voel. Die mooie, lieve, wijze vrouw met die twinkel in haar ogen, dat ben ik. Ik val met mezelf samen. Ik voel oneindig veel dankbaarheid. De tranen springen in mijn ogen en ik loop over. Dit is elke keer weer te groot om te voelen. Ik zou willen dat ik een beetje van dit geluk kon delen.

Dit maakt het alles waard, ook die hele diepe momenten van pijn.

Diagnose

Het is dus geen autisme. En dat is jammer. Ik herkende zoveel van de dingen waar vriendinnen met autisme tegen aan lopen.

En nu heb ik al die problemen/dingetjes, maar er is geen uitleg voor en geen verklaring. Geen boeken, geen blogs, zodat ik niet kan zeggen: “lees dit, dan begrijp je me een beetje”. Natuurlijk zou ik er dan bij zeggen dat geen autist hetzelfde is en dat niet alles uit dat boek ook op mij slaat, maar toch. Het had een soort van begrip kunnen geven. Geen mensen om er mee over te praten. Geen, hé dat heb ik ook, lastig hè?

Anders gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, met dwangmatige en vermijdende trekken. En hoogsensitief met last van prikkelverwerking. Maar dat laatste past dan weer niet in de DSM-5.

De echte diagnose is trouwens een mooie beschrijving van alles waar ik tegen aan loop. Ik heb daar ook echt wat aan, aan de diagnose. Dat zinnetje is er alleen voor de DSM-5.

Dat zinnetje is niet alleen een mond vol, maar je moet het allemaal uitleggen. Dat zinnetje maakt niets duidelijk.

Ik ben weer alleen in mijn gekkigheid.

Ik moet het zelf doen. Dat is goed, maar het is ook vreselijk zwaar. Niemand om op terug te vallen.

Ik heb hele lieve vriendinnen en ze helpen me enorm, maar dit is wat ik zelf moet doen. Het voelt als loodzware verantwoordelijkheid, mezelf opnieuw opvoeden, mezelf de veerkracht leren die ik in mijn jeugd niet leerde.

Ik heb een beeld. De vergelijking gaat natuurlijk scheef, maar het roept wel het gevoel op dat ik nu heb.

Ik ben een alleenstaande moeder, waarbij de vader uit zicht is, en die een kwetsbaar kind moet begeleiden in een wereld die nog steeds niet zo aardig is voor kwetsbare kinderen.

Als alleenstaande moeder heb je natuurlijk ook hulp. Lieve mensen om je heen die je om advies kan vragen, waarbij je kunt uithuilen. Maar de verantwoordelijkheid is van jou alleen. Die kun je nooit even op iemands schouder leggen, die is er altijd 24 uur per dag, 7 dagen per week.

En dan ben ik ook nog eens dat kwetsbare kind zelf.

Het is mijn weg. Authentiek te zijn, nergens te passen. Misschien komt daar nog eens iets heel moois van.

Het is een mooie weg.

Het is ook een hele zware weg.

 

twitter: haat/liefde

Ik heb twitter weer uitgezet.

Impulsief, maar deze keer niet als dramaqueen. Ik wilde al eerder een twitterpauze, maar dat voelde als verraad naar Black Lives Matter, alsof ik me aan mijn verantwoordelijkheid onttrok om op de hoogte te blijven en mee te vechten. Alles wat ik over racisme leerde, leerde ik van twitter.

Het verontrustte me, ik werd misselijk van de ontkenning en de racistische uitingen, maar de grote beweging die nu in gang is gekomen verwarmde me ook.

En toen kwam J.K. Rowling, en in haar kielzog heel veel transfobe gif. En toen zelfs mensen in mijn eigen timeline niet wilden snappen waarom inclusief taalgebruik nodig is, wist ik dat ik moest stoppen. Omdat ik dat dan uit ga leggen, terwijl ik weet dat het geen zin heeft.

