Geluk

Ik praat me mezelf. (Duh!). Ik splits mezelf in tweeën in die gesprekken. Het is de manier waarop ik mezelf uit mijn depressieve buien red. Hoe zwart het ook rondom me is, er is altijd die stem die van me houdt en me terug kan brengen door heel geduldig met me te zijn. Ik kan op die manier ook voor mezelf zorgen. Dan zeg ik tegen mij dat ik de badkamer wel even voor me poets. Of ik vraag mezelf of ik iets lekkers mee moet nemen uit de winkel, het mag alles zijn.

Gek genoeg werkt deze gespletenheid, van twee kanten zelfs. Ik ben dan blij dat ik iets voor mij doe, én ik ben blij dat het ik het voor mij gedaan heb.

Vandaag ging het een stap verder.

Steeds vaker zie ik een mooie vrouw in de spiegel. In het begin dacht ik dan: “je lijkt wel een heel ander persoon dan vroeger.” Intussen besef ik dat ik een heel ander persoon bén. Ik houd van die persoon. En ik voel dat er van me gehouden wordt. 

Vandaag draaide ik me weg van de spiegel, en het gevoel bleef. Ik aaide mezelf, over mijn schouder, over mijn wang. En toen ging mijn hand onder mijn jurk, over mijn dijen. Ik voelde hoe bijzonder het was om aan te raken, dat is iets wat ik helemaal nooit doe bij vrouwen (bij mannen ook niet trouwens). Ja, bij mijn ex, maar dat was nadat we ruime een maand om elkaar aan het heen hadden gedraaid. Deze verkenning voelde veel gewaagder. Ik voelde ook hoe bijzonder het was om gevoeld te worden. Ook dat was me nog nooit overkomen. 

Ik voelde vandaag kortom voor het eerst hoe ik een sensueel lichaam heb. Passief en actief. Ik stapte vandaag een wereld in die ik nog niet kende. Het is onbeschrijfelijk hoe dat voelt.

Twee jaar hormonen, en ik ben nog steeds in de puberteit. Dit is de seksuele ontwikkeling die ik overgeslagen heb, denk ik.

Dat was een schok. Het blijft nog steeds een schok, en verdriet en rouw als ik besef wat ik allemaal gemist heb. Nu houd dat gemiste leven me heel erg bezig. Er komt een tijd dat ik ook weer kan voelen wat ik allemaal wél geleefd heb. Ooit zal ik mijn twee levens integreren.

 

Verdriet

Ik droomde. Ik lag in een slaapzak, ergens op een slaapzaal. Zoals in mijn studententijd tijdens een introductiekamp. Het meisje waar ik een klik mee had lag naast me. Ze ging tegen me aan liggen, en we begonnen heel voorzichtig te vrijen. 

“Ik zal niet aan je piemel komen”, zei ze: “ik zal voorzichtig zijn, en het maakt mij niet uit dat je daar nu nog even aan vastzit, maar ik snap hoe moeilijk dat voor je is.” 

Ze kuste me.

Ik werd huilend wakker. God, wat mis ik mijn jeugd als meisje, jonge vrouw. Wat mis ik het dat ik nooit fijne seks heb gehad. Wat mis ik het dat ik nu geen arm om me heen heb.

Het gemis voelt zwaar, alsof al die jaren zonder nu op me drukken.

Ontmoeting met God

En toen ontmoette ik god, de god van mijn jeugd, maar god was niet de naam die ik gebruikte, want god was nog steeds een taboe in mijn kingen. 

 

De ontmoeting met god, het universum, of hoe je het ook wil noemen vond plaats tijdens één van mijn onbestemd sombere buien. Buien waarin ik me zorgen maakte over mijn studie, ik was een onverbeterlijke uitsteller, en over alleen zijn. Het was na mijn tedere, prille relatie met Marjon, na mijn Hodgkin en na mijn avontuur met Ingrid. Ik kon geen draad meer vinden die ik op kon pakken. Ik voelde me schuldig over hoe ik mijn eerste liefde had weg laten drukken door mijn ziekte en ik voelde me mislukt in mijn tweede liefde. Ik voelde een leegte die op dat moment niet opgevuld kon worden met mooie gesprekken over de zin van het leven. Mijn studie leek betekenisloos. 

