Fouten maken en goedmaken

Een meisje had me nodig en durfde me niet aan te spreken omdat ik op mijn telefoon keek. Ik tweet soms live. Ik kijk heel goed maar zie niet alles. Dit is erger, het signaal geven dat ik niet aanspreekbaar ben.

Ik hoorde het omdat haar moeder dit terugrapporteerde. Ik heb een kaart voor haar geschreven dat het me spijt dat ik er niet voor haar was toen ze me nodig had. Dat ik blij ben dat ze het verteld heeft aan haar moeder.

Dat ze daar ook andere kinderen mee helpt omdat ik vanaf nu mijn telefoon thuis laat.

Ik kan haar tenminste laten weten dat het goed is dat ze zich uitspreekt bij iemand die veilig is. Ik zal haar niet weer teleurstellen.

De week erop kreeg ik een stralende dankjewel van het meisje waar ik een kaartje voor geschreven had omdat ik haar niet gezien had toen ze me nodig had. Ze voelde zich nu wel gezien.’

 

Niet teveel bemoeien

Pleinwacht zijn is zo mooi. Het zit hem in de hele kleine dingen. Ontspannen genieten van het spel van kinderen en intussen alle voelsprieten uit. Van binnen meebewegen met al die verschillende energieën zodat ik, als het moet, in de juiste energie kan aansluiten.

Het is: niet de bal terugschoppen die op me af rolt, omdat ik de jongen ken die er achteraan holt. Hij speelt voor het eerst met een voetbal, maar ik ken zijn wereld, ken zijn spel. En ja hoor, hij haalt de bal in, gaat met de rug naar de bal staan en stopt hem met zijn hakken. Ik heb zijn spel niet verstoord uit onnodige behulpzaamheid.

 

Pleinwacht is blikken wisselen, zien dat ik de grap zie en het plezier. Het is een woordeloze auw als iemand valt, zijn knie bestudeert en weer verder speelt. Het is er zijn met heel mijn ik, en tegelijk niet in de weg lopen van het spel.

#pleinwacht

Pijn

Juf, hij gelooft niet dat het perongeluk was. Hij blijft boos.”

Ik loop mee. Het meisje legt nog een keer uit hoe zelf geduwd werd. De jongen wrijft over zijn buik en kijkt nog steeds boos. Ik leg heel zacht mijn hand op zijn buik. Ik voel zijn hart tekeer gaan. 

“Dat deed echt heel zeer he?” vraag ik. Hij wordt zacht, de boze blik verdwijnt. Hij vertelt over die keer van een bal tegen zijn kin die ook zo zeer deed. Ze wisselen ervaringen uit van onbedoelde en misschien ook wel ongeziene pijn. Ze zien elkaar.

Buitengesloten

 

 

Jongen uit groep 3 die ik al een tijdje op mijn netvlies heb omdat hij er vaak wat verloren bij loopt komt bij me. Hij heeft een gebogen bal gooi- en vangslurfding in zijn hand. Hij wil meedoen met een bal-vang spel van twee andere jongens. Ik loop mee. Ze gooien een tennisbal naar elkaar. Ze zijn heel geconcentreerd en het gaat goed, ze hebben net dit vangspel onder de knie. Normaal zou ik dit spel niet onderbreken, maar ik doe het toch. Ik draag niks op maar leg uit hoe verdrietig deze jongen is, en hoe moeilijk hij aansluiting kan vinden.

“Als hij mee mag doen, maak je iemand blij.” 

“Ja maar hij dreigde met naar de juf gaan.”

“Ik snap dat dat niet aardig klinkt, maar kijk even naar hem, hij is echt heel verdrietig. De jongen heeft zijn vang-gooislurf inmiddels voor zijn gezicht om zijn huilen te verbergen.

Een van de jongens laat meteen zijn vang-gooislurf vallen, loopt naar de jongen toe en slaat zijn armen om hem heen.

“Wat lief van je!” zeg ik.