Dat is mijn valkuil. Ik ga me bemoeien, en dat moet ik niet doen. Ik ben niet goed in argumenteren. Ik heb de boel logisch in mijn kop zitten, en dan bots ik op mensen die niet willen begrijpen. Dat veroorzaakt kortsluiting in mijn brein. Alsof ik in gesprek moet met iemand die beweert dat twee plus twee vijf is.

Andersom kan ik het hebben. Mensen die me wijzen op mijn vooringenomenheid. Het doet even pijn aan mijn ego, maar ik kan de logica wel herkennen, en zien dat ze gelijk hebben. En fuck dat ego dan maar even, die komt er wel weer bovenop.

Maar opzettelijke onwetendheid, daar kan ik niet goed tegen. Dat is een eufemisme.

Dus moet ik weg van twitter, want ik kan blokken tot ik een ons weeg, maar mensen uit mijn timeline gaan wel de confrontatie aan en dan krijg ik die shit toch allemaal te zien.

En dat is heel erg jammer want er zijn zoveel lieve mensen op twitter die ik dan mis.

Maar ook bij die lieve mensen zit een pijn. De ik-hoor-er-niet-bij pijn. Ik voel me altijd en overal een buitenstaander, ook op twitter. Ik herken  erg veel, maar kom er dan al snel achter dat het bij mij toch weer net even anders is. Bij elke herkenning bots ik op een stuk ontkenning. Dat is denk ik mijn levenspijn. Ik heb nog nooit ergens bij gehoord. Soms dacht ik een groep mensen gevonden te hebben met wie ik me kon identificeren, soms dacht ik: nu heb ik mijn tribe. Maar steeds opnieuw merk ik dat ik geen tribe heb. Ik ben de zonderling, de buitenstaander. En twitter confronteert me daarmee.

Ik zou er trots op kunnen zijn, op mijn einzelgänger status, maar er zit nog teveel trauma op. Het doet gewoon nog steeds pijn, het maakt teveel oud zeer los.

Dus ook het fijne twitter doet me zeer.

Ik moet weg, mijn account laten verlopen.

Maar dan mis ik wel heel erg veel. En ik heb straks ook nog mijn boek dat ik onder de aandacht wil brengen. Ik wil geen alleen-maar-zend account hebben, dat doe ik trouwens toch al te veel, over mezelf praten. Als ik nou het gevoel had dat anderen daar wat aan hebben. . . . het gekke is, mensen hebben me al gezegd dat ze er iets aan hebben. . . maar er is nog een te groot stuk in mij dat dat niet wil geloven.

Als ik dit lees, en ik was mijn eigen coach wist ik het antwoord wel.  Ik zou tegen mezelf zeggen dat ik nu maar eens helemaal in mijn eigen unieke ik moet stappen, en moet gaan stralen. 

En dat is natuurlijk ook wat ik ga doen. Niet nu, uit wilskracht, omdat ik weet hoe het zit. Dat is mijn gave en vloek. Ik weet altijd al hoe het zit, lang voordat ik vóel hoe het zit. Het voelt nu nog anders.

Het voelt zo godverdomde alleen, als ik niet het gevoel heb bij een tribe te horen waar ik op terug kan vallen. Alleen, eenzaam en eng.

God geef me de kracht om in die leegte te stappen en hem te vullen.

Die kracht die komt, ook dat weet ik. Ik heb altijd achteraf pas door dat ik kennelijk een stap gezet heb in mijn voelen.

Wat ik op mijn schoolplein durf, alleen maar te zijn, erop te vertrouwen dat dat genoeg is,  te voelen dat ik daarin iets waard ben . . . dat moet ik in de wereld ook maar eens gaan durven.

Maar voorlopig even zonder twitter, genieten van mezelf, op dat schoolplein.

hoofd en hart

Ik las de biografie van Clare Lennart. Ik kwam die tegen in een artikel op LinkedIn. De naam kwam me bekend voor en opeens wist ik het, het boek waar ik als kind zo van hield, de Bosjespoesen. De ondertitel van de biografie “Voor ’t gewone leven ongeschikt” trok me aan en ik bestelde het boek.

