mijn lichaam in lockdown

Ik zit in lockdown met mijn lichaam
het lichaam dat ik drie jaar geleden leerde kennen.
Het lichaam waarvan ik ben gaan houden.
Het lichaam dat heel misschien ooit
wél seks zou kunnen beleven.
Want de kleine correctie die daarvoor nodig was
zou volgende week al zijn
(we schrijven 16 maart 2020)
deze zelfde maandag, een week later
zou ik wakker worden
met een lijf dat helemaal van mij was.

En toen kwam die lockdown
en mijn lichaam sloot zich daarbeneden.
lock down
Het wandelt en het streelt
maar tussen mijn benen blijft het droog.

Ik zit in lockdown met mijn lichaam
en het eind is niet in zicht.

 

 

 

(I know, drama blog. Maar dat mag want het doet zeer)

Blokkeer je dan?

Afgelopen maandag had ik het eerste grote interview van mijn diagnosetraject bij het expertisecentrum voor autisme.

Zo veel vragen waarvan ik in eerste instantie denk: “nee, dat doe ik niet.” en dan later besef dat het wel degelijk betrekking heeft op mij.

Voorbeeldje.

Of ik een dagelijks ritme heb.

Ik zie mezelf als een chaoot. Nergens in huis zul je bij mij een whiteboard zien of een andere manier om een dagindeling zichtbaar te maken. Maar ik heb die dagindeling dus wel.

Elke week heb ik in mijn hoofd hoe de week in elkaar zit. Toen ik saai elke-dag-bureau-werk had, had ik voor mezelf niet eens een agenda. Alle afspraken en gebeurtenissen buiten mijn werk stonden als in een soort 3D plaatje in mijn hoofd gegrift. Met ruime blokken tijd er om heen, alsjeblieft geen gebeurtenissen vlak op elkaar.

Zo heb ik ook elke avond in mijn hoofd hoe de volgende dag er uit ziet. Bij nieuwe dingen kijk ik net zo lang in mijn agenda tot de afspraken in mijn hoofd geprent zijn, en ik check vaak ook nog de mail en brieven of de tijdstippen wel kloppen.

En elke dag begint met rustig op de bank zitten met een kop koffie, minstens een half uur. Om dat voor elkaar te krijgen en ook nog een ruim schema aan te kunnen houden (ik ben overal te vroeg) ben ik jarenlang om 05.15 opgestaan. En  als ik geluk had met werk dichterbij was dat 05.45.

Dus ja! Ik heb wél een dagelijks ritme.

Of ik van streek raak als dat ritme verstoord wordt?

Ik herinner me een winterdag in 2019, toen het deurslot van mijn auto bevroren was, en die keer dat ik mijn wekker verkeerd had gezet.

Beide keren was ik op tijd op school, terwijl ik toch ruim drie kwartier moest rijden om daar te komen. Het voordeel van mijn ruime buffers. 

Maar beide keren was mijn dag helemaal stuk. Het verslapen kostte me mijn bank met koffie, het autoslot leverde enorm veel stress op, en ik miste mijn half uur voorbereiding op de lesdag in mijn lokaal.

Blokkeer je dan?

Ik wilde “nee” antwoorden, want niemand heeft iets aan me gezien, ik heb gewoon les gegeven. Ik was misschien wat minder spraakzaam en vriendelijk tegen collega’s, maar voor de kinderen was ik er 100%.

Maar “nee” is niet het juiste woord. Want in mijn lichaam kookt het. Alle stress systemen staan aan. Ik ben aan het overleven, en pas thuis stort ik helemaal in.

Ja, ik blokkeer. Maar ik schuif met enorme kracht die blokkade aan de kant want er rekenen mensen op me.

Dit heb ik ontelbare keren gedaan gedurende mijn hele leven. Ik heb gefunctioneerd onder omstandigheden waarin ik helemaal niet kán functioneren.

Ik heb nu die energie niet meer.

Het gebeurde me vrijdag in het ziekenhuis. Ik had een afspraak die ik moest verzetten omdat ik niet kon, oh ironie, omdat ik dan nog herstellende zou zijn van mijn operatie. Toen ik die afspraak verzette, aan de telefoon, wat ik vreselijk vind met mijn gehoor, vroeg ik een schriftelijke bevestiging. Die kreeg ik niet. Toen voelde ik al nattigheid. Ik heb tijd en datum wel drie keer herhaald en opgeschreven op de oorspronkelijke uitnodiging.  

