Selecteer een pagina

Ik was als kind altijd autoziek. Op lange ritten zat ik aan de rechterkant, want er kwam steevast het moment waarop ik moest overgeven, en mijn ouders wisten intussen dat dat geen uitstel verdroeg. Waar bij op het “ik moet plassen” nog een “hoe lang kun je het nog volhouden?” volgde, werd er bij mijn noodkreet onmiddellijk naar de berm gestuurd. Gelukkig waren er in mijn jeugd nog niet zo veel snelwegen. Ik heb veel bermen gezien, ze smaken allemaal hetzelfde.

Op korte ritten kon ik me goed houden. Uitstappen voelde altijd als een bevrijding, maar ik voelde me daarna nog vaak lang slap en wankel. Het kostte me veel energie om alles daarbinnen op zijn plek te houden. Niet naar buiten kijken werd direct bestraft, en ik hield het bochtenwerk goed in de gaten. Ik had inmiddels ontdekt dat het tikken van de richtingaanwijzer het waarschuwingssignaal was voor een bocht, en op een gegeven moment ontdekte ik iets nog beters. Op het dashboard zag ik een lampje in de vorm van een pijltje. Het wees naar rechts. En ja hoor! Het ging knipperend branden, tegelijk met het tikkende geluid van de richtingaanwijzer. Dat ik het andere lampje niet kon zien maakte niet uit. Geluid zonder dat het voor mij zichtbare lampje brandde betekende natuurlijk linksaf. Behalve dat me dit enorm hielp met mijn ingewanden-evenwichtskunst, gaf het me ook een gevoel van macht. Ik had een geheim ontdekt. Als we nu in onbekend gebied reden was ik degene die tenminste wist wat de eerstvolgende richting zou worden!

Wat voelde ik me verraden toen de auto de eerste keer na mijn ontdekking linksaf ging, terwijl heel duidelijk het pijltje van rechts knipperde. Ik snapte er ook helemaal niets van. Was de auto kapot? Of was dit weer een van die rare dingen van de volwassen wereld waarmee ze kinderen buitenspel zetten? 

Het antwoord zou ik pas later ontdekken, en het was amper bevredigend. Ik zat alleen op de achterbank en kon dus tussen de twee voorstoelen in zitten, en naar voren leunen. Autogordels bestonden nog amper, laat staan dat ze verplicht waren. Nu had ik zicht op het andere lampje, dat was inderdaad een pijltje naar links. Maar bij elke bocht, of die nu naar links of rechts was, brandden beide lampjes! Het raadsel was opgelost, maar nog steeds bleef ik zitten met een vraag. Wat was het nut van twee lampjes, als ze beiden tegelijk knipperden, ongeacht de richting die werd aangegeven. Ik kon me als kind nog niet verplaatsen in de bestuurder die de lichtsignalering niet nodig heeft als informatie over de richting, maar alleen als extra seintje dat de richtingaanwijzer nog aan staat. Wat ik er aan over hield was het angstige gevoel dat de wereld nóg ondoorgrondelijker was dan ik al wist, en dat ik nooit meer kon vertrouwen op mijn eigen logica. Hoe kon ik een wereld begrijpen als zelfs dit soort fundamentele dingen al fout gingen? Hoe moest ik me staande houden? Na die rit stapte ik uit met meer onzekerheid in mijn benen dan ooit.