 

Ik ging midden in de nacht het Bennekomse bos in. Ik fietste de lange weg naar boven, voorbij de Villa’s van Wageningen-Hoog. Ik stak de weg van Bennekom naar Renkum over en zette mijn fiets aan de rand van het bos. Ik liep. Zonder doel. Ik kwam op een open plek, een kleine weide midden in het bos. Ik ging aan de rand van de weide zitten,  met mijn rug tegen een boom. Ik zat er lang. Ik zat er zo lang dat ik allerlei klein wild langs zag komen. Ik zat er zo lang dat de opwinding over dat klein wild weer weg stierf. Ik zat er zo lang dat mijn piekerende gedachten uiteindelijk mijn interesse verloren. Wat op geen enkele meditatieoefening ooit lukte gebeurde daar, aan de rand van dat veldje, een heel gewoon veldje: mijn hoofd raakte leeg. En toen kwam de stem. 

“Welkom, fijn dat je er bent.”

Ik hoorde de stem niet, ik voelde hem. Ik wist wat er tegen me gezegd werd, ik kreeg zelfs de woordvolgorde, de intonatie en de klank mee. En toch hoorde ik geen stem. Dit alles was een weten dat diep van binnen kwam. Een stuk waar ik op dat moment niet makkelijk meer bij kon maar waar ik nu weer contact mee kreeg. Dit was het weten dat ik als kind had, dit was Knorrepoet die tegen me sprak ‘s avonds in bed. Een stem van binnen, en tegelijk voelde het alsof het hele universum me aansprak.

Toen ik naar de dieren keek had ik me een indringer, een buitenstaander gevoeld, zoals ik me altijd en overal een buitenstaander voelde. Er was alleen een plek op de wereld voor mij als ik mezelf klein maakte, me onzichtbaar stil hield, zo stil dat zelfs een ree de open plek op durfde. Dat was al jarenlang mijn lot, mijn doel, mijn bescherming, mijn bestaansrecht: onzichtbaar zijn. Met heel af en toe een ontmoeting waarin ik gezien mocht worden. En nu werd ik plotseling zomaar gezien? Welkom geheten zelfs? Door het alles? Dat wilde mijn hoofd niet geloven, dat kón mijn hoofd niet geloven.

“Maar ik ben een indringer, hoe kan ik welkom zijn?”

“Welnee, je bent geen indringer, je bent een van ons.”
“Hoe kan ik een van jullie zijn. Ik ben mens, de vijand van de natuur, wij zijn degenen die alles kapot maken.”

“Geloof jij niet dat mensen ook gewoon een deel van de natuur zijn? Geloof je niet dat je er bij hoort, dat je waardevol bent, niet om wat je doet, maar om wie je bent? Omdát je bent?”

Er volgde een woordeloze, nietes welles, waarbij de welles zo zacht en overtuigend was, zo bereid mij op te nemen, te dragen, zo blij met mij, dat ik niet anders kon dan me daar aan overgeven. De stem voelde als een paar armen. Ik liet me dragen, ik liet me wiegen. 

Alles viel van me af. Alles was goed. Ik was een met alles, ik was het hert op de weide, de boom waar ik met mijn rug tegenaan zat, ik kon mezelf over de hele wereld uitstrekken. Ik was.

 

“Kom in je eigen tempo terug”, zeggen ze altijd na meditaties en dat is wat ik deed. Nog onder de indruk liep ik het bos door naar mijn fiets, en liet me vanaf de hoogte van het Bennekoms bos naar mijn flat rijden.

Angst loslaten

Nu kan ik het. Die knagende angst loslaten, de angst dat het Coronavirus mijn operatie gaat dwarsbomen, de geslachtsveranderende operatie waar ik al bijna drie jaar op wacht. De angst die al wekenlang op de achtergrond zit, al vanaf de eerste Corona in Europa.

Steeds opnieuw zijn er dingen om los te laten. Steeds opnieuw blijkt er iets te zijn dat ik kan verliezen. En, gelukkig, steeds opnieuw besef ik: ik heb niets te verliezen.

Ik voel geluk door me heen stromen. Dankbaarheid voor wat ik heb bereikt. Ik ben de vrouw die ik in me had, en god wat is ze mooi, lief, grappig, wijs. Die vrouw kan ik helemaal nooit meer verliezen. Die vrouw is voor altijd bij me.

Ik ben dankbaar, en in mij is nu geen ruimte meer voor angst.

(Twee dagen later hoorde ik dat mijn operatie inderdaad niet door zou gaan)

ik bedoel het niet zo

Ik ben soms bot, laat mensen schrikken, deel soms klappen uit. En dat wil ik niet. Ik wil zorgen dat ik dat niet meer doe, maar ik wil wel graag iets uitleggen, want het is niet zo eenvoudig.

