Omdenken

 

Misschien ben ik wel de enige, maar daar geloof ik stiekem niks van. Ik wil iets kwijt over alle wijsheden die al weer een tijdje als memes ons om de oren vliegen. Die wijsheden zelf zijn trouwens al zo oud als de mensheid. En ze zijn vaak waar. En dat is nu net het probleem. Bij de mooiste waarheden voel je direct aan je water hoe waar ze zijn. Neem nu deze: “Verander de dingen die je kunt veranderen en accepteer de dingen die je niet kunt veranderen.” Er zijn oneindig veel van dit soort omdenkers die laten zien dat veel problemen zich vormen in ons eigen hoofd, en dat we dus de macht hebben om ze ook weer weg te denken.

Mijn probleem is dat ik daar te goed in ben geworden. Zó goed dat ik alle ongemak zo snel wegdenk dat mijn gevoel niet eens de kans krijgt om er aan te proeven. En áls ik het ongemak wel voel wordt dat steevast vergezeld van een groot schuldgevoel omdat het er miet mag zijn.

Gisteren werd het platform waar mijn bus naar huis altijd van vertrekt, gebruikt voor de bussen van de NS die gestrande treinreizigers naar Nijmegen brachten. Dat liep geolied, maar nergens was duidelijk waar mijn bus dan wel zou vertrekken. Gevalletje accepteren, want ik kan hier niets aan veranderen. Gisteren voelde ik voor het eerst mijn ongemak over dingen die niet lopen zoals ik gewend ben. Daarvoor had ik dat nooit toegelaten, want het had geen zin, ik had het te accepteren. Ik heb dus ook nooit geweten dat ik niet goed tegen veranderingen kan want dat was het gevoel dat ik als eerste weg duwde. Ik sta op de wachtlijst bij het expertise centrum voor autisme. Dat vermoeden ontstond pas vorig jaar, toen ik begon met dingen te voelen voor ik ze razendsnel om dacht. Ik ontdekte namelijk veel meer van dit soort eigenaardigheden. (Mijn woordkeus, omdat ik ze stuk voor stuk in eerste instantie helemaal niet bij mezelf vind passen)

Weet je, dat omdenken is niet verkeerd. Ik wil best alsnog leren te accepteren dat mijn bus niet altijd van dezelfde plek vertrekt. Maar ik wil potverdikkie eerst respect voor het stuk in mij dat het daar moeilijk mee heeft. Ik wil mezelf accepteren voordat ik er aan toe ben om de wereld te accepteren. De omgekeerde weg heeft me geen goed gedaan.

Ik was dus blij met mijn irritatie. Ik heb mezelf wel voorgenomen dat ik in het vervolg, ondanks mijn irritatie, aardig blijf, want ik heb gisteren een beetje gemopperd tegen de wegwijzers op het station toen ze me niet konden vertellen waar mijn bus ging. Sorry.

 

Little Woman

Er is weer een remake van Little Women in de bioscoop. Ik zie de poster terwijl ik, voor mijn verjaardag, met mijn eigen Little Women naar de laatste aflevering van Star Wars ga. Die poster, en ook de trailer roepen een eeuwenoud sentiment op. Ergens in mijn jeugd heb ik een oudere verfilming gezien, of een serie. Ik kan me helemaal niets meer van het verhaal kan herinneren, maar de sfeer is blijvend in mijn geheugen gebrand. De vier zussen, die zo veel van elkaar houden, ondanks alle gekibbel. En hoewel ik als trotse ouder zie dat mijn vier kinderen precies zo’n zelfde relatie met elkaar hebben, doet mijn hart zeer als ik besef hoe ik dit als kind gemist heb.

Ik had twee lieve broers, ik was de middelste. Ik herinner me dat ik fijn heb gespeeld, vooral onze avonturen in het bos. Maar ik heb me ook altijd het buitenbeentje gevoeld. Jarenlang heb ik gedacht dat dat kwam vanwege mijn rol als middelste, maar nu besef ik dat de sfeer van een jongensgezin niet goed bij me paste. Vandaar dat de manier waarop de vier zussen uit Little Women met elkaar omgingen zo’n diepe indruk op me maakte.

 

Ik besloot het boek te gaan lezen voordat ik naar de film zou gaan. Nu ik dat uit heb, en het vergelijk met de trailers, kom ik tot de conclusie dat er een vervolg moet zijn En ja hoor, ik lees nu Good Wives. Vreselijke titel. Informatie over de schrijfster vertelt me dat ze een feministe was, en dat niet zo veel hield van deze mierzoete boeken die ze op verzoek van haar uitgever schreef. Ik ben nog geen twee hoofdstukken verder en ik zit al in de eerste moraliserende les.

