late erkenning voor Sylvana Simons

Verhaaltje, parabel, om uit te leggen waar mijn boosheid vandaan komt. Het is niet zuur. het is zorg.

Stel ik word gepest op het schoolplein. Mijn moeder kaart dit aan op school, maar dat wordt niet in dank afgenomen, sterker nog, het pesten wordt erger en school doet er niks aan. Dan is er een moeder van een ander kind dat ook gepest wordt. Zij heeft meer slagkracht van mijn moeder. Haar zoontje is zwarts. Ze ziet het racisme dat onder het pesten ligt. Daardoor ziet ze ook hoe het pesten systemisch is, en dus ook hoe de hele school onderdeel is van het probleem. Ze stelt zich kandidaat voor de OR. Maar iedereen vindt haar lastig en militant. Ik voel me gehoord. Ik hoop dat ze in de OR komt, want dan wordt mijn stem wel gehoord in school. Ik vraag dus steun voor haar. Maar ik krijg van iedereen te horen dat ze niet gaan stemmen op haar omdat ze alleen maar over racisme praat. Als ik mensen er op wijs dat ze ook op andere gebieden goed ideeën heeft, juist omdat ze het systeem ziet, wordt er niet naar me geluisterd. Dat heb je van je moeder, die was ook al lastig. Ze zeggen dat ze op een vader stemmen die ook mooie dingen zegt over pesten. Ik ken die vader, ik weet dat hij het niet echt snapt, dat pesten. Hij is nooit met de gepeste kinderen komen praten, ook niet met hun ouders. Hij heeft mooie woorden over pestprotocol en zo. Dat maakt indruk. Ik maak me zorgen.

Ze wordt toch gekozen. En dan hoor ik opeens van iedereen dat ze zich vergist hebben. Die moeder is juist een aanwinst voor de OR. Zou ik dan blij moeten zijn. Misschien. Maar wat me dwars zit dat deze mensen mijn verhaal negeerden, en niet zelf beter keken. Wat me nog meer dwars zit is, en nu weer even los van deze parabel, is dat als deze mensen wél beter hadden gekeken, en niet zo bezig waren geweest met hun vooroordeel, Sylvana Simons nu iemand naast haar had gehad in de Tweede Kamer. En dat had ze heel erg goed kunnen gebruiken, gezien het vele werk en haar gezondheid. Dát zit me nog het meeste dwars. Dat is mijn boosheid, en de zorg dat mensen kennelijk zo makkelijk in het frame getrapt zijn dat zorgvuldig is opgebouwd rondom Sylvana Simons. Dát is er, naast de blijheid met de bredere erkenning.

Eén deurtje

Ik maak een deurtje van een keukenkastje schoon. Eentje maar. Ik heb mijn huis laten vervuilen omdat mijn hoofd en mijn energie ergens anders waren. Mijn psychisch herstel slorpt bijna al mijn energie op. Dan volgt mijn pleinwacht zijn. Mensen zeggen dat je energie krijgt van iets doen waar je hart ligt. Voor mij gaat dat niet op. Pleinwacht zijn geeft me vreselijk veel. Het geeft me vreugde en hoop, het geeft me een reden om vooruit te gaan, maar het geeft me geen energie. Het kost energie, ik ben moe als ik thuis kom. Daarna gaat mijn energie naar contacten met mijn kinderen en dierbaren, ook via social media. Dan is er mijn schrijven en dan is het op. Want het leven zelf kost ook al energie. Zelfs verpletterd worden door de schoonheid van de natuur kost energie, dus ook een schitterende wandeling kan me uitputten.