Ik heb die zelfde vrijdag nog gebeld of het doorging. Ik had mijn fietstocht helemaal goed uitgestippeld, geen enge bussen. Ik was keurig op tijd in het ziekenhuis inclusief uit-hijgen (bergop) en nog ook ruimte voor de hele Corona screening.

En tóch ging het fout.

De verpleegkundige met wie de afspraak was, werkte die dag in Velp en niet in Rijnstate. Ik blokkeerde. Ik begon met mopperen, maar ik had gelukkig snel door dat dat niet zo aardig was.
“Gaat u even zitten, ik ga kijken wat ik voor u kan doen”.  Ik ben gaan zitten en ben vreselijk in huilen uitgebarsten, en daar was ik blij om. Huilen is een fijne manier van blokkeren. Van een lieve arts mocht ik even tussendoor, en ik heb die dag heel goed voor mezelf gezorgd.

Dus ja!

Ik blokkeer, en ik ga mezelf in het vervolg toestaan om dan in tranen uit te barsten en het niet meer te weten. Dat had ik een halve eeuw eerder willen kunnen.

Ik huil voor mijn oude ik. Ik huil omdat ik eindelijk niet meer hoef te kunnen wat ik helemaal niet kan. Ik huil omdat ik eindelijk mag huilen.

Lieve Emma, je mag best een dagje overslaan.

Ja, die van gisteren was kort, nou én?

woah, ho! Je wil?  Of moet je? Wees eens eerlijk?

Ah, ok. 

Andere vraag. Heb je de energie ervoor?

Zie?

Duss, gewoon een keer niet. Twee keer niet voor mijn part.

Nee!!! Ook niet even om uit te leggen waarom niet. Gewoon niks.

 

Wacht, ik hoor een toetsenbord! Je bent toch niet dit gesprek aan het . . .

zucht

Emma, lieverd wat moet ik nu met je.

Nee, ik weet geen leuke titel! 

Nou ksssjt!

Ga lezen, ga dr. Who kijken en snoep iets.

 

engelen

Mooie wandeling in de laatste warmte. Het mooie weer van de afgelopen dagen zal vandaag omslaan.  Vanmorgen al wolken, maar als ik de deur uit stap er is nog even zon.
Mijn berg over, naar het westen, in de lengte en helemaal boven blijven totdat het niet meer mogelijk is omdat de A50 hem genadeloos doormidden snijdt. 
Onderdoor de A50 weer omhoog de Noordberg op, en nog één keer door de uiterwaarden bij Renkum om mijn meidoorns te zien, te voelen maar vooral om ze te ruiken.

Ik ga even zitten en doe mijn ogen dicht. Het voelt zomers, maar dan met die heerlijke geur en de herrie van vogeltjes die je alleen in de lente hebt.

Als ik terug wandel pakken wolken zich samen.

Ik heb deze wandeling mijn voelen helemaal opengezet, ik wandel steeds vaker met mijn hele lijf.

Alles mocht er zijn,

de verpletterende schoonheid van mijn berg,

ik zal altijd woorden blijven zoeken om de schoonheid van mijn berg, mijn  toverberg, te beschrijven, en ze zullen altijd tekort schieten,

en de bergen verdriet binnenin.

Terug, thuis op de bank, in mijn hoekje onder mijn deken, kijkend naar mijn bomen.

Zo zacht als nu de regen valt.

Ik wieg mezelf, ik wrijf en aai en neurie mijn eigen valse mantra’s. Er trekt een kudde van gevoelens door mijn lijf.

Ik voel verdriet dat even heftig is als in mijn meest depressieve buien, maar nu voel ik ook mijn koesterende aanwezigheid, die me aait, en zegt: “Het is goed.”

Buiten is het steeds donkerder. Het heeft iets zomerachtigs, iets knus, deze regen met zoveel groen.

En dan zie ik het, een engel. Buiten op mijn balkon.

Vorig jaar was ik verrast door de tweede bloei van mijn eenjarige plant in mijn balkonbak. Dit jaar was hij echt verpieterd. Ik wil de bak opnieuw inrichten, maar ik mijd voorlopig de tuincentra dus ik liet de plant de plant. Ik gaf hem wel keurig water.

En zie

Puzzel

“Het lijkt wel of je een hele grote puzzel aan het leggen bent, als ik je blogs lees” schreef een vriendin.

