Mijn boekcover is klaar

Mailtje van mijn uitgever.

De boekcover is klaar en de eerste opmaak van de tekst ook.

Wow!

Just wow!

En dan besef ik dat deze website genoemd is en dat ik blogger ben. Oeps! Ik blog al een tijd niet meer. Mijn blogs werden draadjes op twitter. Mooi, maar ook vergankelijker.

Dussss.

Hier maar weer eens gaan schrijven,  je weet nooit wie er uit nieuwsgierigheid gaat kijken.

Zondag trad ik op in de lekenshow van Oscar Kocken op de Boulevard in Den Bosch. Dat was fantastisch. Wat zou het gaaf zijn om als mijn boek uit is, vaker spreekopdrachten te krijgen.

Eerst maar eens verder schaven aan mijn theateroptreden van 4 November, waarmee ik mijn boek presenteer.

Things are happening, and I love it

late erkenning voor Sylvana Simons

Verhaaltje, parabel, om uit te leggen waar mijn boosheid vandaan komt. Het is niet zuur. het is zorg.

Stel ik word gepest op het schoolplein. Mijn moeder kaart dit aan op school, maar dat wordt niet in dank afgenomen, sterker nog, het pesten wordt erger en school doet er niks aan. Dan is er een moeder van een ander kind dat ook gepest wordt. Zij heeft meer slagkracht van mijn moeder. Haar zoontje is zwarts. Ze ziet het racisme dat onder het pesten ligt. Daardoor ziet ze ook hoe het pesten systemisch is, en dus ook hoe de hele school onderdeel is van het probleem. Ze stelt zich kandidaat voor de OR. Maar iedereen vindt haar lastig en militant. Ik voel me gehoord. Ik hoop dat ze in de OR komt, want dan wordt mijn stem wel gehoord in school. Ik vraag dus steun voor haar. Maar ik krijg van iedereen te horen dat ze niet gaan stemmen op haar omdat ze alleen maar over racisme praat. Als ik mensen er op wijs dat ze ook op andere gebieden goed ideeën heeft, juist omdat ze het systeem ziet, wordt er niet naar me geluisterd. Dat heb je van je moeder, die was ook al lastig. Ze zeggen dat ze op een vader stemmen die ook mooie dingen zegt over pesten. Ik ken die vader, ik weet dat hij het niet echt snapt, dat pesten. Hij is nooit met de gepeste kinderen komen praten, ook niet met hun ouders. Hij heeft mooie woorden over pestprotocol en zo. Dat maakt indruk. Ik maak me zorgen.

Ze wordt toch gekozen. En dan hoor ik opeens van iedereen dat ze zich vergist hebben. Die moeder is juist een aanwinst voor de OR. Zou ik dan blij moeten zijn. Misschien. Maar wat me dwars zit dat deze mensen mijn verhaal negeerden, en niet zelf beter keken. Wat me nog meer dwars zit is, en nu weer even los van deze parabel, is dat als deze mensen wél beter hadden gekeken, en niet zo bezig waren geweest met hun vooroordeel, Sylvana Simons nu iemand naast haar had gehad in de Tweede Kamer. En dat had ze heel erg goed kunnen gebruiken, gezien het vele werk en haar gezondheid. Dát zit me nog het meeste dwars. Dat is mijn boosheid, en de zorg dat mensen kennelijk zo makkelijk in het frame getrapt zijn dat zorgvuldig is opgebouwd rondom Sylvana Simons. Dát is er, naast de blijheid met de bredere erkenning.

Eén deurtje

Ik maak een deurtje van een keukenkastje schoon. Eentje maar. Ik heb mijn huis laten vervuilen omdat mijn hoofd en mijn energie ergens anders waren. Mijn psychisch herstel slorpt bijna al mijn energie op. Dan volgt mijn pleinwacht zijn. Mensen zeggen dat je energie krijgt van iets doen waar je hart ligt. Voor mij gaat dat niet op. Pleinwacht zijn geeft me vreselijk veel. Het geeft me vreugde en hoop, het geeft me een reden om vooruit te gaan, maar het geeft me geen energie. Het kost energie, ik ben moe als ik thuis kom. Daarna gaat mijn energie naar contacten met mijn kinderen en dierbaren, ook via social media. Dan is er mijn schrijven en dan is het op. Want het leven zelf kost ook al energie. Zelfs verpletterd worden door de schoonheid van de natuur kost energie, dus ook een schitterende wandeling kan me uitputten.

