Selecteer een pagina

Mijn drie dochters zaten op atletiek, en ik ben er actief geweest als jury coördinator en zelfs een tijdje als trainerscoördinator. Ik heb dus wat rondgelopen op de velden.

Ik leerde er over het 1000 meter hoestje en de 1000 meter tranen.

Dat hoestje, dat komt door het overmatig hijgen ken ik inmiddels als hellinghoestje bij het fietsen tegen mijn berg op. Dat kan wel een dag blijven hangen. Lastig in Corona-tijden.

Maar ik wil het hebben over de duizendmetertranen.

Ik zag ze elke keer weer bij wedstrijden op dit onderdeel. Kinderen die doodmoe in de armen van hun ouders vallen en in tranen uitbarsten. Die tranen hebben helemaal niets te maken met verdriet  of vreugde over de geleverde prestatie.

Eén van de juryleden, zelf hardloper legde het me uit. Het is pure uitputting. Die 1000 meter is een venijnige afstand. Het zit precies tussen de korte en de lange afstand in. Bij de korte afstand, de sprint, geef je gewoon meteen alles wat je hebt. Op de lange afstand spaar je je energie om wat over te houden voor de eindsprint. Maar op de 1000 meter moet je eigenlijk meteen voluit, je kunt niet rustig beginnen. Je moet dat heel veel langer volhouden dan op de korte afstand, en dan moet je óók nog die sprint. Doseren is vreselijk moeilijk en je loopt jezelf  helemaal leeg. Veel kinderen storten na de finish echt in. Hun benen houden het niet meer, hun hele lijf is op, en het lichaam huilt alle spanning er uit.

Een indrukwekkend beeld dat me bijgebleven is, een beeld dat goed beschrijft hoe ik me al een jaar voel.

Ik heb mijn leven gelopen als een 1000 meter. Ik heb niet gedoseerd, ik heb van vanaf het begin alles gegeven, en vorig jaar trok ik ook nog even dat sprintje.

Niet dat ik zo’n workaholic was, ik ben er vaak genoeg tussenuit geweest. Periodes van werkeloosheid en burn-outs. Maar altijd heb ik de druk gevoeld te moeten voldoen aan eisen van normaliteit. Nooit heb ik mezelf gegund anders te zijn. Altijd moest ik net normaal genoeg zijn om niet op te vallen. Daar ben ik vorig jaar pas mee gestopt. Ik ben nu eindelijk over de finishlijn. Ik trek me van niets of niemand meer iets aan. Maar ik ben heel erg moe van de race. Ik huil al maanden mijn duizendmetertranen.

Ik ben doodop

zó verschrikkelijk moe

het helpt ook niet dat ik intussen mijn voelen heb aangezet

ik kan gewoon even niet meer

mag ik nu ook die armen die me opvangen?

 

NASCHRIFT

En daar zijn de armen die me opvangen

Weet je nog dat ik zo heerlijk weg wilde kruipen in die boekjes over de seizoenen? Dat schreef ik hier.

Ik had inmiddels ook het verzameld werk van De la Mare gevonden bij De Slegte in Antwerpen. Die boekjes duren nog even en ook dat verzamelde werk verwachtte ik nog niet. Ik hoopte op zaterdag en keek verwachtingsvol naar de Track and Trace. Nog niet onderweg. Geeft niet. Ik was op en neer geweest naar het ziekenhuis in Arnhem (niet zo heel leuk nieuws but I’ll live) en had mezelf getrakteerd op een tompouce. Die post is druk bezig met moederdag, dacht ik en dat mag allemaal eerst, ik kan wel wachten. Ik troost mezelf wel vandaag, met een heerlijke zelfgemaakte pizza. En precies op dat moment ging de bel. De postbode, met het verzamelde werk van Walter de la Mare.

En dat is nóg een wonder. Ik heb thuis heel vaak mijn CI’s uit. Dan hoor ik geen bel. Vandaag had ik besloten ze in te houden omdat ik de hele dag lieve dingen tegen mezelf zeg, hardop, en die wil ik horen.

Het gedicht waar het me in eerste instantie om ging

 

 

 

Ik kruip vandaag heerlijk weg met de ouderwetse gedichten van Walter de la Mare. Ik ga genieten van het maken én eten van mijn pizza. Ik mag er een glas rosé bij en ik geniet ook nog even na van mijn fietstocht naar het ziekenhuis (zó mooi, langs park Mariëndaal, tussen parken Zijpendaal en Sonsbeek door)

Ik ben gezegend. Someone’s watching over me. En weet je wat? Dat overkomt me steeds op het moment dat ik de beslissing neem om over mezelf te waken.

Onthoud je dat, lieve Emma ?!