Selecteer een pagina

Ik heb geen bipolaire stoornis. Dat is nu ook duidelijk, na mijn diagnose.

Ik voel wel alles in uitersten. Mijn verdriet en mijn geluk. Misschien hebben de hormonen daar wat mee te maken. Ik zou het eerlijk gezegd niet anders willen.

Ik heb de kracht mezelf uit mijn tomeloze verdriet te tillen, elke keer weer. Ook al denk ik elke keer dat het deze keer niet gaat lukken, het lukt elke keer opnieuw.

En nu voel ik het geluk.

Ik zou een ode willen zingen aan dat geluk, maar ik kom met woorden niet eens in de buurt. Mijn woorden zijn een keukentrapje dat de maan wil bereiken. En zelfs al had ik een Apollo 8 tot mijn beschikking, dan nog zou blijken dat wat ik wil beschrijven niet de maan is maar de Pleiaden.

Wat ik nu zo graag wil beschrijven is het gevoel dat me raakt, en bijna vloert als ik mezelf in de spiegel zie.

Ik moet dan als achtergrond vertellen dat ik mijn spiegelbeeld haatte, en haten is niet eens het goed woord. Het was alsof dat spiegelbeeld me elke keer opnieuw neerdrukte. Hoe mooi en licht ik me van binnen ook voelde, daar was het stoffelijke bewijs dat die gevoelens toch ook maar vluchtig waren. Dit is waar ik het mee te doen had.

Maar nu!

Nu kijk ik in de spiegel en wat ik daar zie bezingt wat ik van binnen voel. Die mooie, lieve, wijze vrouw met die twinkel in haar ogen, dat ben ik. Ik val met mezelf samen. Ik voel oneindig veel dankbaarheid. De tranen springen in mijn ogen en ik loop over. Dit is elke keer weer te groot om te voelen. Ik zou willen dat ik een beetje van dit geluk kon delen.

Dit maakt het alles waard, ook die hele diepe momenten van pijn.