Maar vandaag ontdekte ik dat het schoonmaken van mijn huis niet eens een gebrek is aan energie. Er is een grotere drempel. Ik voel het als ik dat ene deurtje schoonmaak. Dat is wat mijn psychische herstel doet, ik voel weer dingen. Wat ik voel is minachting voor mezelf dat ik dat deurtje, en god weet wat dus nog meer allemaal, zo vies heb laten worden. Ik voel hoe ik dit niet wil voelen. Ik voel hoe ik verbeten dit deurtje schoonmaak. Ik voel hoe ik die hele tijd mijn adem in haal. Ik ben niet bezig met dat deurtje, ik ben bezig met het zo snel mogelijk voorbij laten zijn want ik haat mezelf zolang het duurt. Als het voorbij is kan ik mezelf afleiden van deze haat. Schoonmaken kost niet alleen energie, schoonmaken is het aangaan met de worsteling in mij. Nee dat klopt niet. Schoonmaken is uit alle macht de worsteling in mij vermijden. Dat is wat de meeste energie kost. Die verbetenheid, die tanden op elkaar, ik kon het deze keer voelen. Dat is wat me uitput.

Leren houden van mezelf is leren hoeveel ik mezelf nog steeds haat. Het begint met mezelf niet te haten omdat ik mezelf haat. Het begint met tevreden zijn met dat ene deurtje. Niet omdat ik ooit las dat je met een kleine stap al tevreden moet zijn. Dat deed ik al, maar dat was de zoveelste opdracht aan mezelf: “je moet nu tevreden zijn met dat ene deurtje”, en ik deed voor mezelf heel braaf alsof. 

Vandaag huil ik omdat ik nog niet tevreden ben met dat ene deurtje. Huilen is goed. Huilen is niet in mijn hoofd bedenken dat ik ok ben. Huilen is overgave. Daar begint mijn heling, met huilen, niet met woorden.




Soms grijp ik in

Ik laat het liefst alles zoveel mogelijk over aan de kinderen zelf maar soms grijp ik autoritair in. Er is een clubje fanatieke voetballers. Nu waren er twee andere kinderen ergens anders aan het voetballen, lekker rustig, zonder prestatiedewang. Een van de voetballers die bij het fanatieke clubje aan het spelen was, mocht niet meedoen in het ene team. Het ene team, dat zijn de paar sterkste voetballers die dan tegen een grote club minder goed spelers speelt. Dat gaat meestal goed. Ik vroeg of ik moest bemiddelen, maar hij had het even gehad. Ik zag hem eerst in zijn eentje, en toen sloot hij aan bij de twee kinderen die samen speelden, en dat werd een fijn spel voor alle drie. En toen kwamen de fanatieke spelers meedoen met dat spel, en ze namen het helemaal over.

“Maar ze vinden het niet erg” was een constatering die ik niet geloofde. Nee, ze maakten geen bezwaar, ook niet toen ik het specifiek vroeg. En toch heb ik gezegd dat ik wilde dat deze drie kinderen even met rust gelaten zouden worden. Ik heb ook uitgelegd waarom. En dat accepteerden ze, zonder morren. 

 

Dit verhaal krijgt twee weken later een vervolg. André, de sterkere voetballer die zich bij de rustige twee aansloot kwam bij me omdat hij niet mee mocht doen. Ik liep met hem mee. 

“Mag André meedoen?”  vroeg ik. Ik zag twee gezichten ongerust worden, ze vielen stil. Ze wilden heel graag nee zeggen, maar konden dat niet hardop over hun lippen krijgen.

“Liever niet, zie ik aan jullie. Lukt het om uit te leggen waarom?” Een stamelend verhaal waaruit ik opmaak dat ondanks zijn pogingen om dat niet te doen André toch wat overrompelend kan zijn.

“Lieverds, ik beslis dat het goed is dat jullie het voor vandaag met zijn tweeën doen.”

Ik loop met André terug naar het bankje waar ik zat. Hij huilt. Ik kom naast hem zitten en leg een arm om me heen. 

“Weet je, ik zag aan ze dat jij soms toch een beetje overheersend bent. Ik zie ook dat het al twee weken goed gaat, en dat jij heel erg je best doet om ze ruimte te geven in het spel. Dat je niet met de grote groep mee voetbalt, is dat omdat de anderen daar te veel bepalen in het spel?” 

