Selecteer een pagina

ik was degene

die mij voor zich uit droeg

voorzichtig langs het slingerpad

en nu schilder ik

glanzend mijn omtrek vrij

eindelijk zie ik mij

ik doe een stap terug

en kijk

ik ben klaar om mij los te laten

en mijn schittering te zien

ik droeg geen masker

ik droeg mezelf

behoedzaam rondom aangevat

om mij te beschermen

(vrij naar “De akelei” van Ida Gerhardt)

Toen mijn dochter, Fenna, 5 jaar was wilde ze naar school in verkleedkleren. Niet als prinses of wat dan ook, maar met de creatie die ze zelf bij elkaar had gerommeld, als aanvulling op haar ‘gewone’ kleren. Ze zag er leuk uit, een beetje als Cindy Lauper. Ik was trots op haar, mijn dochter was zo ontzettend haar unieke zelf, met meer lef dan ik ooit had. Natuurlijk vond ik het goed en ik zette haar op de fiets zoals ze was. Toen ik haar bij school van de fiets tilde, wilde ze niet verder. Ze durfde het schoolplein niet op. Alle verkleedversiersels moesten uit, tot de laatste strik. Mijn hart deed pijn. Zelfs mijn stoere dochter was niet opgewassen tegen de groepsnorm om niet buiten de lijntjes te kleuren.

Je moet ver van huis om te ontdekken dat de schat begraven is onder de haard in je eigen huis. Dat vertelt het oude volksverhaal “Het paaltje van Oosterlittens” en het is een bekend thema. Je moet jezelf eerst kwijt raken om jezelf terug te kunnen vinden. Het is dus onontkoombaar, en toch . . .

Ik raakte te ver van huis, en verdwaalde. Als gevoelig kind pikte ik alle signalen op die er op wezen dat ik niet in de hokjes paste. Ik leverde langzaam maar zeker alles in. Het trieste is dat ik de stukjes die het meest afweken, mijn mooiste stukjes, het eerst en het meest grondig uitwiste. Ik heb me nooit anders voorgedaan dan ik ben. Ik wist dat ik daarin vreselijk op mijn bek zou gaan, en iets in mij wilde het lijntje met mijn echte zelf niet breken. Wat ik deed was leren om onzichtbaar te zijn. Ik deed dat zo goed dat ik de barsten die ontstonden, als ik het even niet volhield, snel kon repareren. Niemand zag mijn strijd. Nooit ontspoorde ik ver genoeg om argwaan te wekken. Maar als je nooit valt is er ook nooit iemand om je overeind te helpen. Ik heb tot nu toe alles alleen gedaan, en ik ben moe. Ik laat nu de barsten ontstaan, en zoek de hulp die ik nodig heb.

Dit boek gaat over mijn transitie, maar veel meer nog dan dat gaat het om het proces dat mogelijk maakte dat ik pas op mijn 55e ontdekte dat ik transgender was. Het gaat over eenieder die zo lang onder de radar bleef vliegen. Iedereen die zo mooi uniek was dat ze hun kleuren wel moesten verbergen en iedereen die daar zo goed in werd, dat ze alles alleen deed.

De verzameling verhalen in dit boek zijn een ode aan eenieder die zichzelf hierheen droeg, behoedzaam rondom aangevat.