En toen moest ik natuurlijk ook de andere boeken lezen. Ik vond ze bijna allemaal op boekwinkeltjes.nl, de meeste voor maar een paar euro.

Ik herken veel van hoe het hoofd en het hart van deze schrijfster zich roeren. Over de botsing van het diepe gevoelsleven met de platheid van de wereld.

Ik lees Mallemolen uit 1936, één van de novellen uit die roodbruine omnibus hierboven. Ik kom de term soldatenbroek tegen. Het stukje blauw in de lucht dat zo groot moet zijn als een soldatenbroek in de hoop op wat meer zon. Mijn ouders vertelden me dit ook, spijkerbroek, hadden ze er van gemaakt, en zo oud is de uitdrukking dus al. Ouder nog want de schrijfster vertelt dat dit een uitdrukking uit haar jeugd is.

In de vakanties, bij slecht weer, keek ik vaak naar de lucht op zoek naar de spijkerbroek. Maar ik was in verwarring. Ik kon me best voorstellen dat je een denkbeeldige spijkerbroek tegen de lucht hield, maar het maakte nogal uit hoe ver van jezelf verwijderd je dat deed. Als ik hem in mijn handen moest houden, moest de hele lucht wel blauw zijn, Ik moest hem dus tussen mij en de lucht laten zweven, maar als ik dat deed op de hoogte waar ook de vliegtuigen vlogen . . ik stelde me dat vliegtuig voor, en de mensen die er in zaten . . dan was elke onzichtbaar stukje blauw al genoeg. Ik deed het wel, de spijkerbroek uit de blauwe lucht knippen, maar ik besefte tegelijkertijd hoe vreselijk arbitrair het was.

Dat is wat mijn hoofd doet.

Intussen huilt mijn hart. Voor ik begon te lezen in mallemolen, pakte ik nog even mijn prentenboekjes over de seizoenen bij me. Ik ken de gedichten nu alle vier uit mijn hoofd. Ik pakte ze alle vier vast, drukte ze tegen me aan en voelde de kaft. Mijn hand gleed op en neer over die zachte kaft. En zo was ik even blijven zitten, en blijven voelen, in een ritmische beweging. En toen kwamen de tranen. Van het voelen, het fijne zachte voelen, het wiegende ervan, het heel even gekoesterd weten. 

Die tranen zijn er nog, helemaal los van wat mijn hoofd doet met spijkerbroeken, huilt mijn hart dat zichzelf koestert.

Ik ben denker en sentimentele romanticus tegelijk, ongeschikt voor het gewone leven.

En dat laatste is geen diskwalificatie.

 

 

 

 

De slinger

 Ik schreef er ooit al eerder over, toen ik nog als Jacob Jan blogde.

Ik was getroffen door iets wat mijn dochter zei. Ze was een jaar of 10 en ze had een essentie te pakken die me af en toe nog steeds beroert.

“Weet je”, zei ze: “ik kan iets kleins heel belangrijk maken en er over piekeren, maar als ik het van een afstandje bekijk is het niet belangrijk meer. Maar als ik nóg meer afstand neem wordt alles onbelangrijk en dat vind ik eng.”

Ze verwoordde zo mooi iets waar ik zelf ook mee speelde. 

Ik zelf als kind al een keer begrepen dat het goed met me zou komen, maar ik wist tegelijkertijd dat dit niet betekende dat ik niks vervelends zou meemaken. Dat goed komen, dat was op een hoger niveau.

De eerste mensen met wie ik spirituele gesprekken voerde waren Sannyasins. Ik las boeken van Bahgwan en ook daar kwam ik het tegen, dat onze kleine zorgen niets betekenen op zielsniveau. Ook in de boeken van Neil Donald Walsh in zijn gesprekken met God vond ik hetzelfde. De uitspraak die me daaruit is bijgebleven is : in deze wereld maar niet van deze wereld.