André knikt.

“Dat is hoe deze twee zich vandaag voelden. Ook al deed jij je best dat niet teveel te laten zien, ze zien dat jij beter bent en daardoor voelen zij zich wat minder. Ik wil graag dat ze zich vandaag even goed kunnen voelen, snap je mijn beslissing?”
André droogt zijn tranen.

“Ik ben inderdaad ook een betere voetballer.” 

Hij is gerustgesteld. Met mijn uitleg voelt hij zich niet langer afgewezen.

Fouten maken en goedmaken

Een meisje had me nodig en durfde me niet aan te spreken omdat ik op mijn telefoon keek. Ik tweet soms live. Ik kijk heel goed maar zie niet alles. Dit is erger, het signaal geven dat ik niet aanspreekbaar ben.

Ik hoorde het omdat haar moeder dit terugrapporteerde. Ik heb een kaart voor haar geschreven dat het me spijt dat ik er niet voor haar was toen ze me nodig had. Dat ik blij ben dat ze het verteld heeft aan haar moeder.

Dat ze daar ook andere kinderen mee helpt omdat ik vanaf nu mijn telefoon thuis laat.

Ik kan haar tenminste laten weten dat het goed is dat ze zich uitspreekt bij iemand die veilig is. Ik zal haar niet weer teleurstellen.

De week erop kreeg ik een stralende dankjewel van het meisje waar ik een kaartje voor geschreven had omdat ik haar niet gezien had toen ze me nodig had. Ze voelde zich nu wel gezien.’

 

Niet teveel bemoeien

Pleinwacht zijn is zo mooi. Het zit hem in de hele kleine dingen. Ontspannen genieten van het spel van kinderen en intussen alle voelsprieten uit. Van binnen meebewegen met al die verschillende energieën zodat ik, als het moet, in de juiste energie kan aansluiten.

Het is: niet de bal terugschoppen die op me af rolt, omdat ik de jongen ken die er achteraan holt. Hij speelt voor het eerst met een voetbal, maar ik ken zijn wereld, ken zijn spel. En ja hoor, hij haalt de bal in, gaat met de rug naar de bal staan en stopt hem met zijn hakken. Ik heb zijn spel niet verstoord uit onnodige behulpzaamheid.

 

Pleinwacht is blikken wisselen, zien dat ik de grap zie en het plezier. Het is een woordeloze auw als iemand valt, zijn knie bestudeert en weer verder speelt. Het is er zijn met heel mijn ik, en tegelijk niet in de weg lopen van het spel.

#pleinwacht

Pijn

Juf, hij gelooft niet dat het perongeluk was. Hij blijft boos.”

Ik loop mee. Het meisje legt nog een keer uit hoe zelf geduwd werd. De jongen wrijft over zijn buik en kijkt nog steeds boos. Ik leg heel zacht mijn hand op zijn buik. Ik voel zijn hart tekeer gaan. 

“Dat deed echt heel zeer he?” vraag ik. Hij wordt zacht, de boze blik verdwijnt. Hij vertelt over die keer van een bal tegen zijn kin die ook zo zeer deed. Ze wisselen ervaringen uit van onbedoelde en misschien ook wel ongeziene pijn. Ze zien elkaar.

Buitengesloten

 

 

Jongen uit groep 3 die ik al een tijdje op mijn netvlies heb omdat hij er vaak wat verloren bij loopt komt bij me. Hij heeft een gebogen bal gooi- en vangslurfding in zijn hand. Hij wil meedoen met een bal-vang spel van twee andere jongens. Ik loop mee. Ze gooien een tennisbal naar elkaar. Ze zijn heel geconcentreerd en het gaat goed, ze hebben net dit vangspel onder de knie. Normaal zou ik dit spel niet onderbreken, maar ik doe het toch. Ik draag niks op maar leg uit hoe verdrietig deze jongen is, en hoe moeilijk hij aansluiting kan vinden.

“Als hij mee mag doen, maak je iemand blij.” 