Maar vandaag ontdekte ik dat het schoonmaken van mijn huis niet eens een gebrek is aan energie. Er is een grotere drempel. Ik voel het als ik dat ene deurtje schoonmaak. Dat is wat mijn psychische herstel doet, ik voel weer dingen. Wat ik voel is minachting voor mezelf dat ik dat deurtje, en god weet wat dus nog meer allemaal, zo vies heb laten worden. Ik voel hoe ik dit niet wil voelen. Ik voel hoe ik verbeten dit deurtje schoonmaak. Ik voel hoe ik die hele tijd mijn adem in haal. Ik ben niet bezig met dat deurtje, ik ben bezig met het zo snel mogelijk voorbij laten zijn want ik haat mezelf zolang het duurt. Als het voorbij is kan ik mezelf afleiden van deze haat. Schoonmaken kost niet alleen energie, schoonmaken is het aangaan met de worsteling in mij. Nee dat klopt niet. Schoonmaken is uit alle macht de worsteling in mij vermijden. Dat is wat de meeste energie kost. Die verbetenheid, die tanden op elkaar, ik kon het deze keer voelen. Dat is wat me uitput.

Leren houden van mezelf is leren hoeveel ik mezelf nog steeds haat. Het begint met mezelf niet te haten omdat ik mezelf haat. Het begint met tevreden zijn met dat ene deurtje. Niet omdat ik ooit las dat je met een kleine stap al tevreden moet zijn. Dat deed ik al, maar dat was de zoveelste opdracht aan mezelf: “je moet nu tevreden zijn met dat ene deurtje”, en ik deed voor mezelf heel braaf alsof. 

Vandaag huil ik omdat ik nog niet tevreden ben met dat ene deurtje. Huilen is goed. Huilen is niet in mijn hoofd bedenken dat ik ok ben. Huilen is overgave. Daar begint mijn heling, met huilen, niet met woorden.




The Pride Parade (niet de gay pride)

Dit nummer heeft vanaf mijn puberteit in mijn hoofd gespookt. Zo mooi! Ik leerde het spelen op de gitaar. Maar ook zo pijnlijk, die tekst! 
Want ik wist natuurlijk onbewust wel dat ik mezelf steeds verder in groef achter mijn beschermingsmechanismen.

“A set of sad transparencies till no one could see through”

“Deceptions hidden with your lips, but spoken with your eyes.”

 En ik veroordeelde mezelf daarover.

“But you are surely just as evil as the worst my tongue can tell” 

En ik voelde me zo alleen.

“But your fire just consumes you, you alone can feel the pain”

En omdat ik het doorhad, en omdat ik mezelf veroordeelde, spon ik om mijn linies een ragfijn, onzichtbaar web. Nu mag ik ontrafelen. Het voelt als opluchting. Net zoals mijn trans zijn is dit een geheim dat ik veel te lang bewaarde, en dat is gaan ontsteken. Ik ben zo blij dat ik nu met behulp van mijn therapeut de pleister er af mag trekken, en kan gaan voelen wat daaronder zit.

 

It started out quite simply, as complex things can do;
A set of sad transparencies till no one could see through,
But least of all the one inside, behind the iron glass;
A prisoner of all your dreams that never come to pass.

Alone you stand, corrupted by the vision that you sought,
And blinded by your hunger, all your appetites are bought,
But in spite of what becomes of you, your image will remain;
A reminder of your constant loss, a symbol of your gain.

And your friends are together,
Where the people are all gathered,
All along the road you traveled all your days.
And soon, you have succumbed to what the others all believe,
And though the lie affects them still it’s you that they deceive,
And all at once you’re lost within the emptiness of you,
And there’s no one left who’s near enough to tell you what to do.

You’re left with nothing but your self-potential in the dark,
Like tinder resting on a rock, protected from the spark,
But your fire just consumes you, you alone can feel the pain,
And you stand in all your glory and you know you can’t complain.

