Selecteer een pagina

Toen ik klein was stond ik in de zomer voor het slapen, en na mijn nachtzoen, graag op mijn balkon. Beneden kon ik dan mijn vader en moeder nog even zien en horen. 

Ik herinner me dat ik op die plek stond toen ik al veel ouder was, een jaar of vijftien. Mijn ouders hadden gasten, de vaste vriendenclub. Er werd bij mij thuis veel gediscussieerd. Mijn ouders waren linkse intellectuelen en er werd vaak en veel gepraat over politiek en de toestand in de wereld. Ook nu waren de gesprekken daarover weer heftig. Ik luisterde ernaar en vond dat ik op een leeftijd was om nu zelf ook meningen te hebben. Ik weet het moment nog precies. Toen, op die plek, nam ik een standpunt in, en ik leverde mezelf een gemene streek die nog heel lang invloed zou hebben.

Ik bedacht dat ik twee opties had.

Of ik zou over van alles een hele goede mening hebben, doordacht, en steeds bijgesteld met alles wat ik hoorde door goed te luisteren naar tegengestelde meningen.

Of ik kon er voor kiezen om het niet te weten, omdat ik al door had dat het antwoord vaak veel subtieler is.

Ik vond de eerste optie te arrogant, en koos voor de tweede. Ik koos ervoor om altijd de twijfel toe te laten, open te staan voor andere ideeën. Ik zou niet degene zijn die stellig waarheden zou verkondigen. Later kwam ik de woorden daarvoor tegen. Ik was de perceiver, niet de judger. 

Het vreemde is dat ik daar dus ooit bewust voor gekozen heb. De gemene streek die ik mezelf leverde was dat ik daarmee mijn oordelen in moest slikken. Ik kon niet anders. Ik vermoed dat ik onbewust heel goed wist dat ik te kwetsbaar was om mijn nek uit te steken met het hebben van oordelen. Dat was de gemene streek niet. Het gemene zat hem er in dat ik mezelf wijs maakte dat ik die oordelen niet had.

Natuurlijk had ik die oordelen wel. Ik zag als kind vanaf mijn kleutertijd aan de lopende band dingen die ik onbegrijpelijk vond. Systemen die mensen beperken zonder betere uitleg dan “zo is het nu eenmaal”. Pas veel later zag ik dat daar een uitbuitend systeem achter zat, maar toen al voelde ik de manier waarop mensen, waaronder ikzelf, verpulverd werden. Ik had zelfs een zeer vernietigend oordeel over wat ik zag. Maar dat mocht dus niet meer. En dat betekende uiteindelijk dat ik mijn botsingen met die systemen aan mezelf ging wijten. Pas de laatste jaren is er ruimte voor die oordelen, en moet ik mij opnieuw verhouden met de wereld van systemen. En ik heb nogal wat te helen aan de schade die ik aan mezelf toestond. Daarom ga ik in therapie.