Selecteer een pagina

Ze had zich in september ziekgemeld. Daar had ze zich toen nog schuldig over gevoeld, alsof ze onder haar sollicitatieplichten probeerde uit te komen. Ze was niet ziek, alleen maar heel erg uitgeput. Eerder dat jaar had ze een minor breakdown gehad, maar die had ze weggeslikt om daarna weer haar tanden op elkaar te doen. Haar contract was niet verlengd, maar ze had verwacht dat ze na de zomervakantie zo weer ergens in zou kunnen stromen. Maar de zomervakantie had geen rust gebracht, ze was er alleen maar nog vermoeider uit gekomen. En pas na haar ziekmelding stortte ze helemaal in. Het besef drong tot haar door dat ze nog steeds alles vanuit perfectionisme deed. Dat was confronterend, want ze had gedacht dat ze na een eerdere burn-out mee had afgerekend. Het zat dus dieper dan ze wist, veel dieper, vermoedde ze. Ze had zich via de huisarts aangemeld bij specialistische geestelijke zorg, een hele grote stap, want ze had dit in het verleden altijd weten te vermijden. Er was toch niks mis met haar? Ze had intussen zoveel vriendinnen en vrienden die geestelijk hulp nodig hadden dat ze best wist dat dat helemaal niet vreemd was. En toch, het was iets voor anderen, zij had immers een goede coach gehad? Dat was afgelopen jaar. Ze had zich inmiddels verzoend met het feit dat ze wat dieper moest graven, ze zag er inmiddels naar uit, maar ja . . . wachtlijsten. Het was januari, en de intake zou pas augustus zijn.

 

En toen kwam de oproep van het UWV. Psychologisch onderzoek. Haar buik kriebelde van de spanning. Vertrouwden ze haar niet? Vonden ze misschien dat ze zich aanstelde? Waarom kon ze niet even met rust gelaten worden? En tegelijkertijd voelde ze zich schuldig, dat er door die wachtlijst nog een half jaar niks zou gebeuren. “Er gebeurd juist ontzettend veel!” zei een andere stem in haar hoofd: “Kijk eens naar alles wat je aan het loslaten bent!” 

Dat was waar, maar dat telde natuurlijk niet voor het UWV.

De afspraak was in een hele hoge kantoortoren boven het station. Ze zou een bus eerder nemen, want hoewel ze regelmatig op dat station kwam, had ze geen idee waar de ingang van die toren was. Het stormde en een horizontale regen sloeg haar in het gezicht. Ondanks het kleine stukje straat dat ze over moest steken meldde ze zich nat bij de balie. Goed dat ze zo vroeg was.

 

Ze werd door een aardige vrouw, de psychologe, meegenomen naar de 13e verdieping, een adembenemend uitzicht. En, belangrijk, ze kon tijdens het gesprek wegkijken, de verte in. 

 

Het gesprek ging goed, ze voelde zich gezien. Het was niet eens erg dat haar vriendin die ze gevraagd had om erbij te zijn er nog niet was (die moest eerst haar zoontje naar school brengen, dus ze wist al dat ze later zou zijn). Toen haar vriendin binnen was, werd het gesprek even gepauzeerd, en er was een vragenlijst om in te vullen.

 

Het tweede gedeelte werd overgenomen door de psychiater. Ze was een strenge verschijning, gaf een korte handdruk en begon direct met het stellen van haar vragen, om nog wat gaten op te vullen, zoals ze zei. Dit was een totale omslag ten opzichte van daarnet. Ze voelde zich verkrampen, maar schonk daar in eerste instantie geen aandacht aan, want er waren vragen die beantwoord moesten worden, en de strenge blik boven de leesbril zei haar dat dat met zorgvuldig gekozen woorden moest. Het was niet alleen de strenge blik, te lange voorbeelden werden afgekapt, en ze voelde zich steeds meer verkrampt. Wat ze ook deed, ze kreeg geen begrijpende glimlach op de lippen van deze ondervraagster. En ze was aanvankelijk nog zo blij geweest toen ze las dat de psycholoog en de psychiater vrouwen waren.

 

En toen kwam de vraag: “Wat is het waar je op dit moment het meeste last van hebt?” Toen pas voelde ze haar lichaam, waar de spanning al een tijd aan het opbouwen was. Ze keek naar haar vriendin, en zag daar een blik die zei: “Toe maar, vertrouw op jezelf.”

“Op dit moment word ik vreselijk getriggerd door uw houding. Ik weet dat u het niet bedoeld, maar ik voel me vreselijk klein.”

En met dat ze deze woorden uitsprak voelde zich het kleine kind, dat zo vreselijk bang was. Ze voelde hoe ze deze angst een levenlang met zich mee droeg. Ze voelde alle momenten waarop ze zich tegenover mensen met een autoriteit zich steevast tekort voelde schieten. Alle momenten waarop ze niet mocht zijn zoals ze was.

Schokschouderend begon ze te huilen. Met gebroken stem vertelde hoe vreselijk bang ze was. En ze voelde de angst. Eindelijk voelde ze alle angst die ze zichzelf nooit had toegestaan. Ze had geweten van haar angst, ze had zelfs gedacht dat ze een manier had gevonden om er mee om te gaan, maar ze had haar angst nooit echt gevoeld.

 

Het onderzoek werd haastig afgerond, het rapport zou volgen. In de hal kwam ze langzaam tot rust in de armen van haar vriendin.

 

Buiten sloeg de regen in haar gezicht. Ze pakte geen paraplu, de regen voelde bevrijdend.



 

naschrift:

 

Ik besef nu pas wat het ook zo bijzonder maakte:
Ik kon het kind, het verdriet, de angst, alles er laten zijn zonder oordeel. Ik zag ook dat ik het was die getriggerd werd, en dat die psychiater de trigger was en er verder niets mee te maken had. Ik voelde ook geen boosheid. Voor het eerst projecteerde ik in zo’n situatie mijn gevoelens niet op een ander, zoals ik dat in al die andere gevallen dat wel deed.
Dat was mijn manier om deze pijn niet te hoeven voelen, boosheid op de ander en zo goed mogelijk mijn ‘zaak’ bevechten. Dat is waarom ik de pijn kon voelen, omdat ik dat allemaal nu niet deed. Of deed ik het niet omdat ik de pijn toeliet? Ik denk beide.