But your friends are together,
Where the people are all gathered,
All along the road you traveled all your days.

But you are surely just as evil as the worst my tongue can tell,
For you’ll never face my heaven and I’ll not endure your hell.
You have lost the chance to mingle by your constant, quiet lies;
Deceptions hidden with your lips, but spoken with your eyes.

For I know you for what you are, not for that’s really all you are.
And your talents of a minor order seem to stretch too far.
And we both know that this masquerade can’t carry on too long.
You’re deep inside the Pride Parade, but where do you belong?

And your friends are together,
Where the people are all gathered,
All along the road you traveled all your days.

 

 

 

pleinwacht gaten dichten



Kinderen hebben mooie bouwsels gemaakt en komen me halen omdat er iemand is die de bouwsels stuk maakt. Ik kom er bij, er wordt uitgelegd. Het eerste wat ik doe is ze complimenteren over hun bouwsels. Ze zijn ook echt mooi! De “dader” staat er wat verloren bij, boos, maar ook verdrietig. Ineens voel ik dat hij dit deed omdat hij graag mee wil doen. Ik vraag dat, en hij knikt. Ik weet dat een “Maar dat moet je dan gewoon vragen!” niet helpend is. Als dat voor hem zo makkelijk was, had hij dat wel gedaan. Ik vind het al heel wat dat hij is blijven staan om de beschuldigingen aan te horen. Ik zag hoe moeilijk dat voor hem was. 

“Hij wilde dus heel erg graag mee doen”, zeg ik en laat het daarbij. Ik ga iets verderop staan en kijk wat er gebeurt. Het is nog niet opgelost, maar de angel is eruit en er is beweging. Dat vind ik genoeg. De rest moeten ze samen zelf doen. Ik heb alleen het begin van een brug gelegd.

 

Gat dichten, dat is wat ik even later ook doe. Een meisje komt naar me toen omdat ze een stomp in haar buik kreeg. Vanuit haar uitleg snap ik al dat het per ongeluk was. Toch wil ze dit samen met met vertellen aan de jongen die het deed. Hij blijft staan, luistert rustig en zegt dan: “Oh, ja! klopt! Maar ik had al sorry gezegd”. 

Ik ken de jongen. Ik weet dat hij onhandig is en ook niet altijd even goed door heeft dat hij soms een grens overschrijdt. Het rustig blijven staan en luisteren, en de sorry die hij zelf al gezegd heeft, betekenen veel. Het is voor hem een reuzenstap. En voor het meisje die dit allemaal niet weet was het dus te snel, die sorry. Daarom zeg ik.

“Het deed echt pijn he?” Dat is wat ze nodig heeft, want ze wordt nu opgevangen door een vriendin die een arm om haar heen legt. Het gebeurt vaker, dat wat er aangeboden wordt het maximale is, terwijl het toch niet genoeg is. Daarom is het fijn dat ik het gat nu kon dichten. 

 

Ik probeer het minimale te doen, en toch is het soms teveel. Een vergelijkbare situatie, ook een per ongeluk. Trekken aan een jas, en toen er wat van gezegd werd nog een keer. Maar nu is er geen erkenning. Er is niks aan de hand want ik deed het niet expres en ze moet niet zo moeilijk doen. En ze loopt weg. Die wil ik niet laten gaan, en ik haal haar in. Ik wil uitleggen wat voor effect haar gedrag heeft.

“Jij ook altijd met je gepraat! Het is toch klaar? Ik deed het niet expres?” De boodschap dat het daarmee niet klaar is, komt niet binnen. En ook dat snap ik. Vanuit afwijzingsangst kun je hevig schrikken als je aangesproken wordt op iets dat je niet expres doet. Maar daar heeft dit meisje nu even niks aan dat ik het snap, en de bel gaat. Soms rond ik dingen niet goed af. En ook dat hoort erbij.

Onrust in het kwadraat

Ik deed een grote ontdekking. Een paradox ontrafeld. 