“Ja maar hij dreigde met naar de juf gaan.”

“Ik snap dat dat niet aardig klinkt, maar kijk even naar hem, hij is echt heel verdrietig. De jongen heeft zijn vang-gooislurf inmiddels voor zijn gezicht om zijn huilen te verbergen.

Een van de jongens laat meteen zijn vang-gooislurf vallen, loopt naar de jongen toe en slaat zijn armen om hem heen.

“Wat lief van je!” zeg ik.

Ze spelen met zijn drieën verder. Het spel gaat goed, de nieuwkomer deelt in het plezier en straalt. Dan bedenk ik hoe groot het verschil is met zijn houding net. Het is de vicieuze cirkel. Kinderen die zich buitengesloten voelen stralen dat uit, en zien er vervolgens niet uit als kind waarvan je denkt: “Goh, het lijkt me gezellig om met jou te spelen.”  Gelukkig kan die vicieuze cirkel ook de andere kant opgedraaid worden.

Noah

Noah speelde in de pauze altijd alleen. Dat vond hij niet heel erg. Hij kon wat zich allemaal in zijn hoofd afspeelde toch nooit goed uitleggen aan anderen. Bovendien, die anderen speelden wel mee, alleen wisten ze dat niet. Zo hadden bijna alle kinderen uit zijn klas meegeholpen met het behalen van zijn holbewonersdiploma. Ze waren onderdeel geweest van de jacht, hadden meegeholpen met vuur maken, hadden zijn grottekeningen bewonderd. Het was wel jammer dat sommige kinderen er doorheen liepen. In andere weken was hij een ruimtegevecht aan het voeren met de kinderen. Hij ontweek laserstralen, en gooide vuurbommen en lichtsperen. Soms klaagden andere kinderen over hem bij de juf.
“Juf, hij volgt ons steeds. Juf, hij zegt ons na. Juf, hij bespiedt ons.”

De juf stak dan een preek tegen hem af, en daar luisterde hij dan maar naar. Wist de juf veel. En hij speelde door. Alleen. Dat ging al een hele tijd goed. Alleen was makkelijker, maar toch ook wel alleen. Soms was hij daar wel een beetje verdrietig over.

Maar nu was er een nieuwe juf op het plein. Een juf die glimlachend naar hem keek als hij sloop, lasers ontweek of bommen gooide. En toen op een dag gebeurde het, deze juf maakte bezwerende gebaren en gooide toen een vuurstoot naar hem toen. Hij wist die nog maar net te ontwijken. Hij beantwoordde het vuur, de juf ontweek, maar daar had hij op gerekend. Direct vuurde hij nog drie energiestoten op haar af en ze was getroffen. De komende dagen speelde hij dit spel af en toe met de juf. Andere kinderen zagen plotseling wat hij allemaal kon. Ze begonnen mee te doen met het spel, ze keken naar hem hoe het moest en deden hem na. Eerst wilden ze allemaal de juf raken, maar op de dagen dat de juf er niet was, speelden ze met en tegen hem. Er was een nieuw spel geboren op het plein en hij was er het middelpunt van.

Francien

 

Laat ik haar Francien noemen. Het meisje uit groep drie. Zij is degene die een beetje buiten de boot valt, geen aansluiting heeft en ze kwam na de zomer vaak gezellig bij me buurten. Ze kletste graag over alles wat er in haar hoofd op kwam en ze liet me haar dansjes zien. Het waren geen tik-tok achtige ingestudeerde dansjes, maar bewegingen die ze bedacht bij het lopen over het plein. Haar binnenwereld bloeide op een heerlijke manier open als ze bij mij in de buurt was. Een heerlijk bijzonder kind. Ik gaf haar tijd en aandacht, ik probeerde niet om haar te laten spelen met de andere kinderen. Ik had er vertrouwen in dat dat wel zou komen. En het kwam. Ze is steeds minder vaak bij mij. Ze heeft intussen andere kinderen gevonden met wie ze haar eigenheid mag delen.