Amy de jongste schildert, en krijgt van haar rijke tante een kunstopleiding. Ze wil de rijke vriendinnen van daar uitnodigen voor een picknick. Ze is doodsbang om af te gaan, ondanks dat haar vriendinnen al weten dat ze niet rijk is en haar toch accepteren. Ze vraagt haar moeder hulp om alles precies zo te regelen als het bij rijke mensen er aan toe gaat. Moeder March, Marmee zoals de dochters haar liefdevol noemen, probeert haar dochter ervan te weerhouden, maar die is zo vastberaden dat Marmee besluit om haar dochter deze les dan maar in de praktijk te laten leren. Alles gaat fout natuurlijk, en de jongste leert haar les.

 

Intussen huil ik heftig, want ik herken mezelf. Ik heb mijn hele leven gewerkt om alles perfect te organiseren om geaccepteerd te kunnen worden. Ik ben alleen vele malen geraffineerde dan Amy. Ik had de hints van Marmee al direct begrepen, en geweten dat ik juist niet moest proberen om alles precies te doen zoals mijn vriendinnen het gewend zijn. En toch zou ik even hard naar perfectie hebben gestreefd als Amy. Ik zou alles in een rustiek, degelijke landelijke sfeer hebben willen doen, met precies voldoende luxe om mijn vriendinnen geen kans te geven teleurgesteld te zijn. Ik zou hebben afgedwongen dat ze achteraf zouden zeggen dat het juist zo bijzonder was omdat het zo eenvoudig was, niet wetende dat die eenvoud al boven mijn budget zou zijn. Ik had er bovendien voor gezorgd dat mijn familie die rijke vriendinnen toch wel heel aardig zou hebben gevonden. En ik had nog harder gewerkt dan Amy want ik had er voor gezorgd dat niemand zou merken dat ik zo hard aan allemaal touwtjes trok.

 

Mijn perfectie kent zoveel dubbele lagen, ik maak fouten omdat ik weet dat perfectionistisch zijn niet goed is, ik geef mijn grenzen aan omdat ik weet dat het aangeven van grenzen als iets goeds gezien wordt, ik kleur buiten de lijntjes maar ik weet exact buiten welke lijntjes is niet mag kleuren. Ik doe zelfs mijn stinkende best om meer mezelf te zijn, me intussen afvragend welke stukjes zelf ik daar in deze situatie het best voor kan gebruiken.

 

Het is niet zo dat ik geen stappen heb gezet. Ik ben onmiskenbaar meer mezelf dan ik ooit was. Maar dit mechanisme is diep ingegroeid dat ik niet goed weet hoe ik het uit moet zetten.

 

De huilbui was omdat ik het met mijn oude ik te doen heb, die zonder het te weten zo vreselijk hard werkte om er te mogen zijn. De middelste die zich staande wist te houden. Het jongetje dat zich staande wist te houden. En helemaal niemand die het zag, en zei: “je hoeft niet meer zo hard te werken.” Nou ja, misschien een paar. Maar dat was in een periode dat ik nog zo blind was voor dit systeem, dat ik er een opdracht in zag in plaats van een uitnodiging. (En bij deze: fuck alle mensen die hun opdrachten formuleren als uitnodiging!)

 

En nu?

 

Nu probeer ik te leven zonder verhaal. En dat is de reden dat ik af en toe vreselijk diep onderuit ga, want leven zonder verhaal is het meest enge wat ik ooit gedaan heb.

 

Ik ben een Little Woman die nu alle lessen die ze al kent in de praktijk mag gaan leren.

The sublime

Ik heb een woord nodig,

een woord dat het gevoel beschrijft

als de natuur 

He bah! Daar heb je het al!

Ik heb ook een ander woord nodig voor natuur.

Natuur is zo obligaat.

Houden van natuur

is verplichte kost.

Niemand kijkt ervan op

als je zegt dat je van natuur houdt.

Wat ik nodig heb is een woord

dat wel doet opkijken.

Anders doet het geen recht

aan wat ik voel.

Het is ook niet eens de natuur.

Ik ben niet zo van dat ielige bloempje

of het zeldzame beestje.

Ik vind onzeldzame beesten net zo lief.

Het is het landschap,

het landschap in zijn geheel.

Die geweldige ruimte 

van Marsman.

Hij heeft het ook gevoeld.

De Engelsen hebben een woord.

The sublime.

Dat woord zegt niet  zoveel

over het landschap zelf,

als over de indruk die het maakt.

En dat is mooi.

Maar dan mis ik nog de helft.