Ik las een bericht over de toename van de Braziliaanse variant van Covid. Direct nam mijn onrust niveau toe. Onrust Niveau, dat is een nieuw begrip, ook voor mezelf. Die moet ik er in houden want het beschrijft akelig goed hoe mijn dwangstoornis werkt. Het is niet de ontdekking die ik noemde, maar het is wel een deel van de sleutel. Dus eerst moet ik dat onrust niveau uitleggen. Mijn onrust niveau zegt namelijk niet iets over mijn onrust, het zegt iets over de onrust over mijn onrust. Het is onrust tot de zoveelste macht. De onrust over mijn onrust is de gevoelde noodzaak iets aan die onrust te doen, en wel onmiddellijk. Jeuk waarbij je moet krabben. Mijn dwangstoornis is niet de jeuk, het is alle manieren waarop ik mezelf krab. Mijn krabben bestaat niet uit dwanghandelingen, maar uit dwanggedachten.  Ik maak me dus niet zomaar zorgen om die Braziliaanse variant, er verschuift iets in mezelf, ik krijg de boodschap, dat er iets scheef staat en dat ik dat moet verhelpen. Dat is mijn onrust, die ik op een heel diep niveau voel. Ik kan niet meer ontspannen want er is iets niet in orde. Het zou me niet verbazen als je dit zelfs kunt meten in mijn spierspanning. Mijn lijf is in staat van alarm, en al het andere, wordt even uitgesteld. Ik kan dus ook niet gewoon even genieten van iets als afleiding, want de onrust is in alles aanwezig. Totdat ik heb gekrabt.

En nu de paradox. Ik worstel daar al heel lang mee. Het gaat over de locus van control. Het gaat over je niet druk maken over dingen waar je niks aan kunt veranderen. Ik heb daar moeite mee. Ik vind dat verraad. Ik wil me wel druk maken over dingen die niet in orde zijn. En bovendien vind ik het te makkelijk om te concluderen dat dingen niet kunnen veranderen. Tegelijkertijd snap ik ook wel dat ik goed voor mezelf moet zorgen om de kracht te hebben om iets te veranderen. Maar voor mezelf zorgen ontslaat me niet van het druk maken over dingen. Die kon er op geen enkele manier bij me in. Als ik het druk maken los liet bleef ik het verraad voelen, altijd! 

En toen kwam mijn grote ontdekking. Wat nu als ik mijn ongerustheid niet loslaat, maar de ongerustheid over mijn ongerustheid wel? Wat nu als er gewoon ongerustheid is en niet ongerustheid in het kwadraat? 

Zoals altijd volgt er op een grote ontdekking een hele grote “Duh!”  Want deze truuk is niet nieuw. Ik had dit al eerder gedaan. Het is hoe ik mijn oorsuizen leerde accepteren. Ik kon die piep en de brom niet negeren en daar had ik last van. Ik kon het wel accepteren dat ik er last van had. Dus ook daar haalde ik het kwadraat uit de vergelijking. Ik heb niks nieuws ontdekt. Ik heb wel een nieuw toepassing gevonden, die helpt om met mijn onrust niveau om te gaan.

Of heb ik met het schrijven van dit blog gewoon zitten krabben?

Judging / Perceiving

Toen ik klein was stond ik in de zomer voor het slapen, en na mijn nachtzoen, graag op mijn balkon. Beneden kon ik dan mijn vader en moeder nog even zien en horen. 

Ik herinner me dat ik op die plek stond toen ik al veel ouder was, een jaar of vijftien. Mijn ouders hadden gasten, de vaste vriendenclub. Er werd bij mij thuis veel gediscussieerd. Mijn ouders waren linkse intellectuelen en er werd vaak en veel gepraat over politiek en de toestand in de wereld. Ook nu waren de gesprekken daarover weer heftig. Ik luisterde ernaar en vond dat ik op een leeftijd was om nu zelf ook meningen te hebben. Ik weet het moment nog precies. Toen, op die plek, nam ik een standpunt in, en ik leverde mezelf een gemene streek die nog heel lang invloed zou hebben.

Ik bedacht dat ik twee opties had.

Of ik zou over van alles een hele goede mening hebben, doordacht, en steeds bijgesteld met alles wat ik hoorde door goed te luisteren naar tegengestelde meningen.

Of ik kon er voor kiezen om het niet te weten, omdat ik al door had dat het antwoord vaak veel subtieler is.