Vrijdag kwam ze naar me toe. Kinderen drongen voor op de glijbaan, ze voelde zich aan de kant gezet. Een paar andere kinderen waren met haar meegekomen naar mij. Ik vroeg of ik moest bemiddelen. Ze zei: “Ik wil dat het stopt” Het was nu gestopt, er was ook niemand meer op de glijbaan. Ik vroeg: “Wil je het de andere kinderen vertellen, samen met mij, zodat ze de volgende keer meer rekening met je kunnen houden.” De kinderen die eromheen stonden liepen weg en kwamen terug met een paar anderen. “Zij waren er allemaal bij, we hebben ze even gehaald.” Ik was onder de indruk, en dat heb ik ze ook gezegd. Wat mooi dat ze gehaald werden, wat mooi dat ze ook meteen kwamen. Er volgde een uitleg die niet als excuus aanvoelde, want ze zagen nu ook dat Francien in de drukte misschien wel even onder de voet gelopen was. Ik vertelde hoe vervelend Francien het had gevonden en vroeg of ze volgende keer extra goed willen opletten. Ze knikten hevig ja. Ik vroeg Francien of het zo goed was. Dat was het. En ik zal zelf ook een tijdje opletten hoe het gaat. Ik heb er vertrouwen in. Francien is nu volwaardig lid van deze groep.

The Pride Parade (niet de gay pride)

Dit nummer heeft vanaf mijn puberteit in mijn hoofd gespookt. Zo mooi! Ik leerde het spelen op de gitaar. Maar ook zo pijnlijk, die tekst! 
Want ik wist natuurlijk onbewust wel dat ik mezelf steeds verder in groef achter mijn beschermingsmechanismen.

“A set of sad transparencies till no one could see through”

“Deceptions hidden with your lips, but spoken with your eyes.”

 En ik veroordeelde mezelf daarover.

“But you are surely just as evil as the worst my tongue can tell” 

En ik voelde me zo alleen.

“But your fire just consumes you, you alone can feel the pain”

En omdat ik het doorhad, en omdat ik mezelf veroordeelde, spon ik om mijn linies een ragfijn, onzichtbaar web. Nu mag ik ontrafelen. Het voelt als opluchting. Net zoals mijn trans zijn is dit een geheim dat ik veel te lang bewaarde, en dat is gaan ontsteken. Ik ben zo blij dat ik nu met behulp van mijn therapeut de pleister er af mag trekken, en kan gaan voelen wat daaronder zit.

 

It started out quite simply, as complex things can do;
A set of sad transparencies till no one could see through,
But least of all the one inside, behind the iron glass;
A prisoner of all your dreams that never come to pass.

Alone you stand, corrupted by the vision that you sought,
And blinded by your hunger, all your appetites are bought,
But in spite of what becomes of you, your image will remain;
A reminder of your constant loss, a symbol of your gain.

And your friends are together,
Where the people are all gathered,
All along the road you traveled all your days.
And soon, you have succumbed to what the others all believe,
And though the lie affects them still it’s you that they deceive,
And all at once you’re lost within the emptiness of you,
And there’s no one left who’s near enough to tell you what to do.

You’re left with nothing but your self-potential in the dark,
Like tinder resting on a rock, protected from the spark,
But your fire just consumes you, you alone can feel the pain,
And you stand in all your glory and you know you can’t complain.

But your friends are together,
Where the people are all gathered,
All along the road you traveled all your days.

But you are surely just as evil as the worst my tongue can tell,
For you’ll never face my heaven and I’ll not endure your hell.
You have lost the chance to mingle by your constant, quiet lies;
Deceptions hidden with your lips, but spoken with your eyes.

For I know you for what you are, not for that’s really all you are.
And your talents of a minor order seem to stretch too far.
And we both know that this masquerade can’t carry on too long.
You’re deep inside the Pride Parade, but where do you belong?

And your friends are together,
Where the people are all gathered,
All along the road you traveled all your days.