Ze spelen met zijn drieën verder. Het spel gaat goed, de nieuwkomer deelt in het plezier en straalt. Dan bedenk ik hoe groot het verschil is met zijn houding net. Het is de vicieuze cirkel. Kinderen die zich buitengesloten voelen stralen dat uit, en zien er vervolgens niet uit als kind waarvan je denkt: “Goh, het lijkt me gezellig om met jou te spelen.”  Gelukkig kan die vicieuze cirkel ook de andere kant opgedraaid worden.

Noah

Noah speelde in de pauze altijd alleen. Dat vond hij niet heel erg. Hij kon wat zich allemaal in zijn hoofd afspeelde toch nooit goed uitleggen aan anderen. Bovendien, die anderen speelden wel mee, alleen wisten ze dat niet. Zo hadden bijna alle kinderen uit zijn klas meegeholpen met het behalen van zijn holbewonersdiploma. Ze waren onderdeel geweest van de jacht, hadden meegeholpen met vuur maken, hadden zijn grottekeningen bewonderd. Het was wel jammer dat sommige kinderen er doorheen liepen. In andere weken was hij een ruimtegevecht aan het voeren met de kinderen. Hij ontweek laserstralen, en gooide vuurbommen en lichtsperen. Soms klaagden andere kinderen over hem bij de juf.
“Juf, hij volgt ons steeds. Juf, hij zegt ons na. Juf, hij bespiedt ons.”

De juf stak dan een preek tegen hem af, en daar luisterde hij dan maar naar. Wist de juf veel. En hij speelde door. Alleen. Dat ging al een hele tijd goed. Alleen was makkelijker, maar toch ook wel alleen. Soms was hij daar wel een beetje verdrietig over.

Maar nu was er een nieuwe juf op het plein. Een juf die glimlachend naar hem keek als hij sloop, lasers ontweek of bommen gooide. En toen op een dag gebeurde het, deze juf maakte bezwerende gebaren en gooide toen een vuurstoot naar hem toen. Hij wist die nog maar net te ontwijken. Hij beantwoordde het vuur, de juf ontweek, maar daar had hij op gerekend. Direct vuurde hij nog drie energiestoten op haar af en ze was getroffen. De komende dagen speelde hij dit spel af en toe met de juf. Andere kinderen zagen plotseling wat hij allemaal kon. Ze begonnen mee te doen met het spel, ze keken naar hem hoe het moest en deden hem na. Eerst wilden ze allemaal de juf raken, maar op de dagen dat de juf er niet was, speelden ze met en tegen hem. Er was een nieuw spel geboren op het plein en hij was er het middelpunt van.

Francien

 

Laat ik haar Francien noemen. Het meisje uit groep drie. Zij is degene die een beetje buiten de boot valt, geen aansluiting heeft en ze kwam na de zomer vaak gezellig bij me buurten. Ze kletste graag over alles wat er in haar hoofd op kwam en ze liet me haar dansjes zien. Het waren geen tik-tok achtige ingestudeerde dansjes, maar bewegingen die ze bedacht bij het lopen over het plein. Haar binnenwereld bloeide op een heerlijke manier open als ze bij mij in de buurt was. Een heerlijk bijzonder kind. Ik gaf haar tijd en aandacht, ik probeerde niet om haar te laten spelen met de andere kinderen. Ik had er vertrouwen in dat dat wel zou komen. En het kwam. Ze is steeds minder vaak bij mij. Ze heeft intussen andere kinderen gevonden met wie ze haar eigenheid mag delen.

Vrijdag kwam ze naar me toe. Kinderen drongen voor op de glijbaan, ze voelde zich aan de kant gezet. Een paar andere kinderen waren met haar meegekomen naar mij. Ik vroeg of ik moest bemiddelen. Ze zei: “Ik wil dat het stopt” Het was nu gestopt, er was ook niemand meer op de glijbaan. Ik vroeg: “Wil je het de andere kinderen vertellen, samen met mij, zodat ze de volgende keer meer rekening met je kunnen houden.” De kinderen die eromheen stonden liepen weg en kwamen terug met een paar anderen. “Zij waren er allemaal bij, we hebben ze even gehaald.” Ik was onder de indruk, en dat heb ik ze ook gezegd. Wat mooi dat ze gehaald werden, wat mooi dat ze ook meteen kwamen. Er volgde een uitleg die niet als excuus aanvoelde, want ze zagen nu ook dat Francien in de drukte misschien wel even onder de voet gelopen was. Ik vertelde hoe vervelend Francien het had gevonden en vroeg of ze volgende keer extra goed willen opletten. Ze knikten hevig ja. Ik vroeg Francien of het zo goed was. Dat was het. En ik zal zelf ook een tijdje opletten hoe het gaat. Ik heb er vertrouwen in. Francien is nu volwaardig lid van deze groep.