Ik vond de eerste optie te arrogant, en koos voor de tweede. Ik koos ervoor om altijd de twijfel toe te laten, open te staan voor andere ideeën. Ik zou niet degene zijn die stellig waarheden zou verkondigen. Later kwam ik de woorden daarvoor tegen. Ik was de perceiver, niet de judger. 

Het vreemde is dat ik daar dus ooit bewust voor gekozen heb. De gemene streek die ik mezelf leverde was dat ik daarmee mijn oordelen in moest slikken. Ik kon niet anders. Ik vermoed dat ik onbewust heel goed wist dat ik te kwetsbaar was om mijn nek uit te steken met het hebben van oordelen. Dat was de gemene streek niet. Het gemene zat hem er in dat ik mezelf wijs maakte dat ik die oordelen niet had.

Natuurlijk had ik die oordelen wel. Ik zag als kind vanaf mijn kleutertijd aan de lopende band dingen die ik onbegrijpelijk vond. Systemen die mensen beperken zonder betere uitleg dan “zo is het nu eenmaal”. Pas veel later zag ik dat daar een uitbuitend systeem achter zat, maar toen al voelde ik de manier waarop mensen, waaronder ikzelf, verpulverd werden. Ik had zelfs een zeer vernietigend oordeel over wat ik zag. Maar dat mocht dus niet meer. En dat betekende uiteindelijk dat ik mijn botsingen met die systemen aan mezelf ging wijten. Pas de laatste jaren is er ruimte voor die oordelen, en moet ik mij opnieuw verhouden met de wereld van systemen. En ik heb nogal wat te helen aan de schade die ik aan mezelf toestond. Daarom ga ik in therapie.

ruzies (pleinwacht)

Laat ik ze Elly en Rickert noemen. Ze zijn vrienden. Niet onafscheidelijk, maar ze zoeken elkaar wel vaak op, en ze hebben een leuke vriendschap. Elly kwam naar me toe. Rickert deed stom. Nu had hij een briefje met “ik haat je” bij haar spullen gelegd. 

“Jullie zijn vrienden, toch?” vraag ik. Ja, en ze weet ook wel dat Rickert het niet zo bedoelt. 

“Maar waarom kan hij gewoon niet lief doen?” Ze vindt, terecht dat Rickert hier een grens over gaat. Dat beaam ik, en ik zeg dat ik vind dat hij dit niet moet doen. En dan leg ik haar het jongetjes gedrag uit. Niet als excuus. Wel om aan te geven hoe we ons door onze omgeving laten beïnvloeden. Elly snapt dat. Maar Rickert moet wel weten wanneer hij te ver gaat. “Het is goed om hem dat duidelijk te vertellen, ook dat je er boos over bent. Geef je grenzen aan.”, zeg ik: “wil je dat alleen doen, of een keer samen met mij?” Ze wil dat samen met mij. Niet nu, voor nu is ze ok. Ze speelt met vriendinnen en Rickert speelt ergens anders.

 

Even later hebben twee meiden een ruzie, en als ik met  een van beide praat, kom ik erachter dat er al heel lang dingen heen en weer spelen.

“Weet je”, zeg ik: “ruzies beginnen vaak veel eerder dan je denkt. Er is vaak al veel gebeurd voordat de eerste uitbarsting komt. En niemand weet wanneer het begon. Ik heb het vermoeden dat deze al heel oud is.” Ze knikt. “En als je het nooit helemaal uitpraat, neem je dezelfde ruzie steeds weer mee. Je bent beiden niet alleen boos over wat er net gebeurde, maar ook nog over al die vorige keren. Jullie hebben iets van elkaar nodig, en je kunt het niet geven. Want als je zelf iets nodig hebt, is iets geven het moeilijkste wat er is”

Omdat de bel gaat, loop ik even naar hun juf om dit (met goedkeuring) te melden. Ze weet dat dit speelt, en doet al een aantal dingen. En misschien is wat hier speelt wel een meidending. Wordt vervolgt.