Want het sublieme

rept niet over het antwoord

dat mijn ziel geeft

en dat door me heen zindert:

“Ik heb je gezien!”

Het psychologisch onderzoek

Ze had zich in september ziekgemeld. Daar had ze zich toen nog schuldig over gevoeld, alsof ze onder haar sollicitatieplichten probeerde uit te komen. Ze was niet ziek, alleen maar heel erg uitgeput. Eerder dat jaar had ze een minor breakdown gehad, maar die had ze weggeslikt om daarna weer haar tanden op elkaar te doen. Haar contract was niet verlengd, maar ze had verwacht dat ze na de zomervakantie zo weer ergens in zou kunnen stromen. Maar de zomervakantie had geen rust gebracht, ze was er alleen maar nog vermoeider uit gekomen. En pas na haar ziekmelding stortte ze helemaal in. Het besef drong tot haar door dat ze nog steeds alles vanuit perfectionisme deed. Dat was confronterend, want ze had gedacht dat ze na een eerdere burn-out mee had afgerekend. Het zat dus dieper dan ze wist, veel dieper, vermoedde ze. Ze had zich via de huisarts aangemeld bij specialistische geestelijke zorg, een hele grote stap, want ze had dit in het verleden altijd weten te vermijden. Er was toch niks mis met haar? Ze had intussen zoveel vriendinnen en vrienden die geestelijk hulp nodig hadden dat ze best wist dat dat helemaal niet vreemd was. En toch, het was iets voor anderen, zij had immers een goede coach gehad? Dat was afgelopen jaar. Ze had zich inmiddels verzoend met het feit dat ze wat dieper moest graven, ze zag er inmiddels naar uit, maar ja . . . wachtlijsten. Het was januari, en de intake zou pas augustus zijn.

 

En toen kwam de oproep van het UWV. Psychologisch onderzoek. Haar buik kriebelde van de spanning. Vertrouwden ze haar niet? Vonden ze misschien dat ze zich aanstelde? Waarom kon ze niet even met rust gelaten worden? En tegelijkertijd voelde ze zich schuldig, dat er door die wachtlijst nog een half jaar niks zou gebeuren. “Er gebeurd juist ontzettend veel!” zei een andere stem in haar hoofd: “Kijk eens naar alles wat je aan het loslaten bent!” 

Dat was waar, maar dat telde natuurlijk niet voor het UWV.

De afspraak was in een hele hoge kantoortoren boven het station. Ze zou een bus eerder nemen, want hoewel ze regelmatig op dat station kwam, had ze geen idee waar de ingang van die toren was. Het stormde en een horizontale regen sloeg haar in het gezicht. Ondanks het kleine stukje straat dat ze over moest steken meldde ze zich nat bij de balie. Goed dat ze zo vroeg was.

 

Ze werd door een aardige vrouw, de psychologe, meegenomen naar de 13e verdieping, een adembenemend uitzicht. En, belangrijk, ze kon tijdens het gesprek wegkijken, de verte in. 

 

Het gesprek ging goed, ze voelde zich gezien. Het was niet eens erg dat haar vriendin die ze gevraagd had om erbij te zijn er nog niet was (die moest eerst haar zoontje naar school brengen, dus ze wist al dat ze later zou zijn). Toen haar vriendin binnen was, werd het gesprek even gepauzeerd, en er was een vragenlijst om in te vullen.

 

Het tweede gedeelte werd overgenomen door de psychiater. Ze was een strenge verschijning, gaf een korte handdruk en begon direct met het stellen van haar vragen, om nog wat gaten op te vullen, zoals ze zei. Dit was een totale omslag ten opzichte van daarnet. Ze voelde zich verkrampen, maar schonk daar in eerste instantie geen aandacht aan, want er waren vragen die beantwoord moesten worden, en de strenge blik boven de leesbril zei haar dat dat met zorgvuldig gekozen woorden moest. Het was niet alleen de strenge blik, te lange voorbeelden werden afgekapt, en ze voelde zich steeds meer verkrampt. Wat ze ook deed, ze kreeg geen begrijpende glimlach op de lippen van deze ondervraagster. En ze was aanvankelijk nog zo blij geweest toen ze las dat de psycholoog en de psychiater vrouwen waren.

 

En toen kwam de vraag: “Wat is het waar je op dit moment het meeste last van hebt?” Toen pas voelde ze haar lichaam, waar de spanning al een tijd aan het opbouwen was. Ze keek naar haar vriendin, en zag daar een blik die zei: “Toe maar, vertrouw op jezelf.”

“Op dit moment word ik vreselijk getriggerd door uw houding. Ik weet dat u het niet bedoeld, maar ik voel me vreselijk klein.”