Het gebeurt als ik ongevraagd advies krijg, of als mensen onnadenkend zijn in taalgebruik (in mijn geval over trans mensen).

Nu kan ik in beide gevallen een betoog geven dat het niet oké is, dat ongevraagd advies eigenlijk heel opdringerig is, en dat je heel veel aannames doet die je niet hebt gecheckt. Dat ondoordacht taalgebruik niet fijn is, dat het ondoordachte ervan er juist op wijst dat je je niet inleeft in de wereld van gemarginaliseerde groepen.

Maar dat is activisme. Dat moet er zijn, en ik ben blij en eindeloos dankbaar dat er mensen zijn die dit doen. Ze hebben voor mij de weg geplaveid. Maar activisme is niet mij. Ik voel me er niet goed bij. Ik zou op rustige toon willen vertellen waarom iets me raakt. Want in verreweg de meeste gevallen bedoelen mensen het goed en willen ze me juist de hand reiken.

Ik wil het anders, maar het lukt me niet. En dat heeft te maken met mijn geschiedenis.

Ik ben mijn leven lang onzichtbaar geweest.  Ik ben als kind steeds opnieuw zo vreselijk geschrokken van de negatieve reacties op hoe ik was, dat mijn hersenen het hebben overgenomen. Dat nooit weer. Nooit weer die vreselijke pijn van afwijzing. Ik bouwde een fijnmazig net dat er voor moest zorgen dat ik onzichtbaar werd. Nergens opvallen, altijd de juiste dingen zeggen. Ik werd daar heel erg goed in.

Ik was dus vroeger juist heel erg goed in het omgaan met opmerkingen die schuurden.

Het eerste wat ik deed was alles naar mij toetrekken. Als er iets schuurde was dat mijn fout. Het incident kwam op een interne lijst: “nooit meer zo aanpakken”.

Het tweede wat ik deed was de ander gerust stellen. En als ik dat heel goed gedaan had, voelde ik of er ruimte was voor wat er bij mij schuurde. Ik zorgde dat ik dat netjes verpakte in een ik-boodschap. Het was mijn ding, niet de schuld van de ander.

Nu pas voel ik hoeveel schade ik mezelf hiermee heb aangedaan. Hoe vreselijk vast ik zat in dit patroon van opgelegde schaamte. Zelfs toen ik steeds zichtbaarder werd, en leerde om lak te hebben aan meningen van anderen, zelfs toen was het er nog: een stemmetje in me die me vertelde dat ik dit eigenlijk niet kon maken. Zelfs na mijn transitie bleef dit patroon in stand.

Niet lang geleden heb ik in een sessie afgerekend met die stem. Hoe is niet zo belangrijk. Ik denk dat alles wat ik hiervoor deed eindelijk op zijn plek viel en dat ik klaar was om deze stap te zetten.

Het is alsof ik in een andere wereld kom. Ik snap met terugwerkende kracht niet hoe ik het heb volgehouden om mezelf zó klein te maken.

En ik doe het dus niet meer. Ik laat het me niet meer gebeuren dat ik me verontschuldig omdat een ander mijn grenzen over gaat.

Maar ik heb twee problemen.

Ten eerste, dit gedrag is nieuw voor me. Aardig zijn, dat kan ik, daar heb ik vijftig jaar in geoefend. Duidelijk zijn is nieuw voor me. Ik stuntel.

Ten tweede, de mensen waar ik mee bots, die het zo goed bedoelen, lopen vaak enorm achter in informatie. Ze hebben vaak geen notie van de dingen waar ik tegen aan loop. Ik was niet voor niets onzichtbaar. Ik ben anders. Mijn hersens werken anders, en ik ben een vrouw die opgegroeid is met denken dat ze een man is. Mijn ervaringen zijn niet voorstelbaar. Mensen hebben dus ook geen flauw idee van de grenzen zie ze over gaan, dus als ik ze zeg dat ze een grens over gaan is hun eerste reactie: “hoezo, welke grens?”

En áls ze dan beseffen dat ze ongemerkt een grens zijn overgegaan, voelen ze zich ongemakkelijk. En ik ben degene die hun ongemak weg moet nemen voordat het gesprek verder kan. Dat was wat ik altijd deed, en het is niet wat ik nog wil doen.