Mijn dochter zou het over inzoomen (in deze wereld) en uitzoomen (niet van deze wereld) hebben.

Dit inzicht maakt dat ik me los kan maken als ik weer eens verstrikt raak in problemen die heel existentieel lijken maar dat helemaal niet zijn.

Ego is ook zo’n woord dat gebruikt wordt in deze context. Ik heb me heel lang vreselijk druk gemaakt over mijn banen, want ik zag dat als manier om mijn plek in de wereld in te nemen. Die banen moesten voor het inkomen van mijn gezin zorgen, maar ze moesten ook bijdragen aan een betere wereld. Een balans, een dans met schoteltjes die ik steeds opnieuw verloor. Tot ik zag dat het mijn ego was die er zo’n groot probleem van maakte. Ik zoomde als het ware uit. Ik besefte even dat ik niet van deze wereld was en dat mijn zielsrust niet afhankelijk was van wat soort werk ik deed.

Mijn dochter benoemde destijds al het gevaar van uitzoomen. Niets is meer belangrijk. Als je dat teveel doet kom je terecht in de spiritual bypass, mediterend, los van de wereld.

Het is een heen en weer gaande beweging en steeds blijf ik in beide uiteinden even steken, alsof de slinger van een staartklok even pauze neemt vooraleer hij terug slingert.

En nu zit ik middenin de wereld. Ik word opgevreten door afschuw over alle onrecht, vooral omdat ik maar al te goed besef dat het er altijd en overal al geweest is. Iets in mij voelt dat het afstand nemen, het uitzoomen, verraad is aan wat er nu gaande is. Datzelfde iets weet ook dat geen afstand nemen mij te gronde zal werken.

Dat is nu mijn zoektocht. Het in de wereld blijven door de keuze te maken hier niet van weg te kijken maar om mee te vechten, én het niet van de wereld zijn, door te weten dat er op een ander niveau weer heel andere dingen spelen en dat dit alles een onderdeel is en nodig voor een veel groter proces.

Ik heb die balans niet gevonden.

Wat ik wel weet is dat ik de slinger zijn werk moet laten doen. 

glassplinter in mijn hoofd

Ik weet nog dat mijn ex altijd zei: “Het helpt niet om je druk te maken.” 

Ik werd daar vroeger altijd wat narrig van. Ik beschouwde mijn druk maken als een soort eerbetoon aan de situatie. Een ramp, zelfs een kleine, verdient het dat iemand zich druk maakt.

Maar op den duur zag ik dat ze gelijk had, want zij was altijd degene die de situatie oploste, als die zichzelf al niet oploste. Hoe dan ook, ik was het nooit. Ik bewonderde haar kalmte en besloot dit ook te leren.

Ik kwam een heel eind. Ik verloor een keer mijn sleutelbos, op de fiets onderweg naar mijn werk. Alle huissleutels, alle sleutels van mijn werk. Die keer was de eerste keer dat ik niet in paniek raakte. Een half uur wachten op de eerstvolgende collega was het ergste, en daarna het gedoe en de kosten om de hele sleutelbos weer bij elkaar te krijgen.

Ik kwam een heel eind. Maar het zit gewoon niet in me om zo kalm te blijven. Zo’n gebeurtenis schopt alles in mijn hoofd van zijn plek, en ik heb onrust in mijn lijf. Ook die dag dat ik zo braaf niet in paniek raakte over mijn verloren sleutels was stuk. Dat halve uur wachten was niet zo erg, het gemis van dat halve uur de school voor mij alleen hebben, daar had ik de hele dag last van. Ook het missen van mijn sleutelbos kon ik pas echt loslaten toen ik ze allemaal weer had.

Je kent vast die memes van tegelpatronen, waarbij één tegeltje scheef zit, of die taart die asymmetrisch aangesneden is.

Dát gevoel.

Er zit iets scheef. Het voelt alsof mijn brein haar adem in houdt tot de boel weer recht hangt.