En met dat ze deze woorden uitsprak voelde zich het kleine kind, dat zo vreselijk bang was. Ze voelde hoe ze deze angst een levenlang met zich mee droeg. Ze voelde alle momenten waarop ze zich tegenover mensen met een autoriteit zich steevast tekort voelde schieten. Alle momenten waarop ze niet mocht zijn zoals ze was.

Schokschouderend begon ze te huilen. Met gebroken stem vertelde hoe vreselijk bang ze was. En ze voelde de angst. Eindelijk voelde ze alle angst die ze zichzelf nooit had toegestaan. Ze had geweten van haar angst, ze had zelfs gedacht dat ze een manier had gevonden om er mee om te gaan, maar ze had haar angst nooit echt gevoeld.

 

Het onderzoek werd haastig afgerond, het rapport zou volgen. In de hal kwam ze langzaam tot rust in de armen van haar vriendin.

 

Buiten sloeg de regen in haar gezicht. Ze pakte geen paraplu, de regen voelde bevrijdend.



 

naschrift:

 

Ik besef nu pas wat het ook zo bijzonder maakte:
Ik kon het kind, het verdriet, de angst, alles er laten zijn zonder oordeel. Ik zag ook dat ik het was die getriggerd werd, en dat die psychiater de trigger was en er verder niets mee te maken had. Ik voelde ook geen boosheid. Voor het eerst projecteerde ik in zo’n situatie mijn gevoelens niet op een ander, zoals ik dat in al die andere gevallen dat wel deed.
Dat was mijn manier om deze pijn niet te hoeven voelen, boosheid op de ander en zo goed mogelijk mijn ‘zaak’ bevechten. Dat is waarom ik de pijn kon voelen, omdat ik dat allemaal nu niet deed. Of deed ik het niet omdat ik de pijn toeliet? Ik denk beide.

 

 

Slice of life

In elk verhaal zit drama. Anders is er niets aan, natuurlijk. Daarom verwacht mijn hoofd bij alle aardige personages dat ze iets vreselijks gaan doen en dat elke idylle ruw verstoord gaat worden. En natuurlijk komt het dan allemaal goed, maar liefst pas vlak voor het einde.

Maar steeds vaker merk ik, dat ik minder drama fijner vind. Dat ik gewoon blij ben als een goeierik ook echt een goeierik blijft, met niet al te veel schaduwkanten. Ik ben blij als de mensen die ik elkaar zeer gun, geen grote ruzies krijgen.

Dat viel me laatst al op toen ik ‘Paterson’ keek, een film waarin niets gebeurt. En nu lees ik Little Women, en ben erg blij met Laurie die nooit teleurstelt, en Jo die wel heerlijk buiten de lijntjes kleurt maar nooit echte rampen over zich heen roept. Sowieso kabbelt het boek een beetje voort, en ik vind het heerlijk.

Van mijn dochter leerde ik dat er zelfs een term voor is “slice of life”. Het is haar favoriete Animé genre, en ik snap dat. Zij heeft met haar zware burn-out al genoeg drama gehad. En ook ik hoef niet zoveel drama meer, in mijn boeken en films niet, maar ik gun ook mezelf een leven waar ik een plakje af kan snijden, en nog een, zonder dat die twee dag en nacht verschillen.

Mijn interne fan en mijn tranen

Dit is spannend. Een gesprek met jou. Omdat ik laatst het vermoeden uit sprak dat onze gesprekken klaar zijn. Omdat ze niet meer nodig zijn. Omdat ik deze vorm nodig had om met een zachte kant in me te spreken. En heel misschien ook omdat je niet echt bent, maar bestaat uit wat ik denk dat een lief iemand tegen me zou zeggen. Dat je alleen maar dat bent wat ik op het moment het hardst nodig had, als ik je sprak.

Dat is toch allemaal hetzelfde lieverd. Natuurlijk ben ik precies dat wat je het hardst nodig hebt op dat moment. En zelfs als je mij alleen maar verzint, dan nog is het fantastisch dat jij dat dus allemaal uit jezelf kunt halen. Het echte wonder bestaat ook niet uit de dingen die ik je vertelde. Het echte wonder is dat jij ze kon ontvangen, én kon voelen.

En nu? Hoe gaan we verder?

We hebben nog steeds onze gesprekken. Het zijn alleen woordeloze gesprekken. Al die tranen die vloeien als jij weer ee stukje van jezelf binnen laat. Dat zijn wij, die zonder woorden aan het praten zijn, en dat is goed. Je hoeft het niet te snappen allemaal, je hoeft er geen woorden aan te geven. Je mag het voelen, en wees niet bang voor alle tranen die dat kost. En denk vooral niet dat het nu maar een keer afgelopen moet zijn. Je hebt heel erg veel binnen te halen, en daar zijn nog heel erg veel tranen voor nodig.