The Pride Parade (niet de gay pride)

Dit nummer heeft vanaf mijn puberteit in mijn hoofd gespookt. Zo mooi! Ik leerde het spelen op de gitaar. Maar ook zo pijnlijk, die tekst! 
Want ik wist natuurlijk onbewust wel dat ik mezelf steeds verder in groef achter mijn beschermingsmechanismen.

“A set of sad transparencies till no one could see through”

“Deceptions hidden with your lips, but spoken with your eyes.”

 En ik veroordeelde mezelf daarover.

“But you are surely just as evil as the worst my tongue can tell” 

En ik voelde me zo alleen.

“But your fire just consumes you, you alone can feel the pain”

En omdat ik het doorhad, en omdat ik mezelf veroordeelde, spon ik om mijn linies een ragfijn, onzichtbaar web. Nu mag ik ontrafelen. Het voelt als opluchting. Net zoals mijn trans zijn is dit een geheim dat ik veel te lang bewaarde, en dat is gaan ontsteken. Ik ben zo blij dat ik nu met behulp van mijn therapeut de pleister er af mag trekken, en kan gaan voelen wat daaronder zit.

 

It started out quite simply, as complex things can do;
A set of sad transparencies till no one could see through,
But least of all the one inside, behind the iron glass;
A prisoner of all your dreams that never come to pass.

Alone you stand, corrupted by the vision that you sought,
And blinded by your hunger, all your appetites are bought,
But in spite of what becomes of you, your image will remain;
A reminder of your constant loss, a symbol of your gain.

And your friends are together,
Where the people are all gathered,
All along the road you traveled all your days.
And soon, you have succumbed to what the others all believe,
And though the lie affects them still it’s you that they deceive,
And all at once you’re lost within the emptiness of you,
And there’s no one left who’s near enough to tell you what to do.

You’re left with nothing but your self-potential in the dark,
Like tinder resting on a rock, protected from the spark,
But your fire just consumes you, you alone can feel the pain,
And you stand in all your glory and you know you can’t complain.

But your friends are together,
Where the people are all gathered,
All along the road you traveled all your days.

But you are surely just as evil as the worst my tongue can tell,
For you’ll never face my heaven and I’ll not endure your hell.
You have lost the chance to mingle by your constant, quiet lies;
Deceptions hidden with your lips, but spoken with your eyes.

For I know you for what you are, not for that’s really all you are.
And your talents of a minor order seem to stretch too far.
And we both know that this masquerade can’t carry on too long.
You’re deep inside the Pride Parade, but where do you belong?

And your friends are together,
Where the people are all gathered,
All along the road you traveled all your days.

 

 

 

pleinwacht gaten dichten



Kinderen hebben mooie bouwsels gemaakt en komen me halen omdat er iemand is die de bouwsels stuk maakt. Ik kom er bij, er wordt uitgelegd. Het eerste wat ik doe is ze complimenteren over hun bouwsels. Ze zijn ook echt mooi! De “dader” staat er wat verloren bij, boos, maar ook verdrietig. Ineens voel ik dat hij dit deed omdat hij graag mee wil doen. Ik vraag dat, en hij knikt. Ik weet dat een “Maar dat moet je dan gewoon vragen!” niet helpend is. Als dat voor hem zo makkelijk was, had hij dat wel gedaan. Ik vind het al heel wat dat hij is blijven staan om de beschuldigingen aan te horen. Ik zag hoe moeilijk dat voor hem was. 

“Hij wilde dus heel erg graag mee doen”, zeg ik en laat het daarbij. Ik ga iets verderop staan en kijk wat er gebeurt. Het is nog niet opgelost, maar de angel is eruit en er is beweging. Dat vind ik genoeg. De rest moeten ze samen zelf doen. Ik heb alleen het begin van een brug gelegd.

