Selecteer een pagina

Ze zit in de bibliotheek, compleet geïnstalleerd met alles om haar heen, een beker water, een broodje in een zakje, een leesboek en een leerboek. Ze wil graag een nieuwe programmeertaal leren, iets waar ze haar hersens mee kan kraken, en ook iets waarmee ze iets kan bouwen. Er is genoeg afgebroken, het laatste jaar. Nee, zo moet ze het niet zien, ze heeft losgelaten, en dat is mooi. Maar het is ook leeg, angstaanjagend leeg. Ze is vastbesloten die leegte niet langer te vullen met wereldreddende dromen. Ze was altijd boos geweest als mensen haar een luchtfietser noemden, bouwer van luchtkastelen. Nu ziet ze dat ze gelijk hadden, zij het op een andere manier dan ze bedoelden. De lucht waarop ze haar kastelen bouwde was haar eigenwaarde geweest. De enige manier waarop ze haar plek op de wereld verdiende was iets groots kunnen betekenen voor anderen, alsof ze een oerschuld had die ingelost moest worden. Dat loslaten was een groot werk geweest. Ze had het gevoel gehad dat zíj het was, die losgelaten werd. Stuurloos was ze overgeleverd geweest aan diepdonkere buien. En die waren nog niet eens het ergste, de loodgrijze mist die haar alle zin in alles ontnam was huiveringwekkend. Ze was geschrokken hoe makkelijk ze kon beslissen om in die buien dan maar uit het leen te stappen, ze was zelfs al zo ver dat ze was gaan fantaseren hoe dan. Ze gingen altijd over, de buien, en ze kwamen ook altijd terug. Maar nu zijn ze al ruim een week weggebleven, en ze voelt zich goed. Het programmeerboek op haar schoot geeft rust. Hier zijn de dingen zoals ze zijn. Hier heerst een ijzeren logica waar je altijd op terug kunt vallen. Hier is een fundament waarop je kon bouwen, letterlijk. Geen luchtkastelen maar iets waar je echt wat aan hebt.

Toch is ze afgeleid. Het nieuwe leesboek dat ze net gekocht heeft voor een boekenbon van haar verjaardag schreeuwt om aandacht, en ze heeft alle social media weer op haar telefoon gezet. Ze had die eraf gehaald omdat ze op een of andere manier vond dat ze alleen uit de put moest klimmen.

Een berichtje, van een dierbare vriendin. Ze prijst zichzelf gelukkig met een stel hele goede vriendinnen. Ze waren in de donkere tijden het enige houvast geweest. “Heb je zin om voor je verjaardag uit eten te aan?” Ze is niet zo goed in spontane acties, maar nu voelt ze zich niet overvallen. Ze had zich toch al afgevraagd of ze niet ergens een hapje zou halen. Anderhalve week donkere-bui-vrij was iets om te vieren, of is ze bang om alleen naar huis te gaan? Ze antwoord bevestigend, en begint haar uitgestalde spullen langzaamaan weer terug te doen in haar tas, en loopt naar buiten om haar vriendin te ontmoeten.

Het is vroeg, en haar vriendin wilde nog even shoppen. In de tweede winkel voelt ze onrust. Hier wil ze niet zijn. Dat haar vriendin in de uitverkoop een paar sportschoenen wild scoren snapt ze best, maar dit is een winkel waar ze zich niet fijn voelt. Ze is dankbaar voor dit besef, dit was een van de gevoelens die ze vroeger had genegeerd. Nu ze het toelaat voelt ze het duidelijk: ze moet hier weg, zo snel mogelijk. Het duurt te lang voordat haar vriendin stralend terugkomt met een tas vol schoenen. “Ik vind je een schat, maar we moeten niet meer samen shoppen. Je bent een wervelwind en ik voel me als klein kind meegesleept door haar moeder naar winkels waar ze niet wil zijn.” Ze zegt het hardop. Zoveel vertrouwen had ze intussen wel in haar vriendschappen. Het vertrouwen wordt niet beschaamd. Ze krijgt een knuffel. “Dan is dit de laatste winkel gaan we dat de volgende keer anders doen.”

Het eten is heerlijk, en op de terugweg naar de auto (ze wordt thuisgebracht), krijgt ze nog een hele mooie ring ook. Een dag met een gouden randje.

Thuisgekomen blijft ze even nagenieten op de bank. De bank waar ze zo vaak had gezeten, huilend van wanhoop en verdriet, snakkend naar een arm om haar heen om haar te troosten. Ook nu snakt ze naar een arm. Wat zou het toch fijn zijn als ze iemand had waarmee ze ook haar geluk kon delen.