(Op mijn oude blog had ik vaak gesprekken met mijn interne fan)

of deze

De elfde goede dag

Ze zit in de bibliotheek, compleet geïnstalleerd met alles om haar heen, een beker water, een broodje in een zakje, een leesboek en een leerboek. Ze wil graag een nieuwe programmeertaal leren, iets waar ze haar hersens mee kan kraken, en ook iets waarmee ze iets kan bouwen. Er is genoeg afgebroken, het laatste jaar. Nee, zo moet ze het niet zien, ze heeft losgelaten, en dat is mooi. Maar het is ook leeg, angstaanjagend leeg. Ze is vastbesloten die leegte niet langer te vullen met wereldreddende dromen. Ze was altijd boos geweest als mensen haar een luchtfietser noemden, bouwer van luchtkastelen. Nu ziet ze dat ze gelijk hadden, zij het op een andere manier dan ze bedoelden. De lucht waarop ze haar kastelen bouwde was haar eigenwaarde geweest. De enige manier waarop ze haar plek op de wereld verdiende was iets groots kunnen betekenen voor anderen, alsof ze een oerschuld had die ingelost moest worden. Dat loslaten was een groot werk geweest. Ze had het gevoel gehad dat zíj het was, die losgelaten werd. Stuurloos was ze overgeleverd geweest aan diepdonkere buien. En die waren nog niet eens het ergste, de loodgrijze mist die haar alle zin in alles ontnam was huiveringwekkend. Ze was geschrokken hoe makkelijk ze kon beslissen om in die buien dan maar uit het leen te stappen, ze was zelfs al zo ver dat ze was gaan fantaseren hoe dan. Ze gingen altijd over, de buien, en ze kwamen ook altijd terug. Maar nu zijn ze al ruim een week weggebleven, en ze voelt zich goed. Het programmeerboek op haar schoot geeft rust. Hier zijn de dingen zoals ze zijn. Hier heerst een ijzeren logica waar je altijd op terug kunt vallen. Hier is een fundament waarop je kon bouwen, letterlijk. Geen luchtkastelen maar iets waar je echt wat aan hebt.

Toch is ze afgeleid. Het nieuwe leesboek dat ze net gekocht heeft voor een boekenbon van haar verjaardag schreeuwt om aandacht, en ze heeft alle social media weer op haar telefoon gezet. Ze had die eraf gehaald omdat ze op een of andere manier vond dat ze alleen uit de put moest klimmen.

Een berichtje, van een dierbare vriendin. Ze prijst zichzelf gelukkig met een stel hele goede vriendinnen. Ze waren in de donkere tijden het enige houvast geweest. “Heb je zin om voor je verjaardag uit eten te aan?” Ze is niet zo goed in spontane acties, maar nu voelt ze zich niet overvallen. Ze had zich toch al afgevraagd of ze niet ergens een hapje zou halen. Anderhalve week donkere-bui-vrij was iets om te vieren, of is ze bang om alleen naar huis te gaan? Ze antwoord bevestigend, en begint haar uitgestalde spullen langzaamaan weer terug te doen in haar tas, en loopt naar buiten om haar vriendin te ontmoeten.

Het is vroeg, en haar vriendin wilde nog even shoppen. In de tweede winkel voelt ze onrust. Hier wil ze niet zijn. Dat haar vriendin in de uitverkoop een paar sportschoenen wild scoren snapt ze best, maar dit is een winkel waar ze zich niet fijn voelt. Ze is dankbaar voor dit besef, dit was een van de gevoelens die ze vroeger had genegeerd. Nu ze het toelaat voelt ze het duidelijk: ze moet hier weg, zo snel mogelijk. Het duurt te lang voordat haar vriendin stralend terugkomt met een tas vol schoenen. “Ik vind je een schat, maar we moeten niet meer samen shoppen. Je bent een wervelwind en ik voel me als klein kind meegesleept door haar moeder naar winkels waar ze niet wil zijn.” Ze zegt het hardop. Zoveel vertrouwen had ze intussen wel in haar vriendschappen. Het vertrouwen wordt niet beschaamd. Ze krijgt een knuffel. “Dan is dit de laatste winkel gaan we dat de volgende keer anders doen.”

Het eten is heerlijk, en op de terugweg naar de auto (ze wordt thuisgebracht), krijgt ze nog een hele mooie ring ook. Een dag met een gouden randje.