Soms voelt dat zo. Het probleem is, ik heb een stapel met stukjes. Ik heb geen doos, geen voorbeeld en ik weet niet eens hoeveel stukjes mijn puzzel is. Ik heb geen kantjes en hoekjes, en ik heb het vermoeden dat er in die stapel stukjes zitten van veel meer puzzels.

Ik voel me soms nogal verloren met mijn gepuzzel. Ik leg mooie stukjes, maar waar horen ze bij?

Ik had donderdag mijn intake voor een diagnose traject. Ik had daar naar uitgekeken maar nu het zo ver is vraag ik me af of ik niet te hoge verwachtingen had van dat traject. Ik had gehoopt dat zij de rechte stukjes hadden, dat ze me zouden vertellen hoe groot de puzzel is, en dat ze een flink deel van de stapel zouden weghalen omdat die stukjes niet bij mijn puzzel horen.

En nu vraag ik me af of dat wel gaat gebeuren. Ik begin het vermoeden te krijgen dat ik een levenlang blijf puzzelen zonder ooit het resultaat te weten, eenvoudigweg omdat er geen resultaat is. Dat wat ik al puzzelende aan elkaar leg en er leuk uit ziet, dat is het.

En dan kom ik op een andere vriendin die me jaren geleden al zei dat het leven zo was. Dat je alleen maar hoefde te improviseren en dat het leven daardoor juist simpeler werd, nou ja, niet simpeler maar wel leuker.

Ik snapte dat. ik dacht zelfs dat het wat voor mij was.

Maar intussen heb ik stukjes van mijn puzzel gelegd en naar het plaatje gekeken. En uit dat plaatje blijkt dat ik helemaal niet zo van improviseren houd als ik dacht. Ik houd van voorspelbaar. 

Ik zou je een jaar geleden voor gek hebben verklaard als je dat over mij gezegd zou hebben. Ik vind voorspelbaar dodelijk saai.

En toch houd ik van voorspelbaar. Ik ben altijd op zoek naar de intrinsieke logica van dingen en processen en mensen. En daar bouw ik een verhaal omheen, een verhaal waar ik de wereld mee kan snappen. En als dingen dan niet meer kloppen met mijn verhaal raakt ik van slag.

Wat ik wél hoop te achterhalen in dat diagnose traject is: Heeft die manier van de wereld snappen te maken met de manier waarop mijn brein werkt, of is het een aangeleerd overlevingsmechanisme? En misschien is het wel beiden. Die puzzel wil ik nog wel leggen.

En dan snap ik dat ik me met de rest van al die stukjes maar moet over geven aan het freestyle puzzelen. Ik wil dat best proberen, maar ik ben daar, anders dan ik ooit dacht, dus helemaal niet goed in.

 

Wat ik intuïtief nu al weet:
Die puzzel waar ik aan leg, is de puzzel waar wij allemaal mee bezig zijn. Het is een heel kleurrijk schitterend geheel dat nooit af is, en steeds in beweging is. Die puzzel heet leven en heeft geen doos, geen voorbeeld, geen kantjes of hoekjes en oneindig veel stukjes.

Ziekenhuis Rijnstate

Ik fietste naar Rijnstate

en ik heb wel honderd keer 

geroepen, gefluisterd, gezongen

God, wat ben je mooi!

Want god wat was ze mooi,

de lente, het glooiende groen.

Met het zwoegen omhoog

langs de Schelmseweg

omcirkel ik Mariëndaal.

Oh landgoed in de diepte.

Dan via de Jacob Marislaan,

schilder van het Hollands licht

Door de Gulden Bodem

met zijn mooie chique huizen.

De Van Heemstralaan

denderend naar beneden.

Tussendoor twee grootse parken.

Groen in jacquet en hoepelrok.

En ik, kind uit een klein dorp

voel me nog steeds als in een grote film.

Midden in Arnhem en zo groen zo groen

tot om de hoek mijn bestemming.

Huidkanker is het, maar niet zo erg.

Het kan worden weggesneden.

Op de terugweg kocht ik troost.

Maar de fietstocht zelf was balsem voor mijn ziel.

verbond

Vandaag beloof ik mij eeuwige trouw.

Ik ben vanaf nu mijn eigen vrouw.

Het eeuwig zoeken heb ik gestaakt.

Ik vond wat nooit was kwijtgeraakt.

 

 

 

 

 

 

 

 

De Duizendmetertranen

Mijn drie dochters zaten op atletiek, en ik ben er actief geweest als jury coördinator en zelfs een tijdje als trainerscoördinator. Ik heb dus wat rondgelopen op de velden.

