Ik las de biografie van Clare Lennart. Ik kwam die tegen in een artikel op LinkedIn. De naam kwam me bekend voor en opeens wist ik het, het boek waar ik als kind zo van hield, de Bosjespoesen. De ondertitel van de biografie “Voor ‘t gewone leven ongeschikt” trok me aan en ik bestelde het boek.

En toen moest ik natuurlijk ook de andere boeken lezen. Ik vond ze bijna allemaal op boekwinkeltjes.nl, de meeste voor maar een paar euro.

Ik herken veel van hoe het hoofd en het hart van deze schrijfster zich roeren. Over de botsing van het diepe gevoelsleven met de platheid van de wereld.

Ik lees Mallemolen uit 1936, één van de novellen uit die roodbruine omnibus hierboven. Ik kom de term soldatenbroek tegen. Het stukje blauw in de lucht dat zo groot moet zijn als een soldatenbroek in de hoop op wat meer zon. Mijn ouders vertelden me dit ook, spijkerbroek, hadden ze er van gemaakt, en zo oud is de uitdrukking dus al. Ouder nog want de schrijfster vertelt dat dit een uitdrukking uit haar jeugd is.

In de vakanties, bij slecht weer, keek ik vaak naar de lucht op zoek naar de spijkerbroek. Maar ik was in verwarring. Ik kon me best voorstellen dat je een denkbeeldige spijkerbroek tegen de lucht hield, maar het maakte nogal uit hoe ver van jezelf verwijderd je dat deed. Als ik hem in mijn handen moest houden, moest de hele lucht wel blauw zijn, Ik moest hem dus tussen mij en de lucht laten zweven, maar als ik dat deed op de hoogte waar ook de vliegtuigen vlogen . . ik stelde me dat vliegtuig voor, en de mensen die er in zaten . . dan was elke onzichtbaar stukje blauw al genoeg. Ik deed het wel, de spijkerbroek uit de blauwe lucht knippen, maar ik besefte tegelijkertijd hoe vreselijk arbitrair het was.

Dat is wat mijn hoofd doet.

Intussen huilt mijn hart. Voor ik begon te lezen in mallemolen, pakte ik nog even mijn prentenboekjes over de seizoenen bij me. Ik ken de gedichten nu alle vier uit mijn hoofd. Ik pakte ze alle vier vast, drukte ze tegen me aan en voelde de kaft. Mijn hand gleed op en neer over die zachte kaft. En zo was ik even blijven zitten, en blijven voelen, in een ritmische beweging. En toen kwamen de tranen. Van het voelen, het fijne zachte voelen, het wiegende ervan, het heel even gekoesterd weten. 

Die tranen zijn er nog, helemaal los van wat mijn hoofd doet met spijkerbroeken, huilt mijn hart dat zichzelf koestert.

Ik ben denker en sentimentele romanticus tegelijk, ongeschikt voor het gewone leven.

En dat laatste is geen diskwalificatie.