Thuisgekomen blijft ze even nagenieten op de bank. De bank waar ze zo vaak had gezeten, huilend van wanhoop en verdriet, snakkend naar een arm om haar heen om haar te troosten. Ook nu snakt ze naar een arm. Wat zou het toch fijn zijn als ze iemand had waarmee ze ook haar geluk kon delen.

Inleiding boek

ik was degene

die mij voor zich uit droeg

voorzichtig langs het slingerpad

en nu schilder ik

glanzend mijn omtrek vrij

eindelijk zie ik mij

ik doe een stap terug

en kijk

ik ben klaar om mij los te laten

en mijn schittering te zien

ik droeg geen masker

ik droeg mezelf

behoedzaam rondom aangevat

om mij te beschermen

(vrij naar “De akelei” van Ida Gerhardt)

Toen mijn dochter, Fenna, 5 jaar was wilde ze naar school in verkleedkleren. Niet als prinses of wat dan ook, maar met de creatie die ze zelf bij elkaar had gerommeld, als aanvulling op haar ‘gewone’ kleren. Ze zag er leuk uit, een beetje als Cindy Lauper. Ik was trots op haar, mijn dochter was zo ontzettend haar unieke zelf, met meer lef dan ik ooit had. Natuurlijk vond ik het goed en ik zette haar op de fiets zoals ze was. Toen ik haar bij school van de fiets tilde, wilde ze niet verder. Ze durfde het schoolplein niet op. Alle verkleedversiersels moesten uit, tot de laatste strik. Mijn hart deed pijn. Zelfs mijn stoere dochter was niet opgewassen tegen de groepsnorm om niet buiten de lijntjes te kleuren.

Je moet ver van huis om te ontdekken dat de schat begraven is onder de haard in je eigen huis. Dat vertelt het oude volksverhaal “Het paaltje van Oosterlittens” en het is een bekend thema. Je moet jezelf eerst kwijt raken om jezelf terug te kunnen vinden. Het is dus onontkoombaar, en toch . . .

Ik raakte te ver van huis, en verdwaalde. Als gevoelig kind pikte ik alle signalen op die er op wezen dat ik niet in de hokjes paste. Ik leverde langzaam maar zeker alles in. Het trieste is dat ik de stukjes die het meest afweken, mijn mooiste stukjes, het eerst en het meest grondig uitwiste. Ik heb me nooit anders voorgedaan dan ik ben. Ik wist dat ik daarin vreselijk op mijn bek zou gaan, en iets in mij wilde het lijntje met mijn echte zelf niet breken. Wat ik deed was leren om onzichtbaar te zijn. Ik deed dat zo goed dat ik de barsten die ontstonden, als ik het even niet volhield, snel kon repareren. Niemand zag mijn strijd. Nooit ontspoorde ik ver genoeg om argwaan te wekken. Maar als je nooit valt is er ook nooit iemand om je overeind te helpen. Ik heb tot nu toe alles alleen gedaan, en ik ben moe. Ik laat nu de barsten ontstaan, en zoek de hulp die ik nodig heb.

Dit boek gaat over mijn transitie, maar veel meer nog dan dat gaat het om het proces dat mogelijk maakte dat ik pas op mijn 55e ontdekte dat ik transgender was. Het gaat over eenieder die zo lang onder de radar bleef vliegen. Iedereen die zo mooi uniek was dat ze hun kleuren wel moesten verbergen en iedereen die daar zo goed in werd, dat ze alles alleen deed.

De verzameling verhalen in dit boek zijn een ode aan eenieder die zichzelf hierheen droeg, behoedzaam rondom aangevat.