Ik leerde er over het 1000 meter hoestje en de 1000 meter tranen.

Dat hoestje, dat komt door het overmatig hijgen ken ik inmiddels als hellinghoestje bij het fietsen tegen mijn berg op. Dat kan wel een dag blijven hangen. Lastig in Corona-tijden.

Maar ik wil het hebben over de duizendmetertranen.

Ik zag ze elke keer weer bij wedstrijden op dit onderdeel. Kinderen die doodmoe in de armen van hun ouders vallen en in tranen uitbarsten. Die tranen hebben helemaal niets te maken met verdriet  of vreugde over de geleverde prestatie.

Eén van de juryleden, zelf hardloper legde het me uit. Het is pure uitputting. Die 1000 meter is een venijnige afstand. Het zit precies tussen de korte en de lange afstand in. Bij de korte afstand, de sprint, geef je gewoon meteen alles wat je hebt. Op de lange afstand spaar je je energie om wat over te houden voor de eindsprint. Maar op de 1000 meter moet je eigenlijk meteen voluit, je kunt niet rustig beginnen. Je moet dat heel veel langer volhouden dan op de korte afstand, en dan moet je óók nog die sprint. Doseren is vreselijk moeilijk en je loopt jezelf  helemaal leeg. Veel kinderen storten na de finish echt in. Hun benen houden het niet meer, hun hele lijf is op, en het lichaam huilt alle spanning er uit.

Een indrukwekkend beeld dat me bijgebleven is, een beeld dat goed beschrijft hoe ik me al een jaar voel.

Ik heb mijn leven gelopen als een 1000 meter. Ik heb niet gedoseerd, ik heb van vanaf het begin alles gegeven, en vorig jaar trok ik ook nog even dat sprintje.

Niet dat ik zo’n workaholic was, ik ben er vaak genoeg tussenuit geweest. Periodes van werkeloosheid en burn-outs. Maar altijd heb ik de druk gevoeld te moeten voldoen aan eisen van normaliteit. Nooit heb ik mezelf gegund anders te zijn. Altijd moest ik net normaal genoeg zijn om niet op te vallen. Daar ben ik vorig jaar pas mee gestopt. Ik ben nu eindelijk over de finishlijn. Ik trek me van niets of niemand meer iets aan. Maar ik ben heel erg moe van de race. Ik huil al maanden mijn duizendmetertranen.

Ik ben doodop

zó verschrikkelijk moe

het helpt ook niet dat ik intussen mijn voelen heb aangezet

ik kan gewoon even niet meer

mag ik nu ook die armen die me opvangen?

 

NASCHRIFT

En daar zijn de armen die me opvangen

Weet je nog dat ik zo heerlijk weg wilde kruipen in die boekjes over de seizoenen? Dat schreef ik hier.

Ik had inmiddels ook het verzameld werk van De la Mare gevonden bij De Slegte in Antwerpen. Die boekjes duren nog even en ook dat verzamelde werk verwachtte ik nog niet. Ik hoopte op zaterdag en keek verwachtingsvol naar de Track and Trace. Nog niet onderweg. Geeft niet. Ik was op en neer geweest naar het ziekenhuis in Arnhem (niet zo heel leuk nieuws but I’ll live) en had mezelf getrakteerd op een tompouce. Die post is druk bezig met moederdag, dacht ik en dat mag allemaal eerst, ik kan wel wachten. Ik troost mezelf wel vandaag, met een heerlijke zelfgemaakte pizza. En precies op dat moment ging de bel. De postbode, met het verzamelde werk van Walter de la Mare.

En dat is nóg een wonder. Ik heb thuis heel vaak mijn CI’s uit. Dan hoor ik geen bel. Vandaag had ik besloten ze in te houden omdat ik de hele dag lieve dingen tegen mezelf zeg, hardop, en die wil ik horen.

Het gedicht waar het me in eerste instantie om ging

 

 

 

Ik kruip vandaag heerlijk weg met de ouderwetse gedichten van Walter de la Mare. Ik ga genieten van het maken én eten van mijn pizza. Ik mag er een glas rosé bij en ik geniet ook nog even na van mijn fietstocht naar het ziekenhuis (zó mooi, langs park Mariëndaal, tussen parken Zijpendaal en Sonsbeek door)

Ik ben gezegend. Someone’s watching over me. En weet je wat? Dat overkomt me steeds op het moment dat ik de beslissing neem om over mezelf te waken.

Onthoud je dat, lieve Emma ?!