Ik ben woensdag in een glassplinter gestapt. Glaasje stuk, en niet goed geveegd. Onder in mijn hak, zat die splinter en ik kreeg hem er amper uit.

En misschien niet helemaal, want het sneetje doet nog steeds zeer. Ik kan er op geen enkele manier goed bij. Spiegel, mobieltje als camera, het werkt niet. En nu moet ik tot maandag wachten om de huisarts te bellen.

Het helpt niet om me druk te maken. Ik kan er nu niks aan doen, anders dan met mijn voeten op de bank en af en toe in een bak water. Het doet ook niet de hele tijd zeer. Gewoon die afspraak en dan weer verder zien.

Ik kán het niet.

Ik had hele mooie barefoot wandelschoenen gekocht. Ik genoot zo van het lichtvoetig wandelen in mijn bossen en uiterwaarden. Dat plaatje, dat heerlijk wandelen, hangt nu scheef aan een spijkertje op de muur aan de binnenkant van mijn hoofd, en ik krijg het niet rechtgehangen.

Die glassplinter zit niet alleen in mijn hak, hij zit ook in mijn hoofd.

een exentrieke oude dame

Tot een maand geleden hoopte ik nog vurig dat ik ooit mijn partner tegen het lijf zou lopen. Ik zocht niet actief, ik zou niet eens weten hoe dat moet. Nou ja, twee jaar geleden heb ik ooit een date gehad via een dating app. Het was best een leuke ontmoeting maar ik wist al dat het niks zou worden.

Maar het bleef wel dansen in mijn hoofd, het misschien, het ooit, het partner.

En vorige maand, toen ik na een ziekenhuisbezoek helemaal doodop was, was ik zo vreselijk lief voor mezelf. Ik wist precies wat ik moest doen om mezelf te troosten, zelfs toen mezelf dat nog niet wist. En toen voelde ik het. Ik kan heel gelukkig worden met mij. Ik bén al heel gelukkig met mij.

Ik schreef midden in de nacht deze:

Vandaag beloof ik mij eeuwige trouw.

Ik ben vanaf nu mijn eigen vrouw.

Het eeuwig zoeken heb ik gestaakt.

Ik vond wat nooit was kwijtgeraakt.

Ik moest daar vandaag aan denken toen ik weer naar het ziekenhuis moest. Het carcinoom dat toen werd gevonden is er nu uit.

En hier zit ik, omringd door de boeken die ik verzameld heb, met weer een paar mini tompoucejes, en een lekkere bak koffie.

Ik kijk naar het stelletje ongeregeld dat ik om me heen heb verzameld, DVD’s (ik heb geen Netflix, ik kijk liever vertrouwde films, en heel soms een nieuwe) en boeken. Ik ben in wel zeven boeken tegelijk bezig. Ik leer gedichtjes uit mijn hoofd, en intussen groeit er een enorme schrijfdrang. Ik wil de werelden die ik zie buiten de wereld om, op papier zetten, benoemen, bezingen, heel voorzichtig aanraken.

Ik heb de afgelopen weken ontdekt hoe mijn lichaam zomaar uit zichzelf danst, hoe mijn armen en vingers sierlijke bewegingen maken. Ik hoef alleen maar toe te laten en te volgen, en dat doe ik, zonder voorbehoud.

En ik besef dat ik een zonderlinge oude dame aan het worden ben die beter af is in haar eentje.  Een exentrieke oude dame die de wereld vanaf een afstand bekijkt, en heel kieskeurig is waar ze nog aan mee doet.

En zo is het goed.

 

ik moet

Ik moet schrijven hier, het is sterker dan ik.

Als sinds mijn jeugd probeer ik mijn hoofd te vangen in woorden, mijn gevoel te laten stromen tussen de regels. Dat moet, dat vangen, want ik vlieg alle kanten op.

Ik daal steeds meer in mijn lijf, ben steeds vaker in het nu, maar de kluwen in mijn hoofd is er ook nog steeds, en dan struikel ik over mijn eigen wirwar.