Mijn voorgeprogrammeerde hoofd

In 1988 kocht ik mijn eerste computer, een Atari ST. Met een echte Aple achtige omgeving, grafische desktop, slepen en klikken. Microsoft computers moesten het toen nog doen met een zwart scherm waar linksboven een C:\> prompt knipperde.
Ik gebruikte hem voor het schrijven van mijn eindonderzoek van mijn studie. Maar ik ben eindeloos bezig geweest met al die gave nieuwe mogelijkheden. Een van die nieuwe dingen waren spelletjes. Ik hield niet zo erg van de behendigheidsspellen, maar je had ook adventure spelen. In die tijd waren dat nog tekst-adventures. Je kreeg een mooi plaatje, en een tekst die aangaf wat je situatie was. Er viel in die eerste spelen nog nergens op te klikken. Je moest intypen wat je ging doen. De meest uitgebreide spellen hadden een ‘parser’, dat betekende dat je gewoon een Engelse zin in kon typen en het programma wist dan wat je bedoelde (en soms ook niet).
Een van de andere dingen die ik op mijn computer deed was programmeren. Ik stelde mezelf voor allerlei uitdagingen om te zien of ik dat via een computerprogramma kon laten werken. Een van die uitdagingen was het schrijven van zo’n parser die gewone Nederlandse zinnen snapt en een klein gesprekje kan voeren. Ik wilde dat zo vloeiend mogelijk laten verlopen. Mijn programma zou de Turing test niet halen, maar het ging me vooral om het nadenken over problemen en het uitproberen van oplossingen.
De Turing test is bedoeld om te achterhalen of je een programma kunt schrijven dat zo dicht in de buurt komt van Artificial Intelligence (A.I.) dat een buitenstaander niet meer kan beoordelen of hij nu met een computer chat of met een mens. Gezien het feit dat ik bij geautomatiseerde helpdesks nu nog steeds altijd uit kom bij “klik hier om met een medewerker te praten”, was mijn uitdaging in 1988 wel erg ambitieus.
Het was gaaf om te doen. Een van de grote beperkingen was dat ik al snel doorhad dat ik de computer een hele woordenschat moest geven, en de enige manier die toen voor me openstond was om dat allemaal zelf in te typen. Ik kon mijn programma best wat simpele grammatica leren. Ik had het al verteld wat vragende voornaamwoorden waren, en wat werkwoorden. Die laatste kostten weer werk vanwege de vervoegingen, regelmatig (waar ik een apart programmaatje voor kon schrijven, en onregelmatig, die ik dus allemaal handmatig in de database kon zetten. ) Ik beperkte mijn ambities nóg verder. Zelfs het programmaatje om regelmatige werkwoordvervoegingen te herkennen liet ik los. Maar er bleef nog steeds val alles om uit te zoeken.
Gelukkig zijn mensen erg voorspelbaar. Dat gebruikte ik als uitgangspunt, samen met de wetenschap dat je door het soort vragen dat je stelt, aardig kunt sturen. Ik bouwde iets dat redelijk werkte, al moest het naar mijn zin te vaak antwoorden: “ik begrijp je vraag niet”.
Dus ging ik aan de slag om, zoveel mogelijk, óók de minder voorspelbare reacties in te bouwen.
Wat ontstond was een eindeloze reeks IF THEN ELSE statements. Als er in de tekst dit woord staat, doe dan dit, anders doe dit. Ik probeerde daar nog een beetje mooie hiërarchische structuur in aan te brengen, waardoor je een soort beslis-boomdiagram krijgt met steeds verdere vertakkingen. En ook dat lukte in eerste instantie nog heel aardig. Maar op een gegeven moment krijg je een eindeloze brei code, en worden nieuwe inzichten opgelost met stoplappen, omdat het ondoenlijk is om steeds die hele boom opnieuw te programmeren.
Uiteindelijk kreeg ik een programma dat wel steeds beter werkte, maar de geschreven code werd steeds lelijker en onoverzichtelijker, en fouten opsporen werd een hel. Ik realiseerde dat ik niet eens in de buurt was gekomen van Artificiële Intelligentie.
 
Ik moest hier aan terug denken omdat dit precies de staat is van mijn hoofd op dit moment. Ik snapte niks van de wereld. Thuis was alles nog te doen. Ik had twee ouders en een grote broer. Dat was overzichtelijk, en behapbaar. Denk ik, ik heb er niet zo heel veel herinneringen aan. Wat ik wel weet dat ik me helemaal kapot schrok op de kleuterschool. Daar ben ik heel erg hard aan de slag gegaan met het schrijven van ALS DAN programmaregeltjes een hele dikke brei die zich elke dag uitbreidde. Niks geen mooie beslisboom, gewoon plat achter elkaar alle Do’s e Don’ts. Later probeerde ik alsnog ordening aan te brengen, is sommige gevallen lukte dat, maar vaak liep ik tegen de volstrekte onlogica van de wereld op. Mijn hoofd zit intussen helemaal vol met een aantal mooie, redelijk werkende systemen, en duizenden programmaregeltjes voor alle uitzonderingen. En nu ontdekt ik elke dag hoe mijn hoofd nog steeds alle code na loopt en eerst alle veiligheidsregeltjes checkt voordat ik reageer. Wat ik zelf wil, en wat goed voor mij is zit wel ergens in dat programma ingebouwd, maar ik kan het niet meer terugvinden in de brei van programmaregels. Er zit voor mij niets anders op dan al die oude code weg te gooien en weer te leren intuïtief te reageren op de wereld. Ik bén wel intuïtief, maar ik ontdek nu dat ik alles wat ik daar over leerde, gewoon meeprogrammeerde in mijn ALS DAN statements. Mijn progamma was intussen zo verfijnd en uitgebreid dat het de Turing test doorstond. Zodat ik zelf niet eens meer door had, dat het een programma was.
Mijn echte openbaring is niet eens dat ik dit deed. Dat had ik al een keer eerder ontdekt. Die keren dat ik dacht het niet te doen, waren gewoon een aanvulling op mijn programmacode: let op! “je mag niet volgens je ALS DAN manier op dingen reageren.” Zelfs dat had ik al een keer ontdekt. De grote confrontatie nu is dat ik dit ALTIJD doe. Ik doe het 24/7 en al die 24 ook alle 60 minuten. Ik vermoed dat ik het inderdaad zelfs in mijn slaap doe.
Ik deed deze week voor het eerst twee dagen vrijwilligerswerk op een school. Voor het eerst in 9 maanden liep ik weer rond in een professionele setting. En ik voelde hoe werkelijk ál mijn reacties en alles wat ik doe door mijn check en re-check mechanisme heen gingen. Het zit in alles. Het zit in de manier waarop ik mijn thee haal en drink. Het zit in de knikjes die ik wel en niet geef. Het zit in het soort glimlach dat ik op mijn mond zet als ik naar een verhaal van iemand luister. Het zit in hoe lang ik mensen aan kijk in het voorbijgaan. En natuurlijk zit het in wat ik zeg, maar vooral in alles wat ik niet zeg.