BrainCrash

Bijzonder. Ik maakte gisteren live mee hoe mijn hersens crashten. Natuurlijk is dat al eindeloos vaak gebeurd, maar toen was ik altijd te druk met mijn frustratie. Over de oorzaak van het crashen, en ook nog eens een keer over het crashen zelf. Nu kon ik voor het eerst rustig en op afstand observeren hoe het gebeurde. Het was bij de oefening waarbij je cijferreeksen moet onthouden en nazeggen.  Ik heb daar als slechthorende sowieso een extra drempel. Ik moet behalve onthouden ook nog een vertaalslag maken van klank naar betekenis. Die is bij cijfers heel goed te doen, maar toch, het kost extra energie, en als die reeksen lang worden is elke extra stap van betekenis. Toen besloot ik ze voor me te zien, ik projecteerde ze op de muur. En ik bedacht ook meteen “Waarom heb ik dat niet eerder bedacht?” en “Goh, dat lijkt wel op die schaakfilm, Queens Gambit. En op het geheugenpaleis van Sherlock Holmes.” en “Nu niet verwaand worden, dat zijn echte hoogbegaafde mensen en jij niet”, en “Nou ja, echt ze zijn verzonnen, maar je snapt wel wat ik bedoel”. Je snapt het al, naast die extra vertaalslag heb ik dus ook nog extra gedachten die ik niet kan stoppen. Ik zag de cijferreeksen als torentje voor me op de muur, in rijtjes van drie. En toen ik het vierde rijtje aan het bouwen was Viel de hele toren om. Ik zag hem omvallen, ze waren allemaal weg, ik had alleen nog het laatste cijfer in mijn hand. In plaats van frustratie voelde ik verwondering. Ik heb ook niet meer geprobeerd iets terug te halen. Daar heeft ook mijn perfectionisme mee te maken. Een omgevallen toren is niets iets waarmee je voor de dag kunt komen. “Ploef! Alles weg!” zei ik. Ik moest er zelfs een beetje om lachen. Later gebeurde hetzelfde nog een keer toen ik drie figuurtje moest kiezen om het voorbeeld mee te leggen en de uitsteeksels wel heel erg ingewikkeld werden. Harde schijf die crasht. Ik weet nu hoe dat gebeurt, en ook dat het geen ramp is. En vooral dat laatste is winst.

Francien

Laat ik haar Francien noemen. Het meisje uit groep drie. Zij is degene die een beetje buiten de boot valt, geen aansluiting heeft en ze kwam na de zomer vaak gezellig bij me buurten. Ze kletste graag over alles wat er in haar hoofd op kwam en ze liet me haar dansjes zien. Het waren geen tik-tok achtige ingestudeerde dansjes, maar bewegingen die ze bedacht bij het lopen over het plein. Haar binnenwereld bloeide op een heerlijke manier open als ze bij mij in de buurt was. Een heerlijk bijzonder kind. Ik gaf haar tijd en aandacht, ik probeerde niet om haar te laten spelen met de andere kinderen. Ik had er vertrouwen in dat dat wel zou komen. En het kwam. Ze is steeds minder vaak bij mij. Ze heeft intussen andere kinderen gevonden met wie ze haar eigenheid mag delen.

Vrijdag kwam ze naar me toe. Kinderen drongen voor op de glijbaan, ze voelde zich aan de kant gezet. Een paar andere kinderen waren met haar meegekomen naar mij. Ik vroeg of ik moest bemiddelen. Ze zei: “Ik wil dat het stopt” Het was nu gestopt, er was ook niemand meer op de glijbaan. Ik vroeg: “Wil je het de andere kinderen vertellen, samen met mij, zodat ze de volgende keer meer rekening met je kunnen houden.” De kinderen die eromheen stonden liepen weg en kwamen terug met een paar anderen. “Zij waren er allemaal bij, we hebben ze even gehaald.” Ik was onder de indruk, en dat heb ik ze ook gezegd. Wat mooi dat ze gehaald werden, wat mooi dat ze ook meteen kwamen. Er volgde een uitleg die niet als excuus aanvoelde, want ze zagen nu ook dat Francien in de drukte misschien wel even onder de voet gelopen was. Ik vertelde hoe vervelend Francien het had gevonden en vroeg of ze volgende keer extra goed willen opletten. Ze knikten hevig ja. Ik vroeg Francien of het zo goed was. Dat was het. En ik zal zelf ook een tijdje opletten hoe het gaat. Ik heb er vertrouwen in. Francien is nu volwaardig lid van deze groep.