Onrecht komt binnen, onrecht komt zo vreselijk hard binnen. Als kind gebeurde dat ook al. Ik bouwde een verdedigingslinie met een mooi verhaal:

Ik doe op mijn eigen kleine manier goed, op de plek waar ik ben, met de mensen die ik tegenkom, binnen mijn mogelijkheden.

Dat klonk vreselijk mooi. 

Maar sinds ik als trans vrouw heb meegemaakt hoe onwetendheid en afzijdigheid kan schaden, voelt het niet meer genoeg.

Voor mij geen handen meer wassen in onschuld omdat het niet op mijn stoep gebeurt, correctie: omdat ik niet zie dat het op mijn stoep gebeurt.

Maar nu dan.

Want zo hard als het nu binnenkomt slaat me volledig uit het veld.

Nieuwe balans. Tussen ogen sluiten en opgevreten worden door wat ik zie.

Blij dat jij er bent lief blog, fijne eigen plek. Want deze jammerkreet wil ik niet delen op social media. Daar gaat het nu even niet over mij.

En tussendoor voel ik de liefde wel. En mezelf, en mijn lijf.

Maar ik wil dan tussendoor.

Dus nu eerst terug naar binnen, naar mijn lijf, uit mijn kluwen. Dat mooie hoofd mag er zijn, die kluwen kan schitteren en sprankelen, maar dan wel graag als hobby en nooit meer als wegwijzer.

een witte wereld

Bij een witte wereld denken wij aan de winter, als de sneeuw gevallen is.

Maar er is een andere witte wereld. En dat is de wereld waarin wij leven. Voor witte mensen net zo onzichtbaar als het water voor de vis.

We hebben de plicht deze witte wereld zichtbaar te maken. Want het is een wereld die mensen van kleur buitensluit.

Het begint al vroeg, deze witte wereld. 

Ik heb een nieuwe liefde ontdekt. Prentenboeken. Het is een veilige wereld waarin ik me kan terugtrekken. Maar ik besefte dat deze veilige wereld een compleet witte wereld is.

De wereld waarin ik me veilig voel is dus een compleet witte wereld. Want dat is het enige dat ik leerde kennen als kind.  Ik groeide in de jaren 60/70 op in een klein dorp in Friesland. Ik had laatst een reunie van mijn basisschool. Alleen maar witte mensen.

Ik vertelde als juf graag verhalen in mijn geschiedenislessen. Ik vind geschiedenislessen mooi, want de verhalen van vroeger is wat ons verbind. Maar ik ontdekte tot mijn grote schaamte dat onze geschiedenisverhalen helemaal niet verbindend zijn. Ze zijn ongelofelijk wit. Waarom kent onze canon alleen maar verhalen vanuit een wit perspectief? Waarom geen verhalen over de culturen die al jarenlang deel uitmaken van wat Nederland vormt?

Ik ben als trans vrouw pas na mijn 50e uit de kast gekomen, onder andere omdat er geen enkele representatie was in (kinder)boeken, in films in series in comics. Ik was uitgegumd. Zo iemand als ik mocht niet bestaan.

En hetzelfde doen we met mensen van kleur. Ook zij kunnen zich nergens herkennen in een verhaal dat van ‘ons’ is. Ze zijn geen ‘ons’. Ze zijn een zij. 

Ik wil uit mijn witte bubbel. En ik zou heel graag willen dat we er voor zorgen dat onze kinderen nooit in zo’n bubbel terecht komen. Want de bubbel is de oorzaak van heel veel ellende. Kijk maar naar Amerika. En kijk dan ook nog eens goed naar Nederland. Zoveel beter zijn we niet. Er zit bij ons maar een heel dun laagje vernis over en dat begint behoorlijk te scheuren. Kijk voor schuld niet naar Amerika, PVV of FvD. Dat is te makkelijk. Kijk naar hoe wit je eigen bubbel is. Begin daar.