Richtingaanwijzer?

Ik was als kind altijd autoziek. Op lange ritten zat ik aan de rechterkant, want er kwam steevast het moment waarop ik moest overgeven, en mijn ouders wisten intussen dat dat geen uitstel verdroeg. Waar bij op het “ik moet plassen” nog een “hoe lang kun je het nog volhouden?” volgde, werd er bij mijn noodkreet onmiddellijk naar de berm gestuurd. Gelukkig waren er in mijn jeugd nog niet zo veel snelwegen. Ik heb veel bermen gezien, ze smaken allemaal hetzelfde.

Op korte ritten kon ik me goed houden. Uitstappen voelde altijd als een bevrijding, maar ik voelde me daarna nog vaak lang slap en wankel. Het kostte me veel energie om alles daarbinnen op zijn plek te houden. Niet naar buiten kijken werd direct bestraft, en ik hield het bochtenwerk goed in de gaten. Ik had inmiddels ontdekt dat het tikken van de richtingaanwijzer het waarschuwingssignaal was voor een bocht, en op een gegeven moment ontdekte ik iets nog beters. Op het dashboard zag ik een lampje in de vorm van een pijltje. Het wees naar rechts. En ja hoor! Het ging knipperend branden, tegelijk met het tikkende geluid van de richtingaanwijzer. Dat ik het andere lampje niet kon zien maakte niet uit. Geluid zonder dat het voor mij zichtbare lampje brandde betekende natuurlijk linksaf. Behalve dat me dit enorm hielp met mijn ingewanden-evenwichtskunst, gaf het me ook een gevoel van macht. Ik had een geheim ontdekt. Als we nu in onbekend gebied reden was ik degene die tenminste wist wat de eerstvolgende richting zou worden!

Wat voelde ik me verraden toen de auto de eerste keer na mijn ontdekking linksaf ging, terwijl heel duidelijk het pijltje van rechts knipperde. Ik snapte er ook helemaal niets van. Was de auto kapot? Of was dit weer een van die rare dingen van de volwassen wereld waarmee ze kinderen buitenspel zetten? 

Het antwoord zou ik pas later ontdekken, en het was amper bevredigend. Ik zat alleen op de achterbank en kon dus tussen de twee voorstoelen in zitten, en naar voren leunen. Autogordels bestonden nog amper, laat staan dat ze verplicht waren. Nu had ik zicht op het andere lampje, dat was inderdaad een pijltje naar links. Maar bij elke bocht, of die nu naar links of rechts was, brandden beide lampjes! Het raadsel was opgelost, maar nog steeds bleef ik zitten met een vraag. Wat was het nut van twee lampjes, als ze beiden tegelijk knipperden, ongeacht de richting die werd aangegeven. Ik kon me als kind nog niet verplaatsen in de bestuurder die de lichtsignalering niet nodig heeft als informatie over de richting, maar alleen als extra seintje dat de richtingaanwijzer nog aan staat. Wat ik er aan over hield was het angstige gevoel dat de wereld nóg ondoorgrondelijker was dan ik al wist, en dat ik nooit meer kon vertrouwen op mijn eigen logica. Hoe kon ik een wereld begrijpen als zelfs dit soort fundamentele dingen al fout gingen? Hoe moest ik me staande houden? Na die rit stapte ik uit met meer onzekerheid in mijn benen dan ooit.