 

Gat dichten, dat is wat ik even later ook doe. Een meisje komt naar me toen omdat ze een stomp in haar buik kreeg. Vanuit haar uitleg snap ik al dat het per ongeluk was. Toch wil ze dit samen met met vertellen aan de jongen die het deed. Hij blijft staan, luistert rustig en zegt dan: “Oh, ja! klopt! Maar ik had al sorry gezegd”. 

Ik ken de jongen. Ik weet dat hij onhandig is en ook niet altijd even goed door heeft dat hij soms een grens overschrijdt. Het rustig blijven staan en luisteren, en de sorry die hij zelf al gezegd heeft, betekenen veel. Het is voor hem een reuzenstap. En voor het meisje die dit allemaal niet weet was het dus te snel, die sorry. Daarom zeg ik.

“Het deed echt pijn he?” Dat is wat ze nodig heeft, want ze wordt nu opgevangen door een vriendin die een arm om haar heen legt. Het gebeurt vaker, dat wat er aangeboden wordt het maximale is, terwijl het toch niet genoeg is. Daarom is het fijn dat ik het gat nu kon dichten. 

 

Ik probeer het minimale te doen, en toch is het soms teveel. Een vergelijkbare situatie, ook een per ongeluk. Trekken aan een jas, en toen er wat van gezegd werd nog een keer. Maar nu is er geen erkenning. Er is niks aan de hand want ik deed het niet expres en ze moet niet zo moeilijk doen. En ze loopt weg. Die wil ik niet laten gaan, en ik haal haar in. Ik wil uitleggen wat voor effect haar gedrag heeft.

“Jij ook altijd met je gepraat! Het is toch klaar? Ik deed het niet expres?” De boodschap dat het daarmee niet klaar is, komt niet binnen. En ook dat snap ik. Vanuit afwijzingsangst kun je hevig schrikken als je aangesproken wordt op iets dat je niet expres doet. Maar daar heeft dit meisje nu even niks aan dat ik het snap, en de bel gaat. Soms rond ik dingen niet goed af. En ook dat hoort erbij.

Onrust in het kwadraat

Ik deed een grote ontdekking. Een paradox ontrafeld. 

Ik las een bericht over de toename van de Braziliaanse variant van Covid. Direct nam mijn onrust niveau toe. Onrust Niveau, dat is een nieuw begrip, ook voor mezelf. Die moet ik er in houden want het beschrijft akelig goed hoe mijn dwangstoornis werkt. Het is niet de ontdekking die ik noemde, maar het is wel een deel van de sleutel. Dus eerst moet ik dat onrust niveau uitleggen. Mijn onrust niveau zegt namelijk niet iets over mijn onrust, het zegt iets over de onrust over mijn onrust. Het is onrust tot de zoveelste macht. De onrust over mijn onrust is de gevoelde noodzaak iets aan die onrust te doen, en wel onmiddellijk. Jeuk waarbij je moet krabben. Mijn dwangstoornis is niet de jeuk, het is alle manieren waarop ik mezelf krab. Mijn krabben bestaat niet uit dwanghandelingen, maar uit dwanggedachten.  Ik maak me dus niet zomaar zorgen om die Braziliaanse variant, er verschuift iets in mezelf, ik krijg de boodschap, dat er iets scheef staat en dat ik dat moet verhelpen. Dat is mijn onrust, die ik op een heel diep niveau voel. Ik kan niet meer ontspannen want er is iets niet in orde. Het zou me niet verbazen als je dit zelfs kunt meten in mijn spierspanning. Mijn lijf is in staat van alarm, en al het andere, wordt even uitgesteld. Ik kan dus ook niet gewoon even genieten van iets als afleiding, want de onrust is in alles aanwezig. Totdat ik heb gekrabt.