Maar hoe maakt ik ze dat duidelijk?

Het voelt voor mij nog steeds niet goed als anderen schrikken. En tegelijkertijd is het juist goed als mensen schrikken. Want schrikken is leren. Het is alleen zo jammer dat het gesprek dan stopt. Het zou fijn zijn als mensen dit al eerder weten. Dan weten we wat er gebeurt als ons gesprek schuurt, en dan kunnen we daar iets mee.

Daarom zou ik het fijn vinden als dit blog veel gelezen werd. Ik ben niet de enige die hier tegenaan loopt.

 

vrouwendag

Vrouwendag komt er aan. Het functioneert elk jaar al een soort van ijkpunt in het proces van mijn vrouw zijn. Het eerste jaar voelde ik me buitenstaander, hooguit een ally. Het tweede jaar voelde ik me vrouw. Ik had al veel gedaan, mijn naam officieel gewijzigd, begonnen met laseren, en net een maand hormonen. Mijn officiële traject bij het VUMC was nog maar net begonnen. Ik durfde voorzichtig aan mezelf te zeggen dat dit ook mijn dag is. Op de derde vrouwendag legde ik die voorzichtigheid af, ik was zelfs spreker in Delft. En nu komt de vierde vrouwendag er aan, en nog steeds voel ik toch een kleine ‘pang’, “ik ben anders”. Maar dit jaar voelde ik er iets naast. Ik voel dat het oké is om anders te zijn als cis-vrouwen. Sterker nog, mijn anders zijn heeft te maken met mijn bedoeling hier op aarde. Ik krijg zwaartekracht. Ik hoef niet ergens bij te horen om er te zijn. En nu de noodzaak weg is, kan ik ruimte maken voor een andere vorm van erbij horen. Ik ben vrouw op mijn eigen unieke manier, zoals natuurlijk elke vrouw dat is.

2 maart 2020

Ik had mijn hele leven lang een hele diepe interne overtuiging dat ik alleen getolereerd werd als ik mezelf onzichtbaar maakte. Laat staan dat ik me welkom voelde. (Dat ik me op sommige plekken en bij sommige mensen welkom kon voelen zegt heel erg veel over die plekken en die mensen). Ik heb de afgelopen jaren hard gewerkt aan zichtbaar worden en er mogen zijn. Mijn transitie is daar een gevolg van en ook een boost in mijn volgende stappen. Ik voelde steeds meer eigenliefde. Maar het was heel hard werken. En steeds was daar op de achtergrond een hele geniepige, snijdende “je verdient het niet”. Hoe groter mijn geluk, hoe feller deze in me sneed. Toen ik stopte met alle compensatie technieken, die me gerust moesten stellen dat ik er best mocht zijn, volgende er diepe depressieve periodes. Gisteren heb ik met behulp van iemand die interne overtuiging ongeldig verklaard. Hoe, dat doet er niet toe, er zijn vele manieren. Wat er toe doet is dat ik er klaar voor was. En het werkt. Die onzichtbare wurggreep is verdwenen. Wat ik vroeger tegen wil en dank met erg veel energie voor elkaar kreeg is nu een gegeven. Ik voel me licht en dankbaar. Ik ben er. Helemaal. Eindelijk.

Vertrouwen

In 1999 dacht ik er voor het eerst over om voor mezelf te beginnen. Ik besprak dit met mijn baas en ik mocht van hem naar de startersbeurs van de Kamer Van Koophandel. Daar luisterde ik naar de lezing van Marinus Knoope over de creatiespiraal. Die kwam diep binnen. Vanaf dát moment zou ik op zoek zijn naar de wens in mij die groot genoeg zou zijn om hem te realiseren. 

Ik heb er twintig jaar lang aan lopen trekken.

Maar dat zie ik nu pas. Ik dacht destijds dat het allemaal heel diep vanuit mijn binnenste kwam. Wat er diep in mijn binnenste zat was de wens om gezien te worden. Ik vertaalde dat als werken aan een wereld waar iedereen gezien wordt. Een streven zo nobel dat het twintig jaar heeft geduurd voordat ik besefte dat ik dat gewoon eerst voor mezelf mocht gaan regelen.

Ik heb vorig jaar losgelaten. Ik had met mijn transitie al zo vreselijk veel losgelaten, maar er bleek vorig jaar ook nog heel veel te zitten. Ik ben door diepdonkere kuilen gegaan, ik heb gezworven op kale, mistige vlaktes zonder horizon, ik mijn uitputting gevoeld.