En nu de paradox. Ik worstel daar al heel lang mee. Het gaat over de locus van control. Het gaat over je niet druk maken over dingen waar je niks aan kunt veranderen. Ik heb daar moeite mee. Ik vind dat verraad. Ik wil me wel druk maken over dingen die niet in orde zijn. En bovendien vind ik het te makkelijk om te concluderen dat dingen niet kunnen veranderen. Tegelijkertijd snap ik ook wel dat ik goed voor mezelf moet zorgen om de kracht te hebben om iets te veranderen. Maar voor mezelf zorgen ontslaat me niet van het druk maken over dingen. Die kon er op geen enkele manier bij me in. Als ik het druk maken los liet bleef ik het verraad voelen, altijd! 

En toen kwam mijn grote ontdekking. Wat nu als ik mijn ongerustheid niet loslaat, maar de ongerustheid over mijn ongerustheid wel? Wat nu als er gewoon ongerustheid is en niet ongerustheid in het kwadraat? 

Zoals altijd volgt er op een grote ontdekking een hele grote “Duh!”  Want deze truuk is niet nieuw. Ik had dit al eerder gedaan. Het is hoe ik mijn oorsuizen leerde accepteren. Ik kon die piep en de brom niet negeren en daar had ik last van. Ik kon het wel accepteren dat ik er last van had. Dus ook daar haalde ik het kwadraat uit de vergelijking. Ik heb niks nieuws ontdekt. Ik heb wel een nieuw toepassing gevonden, die helpt om met mijn onrust niveau om te gaan.

Of heb ik met het schrijven van dit blog gewoon zitten krabben?

Judging / Perceiving

Toen ik klein was stond ik in de zomer voor het slapen, en na mijn nachtzoen, graag op mijn balkon. Beneden kon ik dan mijn vader en moeder nog even zien en horen. 

Ik herinner me dat ik op die plek stond toen ik al veel ouder was, een jaar of vijftien. Mijn ouders hadden gasten, de vaste vriendenclub. Er werd bij mij thuis veel gediscussieerd. Mijn ouders waren linkse intellectuelen en er werd vaak en veel gepraat over politiek en de toestand in de wereld. Ook nu waren de gesprekken daarover weer heftig. Ik luisterde ernaar en vond dat ik op een leeftijd was om nu zelf ook meningen te hebben. Ik weet het moment nog precies. Toen, op die plek, nam ik een standpunt in, en ik leverde mezelf een gemene streek die nog heel lang invloed zou hebben.

Ik bedacht dat ik twee opties had.

Of ik zou over van alles een hele goede mening hebben, doordacht, en steeds bijgesteld met alles wat ik hoorde door goed te luisteren naar tegengestelde meningen.

Of ik kon er voor kiezen om het niet te weten, omdat ik al door had dat het antwoord vaak veel subtieler is.

Ik vond de eerste optie te arrogant, en koos voor de tweede. Ik koos ervoor om altijd de twijfel toe te laten, open te staan voor andere ideeën. Ik zou niet degene zijn die stellig waarheden zou verkondigen. Later kwam ik de woorden daarvoor tegen. Ik was de perceiver, niet de judger. 

Het vreemde is dat ik daar dus ooit bewust voor gekozen heb. De gemene streek die ik mezelf leverde was dat ik daarmee mijn oordelen in moest slikken. Ik kon niet anders. Ik vermoed dat ik onbewust heel goed wist dat ik te kwetsbaar was om mijn nek uit te steken met het hebben van oordelen. Dat was de gemene streek niet. Het gemene zat hem er in dat ik mezelf wijs maakte dat ik die oordelen niet had.

Natuurlijk had ik die oordelen wel. Ik zag als kind vanaf mijn kleutertijd aan de lopende band dingen die ik onbegrijpelijk vond. Systemen die mensen beperken zonder betere uitleg dan “zo is het nu eenmaal”. Pas veel later zag ik dat daar een uitbuitend systeem achter zat, maar toen al voelde ik de manier waarop mensen, waaronder ikzelf, verpulverd werden. Ik had zelfs een zeer vernietigend oordeel over wat ik zag. Maar dat mocht dus niet meer. En dat betekende uiteindelijk dat ik mijn botsingen met die systemen aan mezelf ging wijten. Pas de laatste jaren is er ruimte voor die oordelen, en moet ik mij opnieuw verhouden met de wereld van systemen. En ik heb nogal wat te helen aan de schade die ik aan mezelf toestond. Daarom ga ik in therapie.