En nu is het tijd om die ene les van de creatiespiraal te leren, de les die ik al twintig jaar snapte, maar nu pas voel.  Ontvangen – waarderen – ontspannen.

Elke mooie theorie is waar, maar we kunnen vanuit waar we op dat moment staan, alleen ons eigen perspectief op die waarheid zien.

Want god, wat blijkt dat moeilijk. Ontvangen – waarderen – ontspannen.

Ik ben aan het graven naar het grenzeloze vertrouwen dat ik als kind had, dwars door de rijstebrijberg van al mijn vermijdingstechnieken heen. 

Gisteren kreeg ik een brief van de Vereniging van Eigenaren met het plan om als flat los te komen van het gas, een investering wat inhoudt dat mijn maandlasten met 250 euro per maand omhoog gaan. Dat betekent voor mij dat ik de hypotheek niet meer kan opbrengen. Lager dan ik nu betaal, bestaat niet, op de woningmarkt. Paniek! Want bij alles wat ik had losgelaten had ik eindelijk een thuisbasis, mijn flatje. Ik wilde van hieruit ontspannen, mezelf de tijd gunnen, wandelen door mijn mooie bossen en uiterwaarden. Nu moet er dus binnen een jaar voldoende geld op de plank komen. 

De paniek is intussen weer weg. Ik ben weer terug bij mijn vertrouwen. Echt vertrouwen jeukt vreselijk aan de stem in mij die al mijn hele leven voor me zorgt en vecht. Ik laat het jeuken en ik ga niet krabben.

 

Omdenken

 

Misschien ben ik wel de enige, maar daar geloof ik stiekem niks van. Ik wil iets kwijt over alle wijsheden die al weer een tijdje als memes ons om de oren vliegen. Die wijsheden zelf zijn trouwens al zo oud als de mensheid. En ze zijn vaak waar. En dat is nu net het probleem. Bij de mooiste waarheden voel je direct aan je water hoe waar ze zijn. Neem nu deze: “Verander de dingen die je kunt veranderen en accepteer de dingen die je niet kunt veranderen.” Er zijn oneindig veel van dit soort omdenkers die laten zien dat veel problemen zich vormen in ons eigen hoofd, en dat we dus de macht hebben om ze ook weer weg te denken.

Mijn probleem is dat ik daar te goed in ben geworden. Zó goed dat ik alle ongemak zo snel wegdenk dat mijn gevoel niet eens de kans krijgt om er aan te proeven. En áls ik het ongemak wel voel wordt dat steevast vergezeld van een groot schuldgevoel omdat het er miet mag zijn.

Gisteren werd het platform waar mijn bus naar huis altijd van vertrekt, gebruikt voor de bussen van de NS die gestrande treinreizigers naar Nijmegen brachten. Dat liep geolied, maar nergens was duidelijk waar mijn bus dan wel zou vertrekken. Gevalletje accepteren, want ik kan hier niets aan veranderen. Gisteren voelde ik voor het eerst mijn ongemak over dingen die niet lopen zoals ik gewend ben. Daarvoor had ik dat nooit toegelaten, want het had geen zin, ik had het te accepteren. Ik heb dus ook nooit geweten dat ik niet goed tegen veranderingen kan want dat was het gevoel dat ik als eerste weg duwde. Ik sta op de wachtlijst bij het expertise centrum voor autisme. Dat vermoeden ontstond pas vorig jaar, toen ik begon met dingen te voelen voor ik ze razendsnel om dacht. Ik ontdekte namelijk veel meer van dit soort eigenaardigheden. (Mijn woordkeus, omdat ik ze stuk voor stuk in eerste instantie helemaal niet bij mezelf vind passen)

Weet je, dat omdenken is niet verkeerd. Ik wil best alsnog leren te accepteren dat mijn bus niet altijd van dezelfde plek vertrekt. Maar ik wil potverdikkie eerst respect voor het stuk in mij dat het daar moeilijk mee heeft. Ik wil mezelf accepteren voordat ik er aan toe ben om de wereld te accepteren. De omgekeerde weg heeft me geen goed gedaan.

Ik was dus blij met mijn irritatie. Ik heb mezelf wel voorgenomen dat ik in het vervolg, ondanks mijn irritatie, aardig blijf, want ik heb gisteren een beetje gemopperd tegen de wegwijzers op het station toen ze me niet konden vertellen waar mijn bus ging. Sorry.