Pleinwacht en c0mmunicatie

Vandaag ging er iets niet soepel in de communicatie van een aantal kinderen. De situatie was te hectisch om effectief in te grijpen en het loste zich min of meer op. Min of meer, want er bleef iets ongezien, en er is een grote kans dat dit steeds weer terugkomt, totdat het wel gezien is. Soms is een pauze tekort om iets te duiden. Ik zou vandaag graag de kinderen iets geleerd hebben. Ik kan dat loslaten, want er is  op deze school veel aandacht voor omgaan met elkaar. Daar vertrouw ik op.

Toch heb ik de behoefte om die les te geven. Omdat ik het heel inzichtelijk vind. Daarom doe ik het hier. Als trainer gebruikte ik een communicatiemodel van Ferdinand Cuvelier. Zij Stodn van Axen kent al een kinderversie, maar hij heeft nog een boek geschreven. “Tussen jou en mij”, dat niet meer verkrijgbaar is. Ik ga dat model hier proberen uit te leggen. 

 

Cuvelier beschrijft een communicatiecirkel in zes stappen.

 

Dit zijn de eerste drie stappen:

 

  1. Jezelf laten zien  (Tonen)
  2. De ander aanspreken (Spreken)
  3. Aandacht voor hoe het overkomt (Opletten)

 

De volgende drie zijn het spiegelbeeld van de eerste drie

 

  1. De ander zien (Zien)
  2. Naar de ander luisteren (Luisteren) 
  3. Aandacht voor wat het met je doet (Voelen)

 

Spiegelbeeld betekent dat als de één stap 1 doet, dat de ander dan stap 4 doet.

Bij stap 2 hoort als reactie stap 5 en stap 3 hoort als reactie op stap 6. 

 

Je laat jezelf zien en dat wordt gezien. Dus je voelt je gezien. Jij 1, de ander 4
Je spreekt uit wat je met/van de ander wil en daar wordt naar geluisterd.  Jij 2, de ander 5. 
Dat doet iets met de ander en daar kun je op letten, zodat je kunt zien of wat je wilde zeggen ook zo overgekomen is als je bedoelde. Jij 3, de ander 6.

 

Dan is de ander aan de beurt met zichzelf laten zien en dan is het voor jou de tijd voor stap 4.  En zo verder. 

 

Bij goede communicatie gaat de cirkel minstens één keer helemaal rond. Als een stap overgeslagen wordt, of te weinig aandacht krijgt, stokt de communicatie, of er blijft iets hangen dat op een later moment alsnog de communicatie stoort. 

 

De stappen kunnen in elkaar overlopen. Soms lijkt het niet duidelijk wat het verschil is tussen twee stappen omdat ze tegelijkertijd gezet worden, maar altijd is het merkbaar als een stap te weinig ruimte krijgt.

 

Vandaag werd er gesproken en geluisterd. Dat lijkt mooi, het lijkt compleet. Het is ook waarom het voor mij moeilijk was om uit te leggen wat er mistte. Toch misten er vier van de zeven stappen. En dat is waarom het niet af was, en niet voor iedereen bevredigend. 

 

Wat gebeurde er:

 

Een jongen, ik noem hem Freek, kwam huilend naar me toe. Onenigheid bij voetbal. Het is iets dat in deze groep vaak terugkomt bij het voetballen. Ik liep met hem mee. De anderen waren alweer druk bezig met het partijtje. Ik stopte het, en zij:

“Lieverds, er is iemand verdrietig. Wat kunnen we daar aan doen?”

De anderen stopten het spel. De betrokkenen kwamen erbij. Freek had waarschijnlijk al eerder gezecht, waar hij mee zat want ze wisten meteen waar het over ging. Ze begonnen aan de nog huilende Freek uit te leggen waarom hij het verkeerd zag. Een gewoon meningsverschil over de voetbalregels dus. Ze waren allemaal heel oprecht in hun bezwaren, en ze luisterden naar elkaar. Ik heb geen idee waar het over ging, want ik verstond niet wat ze zeiden. Misschien had Freek iets verkeerd gezien, zo leek het in ieder geval. Hij werd niet genegeerd, hij kreeg alleen maar ongelijk in zijn interpretatie van de regels.

 

Maar laten we een volgens het model kijken wat er gebeurde.

 

Freek begon met zichzelf laten zien door te huilen. Vaak is het naast je non-verbale uiting ook goed om te vertellen hoe je je voelt, maar het huilen van Freek was duidelijk genoeg.

 

De anderen hadden dus als reactie stap 4 moeten doen. Dat hebben ze overgeslagen. Ze zagen het misschien wel, maar ze hebben niet laten zien dat ze het zagen en dat is nou juist de bedoeling van stap 4. 

 

Vervolgens doet Freek stap 2, hij vertelt wat hem dwars zit en de anderen luisteren, emn doen zo stap 5.

 

De anderen doen daarna zelf stap 2, ze komen met tegenargumenten.  En Freek luistert.

 

Ze doen alleen de stappen 2 en 5, over en weer. Maar het komt steeds binnen, het eindigt in een welles nietes, en Freek verliest dat, want het is één tegen veel.

 

Wat nou als de hele cirkel stap voor stap was gedaan?

 

Dan hadden de anderen laten zien dat ze Freeks verdriet zagen, met een woord of met een gebaar. Dan hadden ze naar hem geluisterd én hadden ze ontdekt dat ze zelf ook boos of verdrietig waren, omdat Freek hen in hun ogen onterecht aanspreekt. Voor hen is dat stap 3.

Omdat Freek zich nu wél gezien voelt ziet hij de felheid van de anderen misschien niet als agressie tegen hem, maar kan hij zien dat ze het voorval oprecht op een andere manier hebben gezien. 

Als de anderen stil hadden gestaan bij waar hun onvrede vandaan komt, dus als ze stap 6 hadden gedaan: vullen. Hadden ze kunnen verwoorden waarom ze zo heftig reageren op Freek. Dat was dan de start van de tweede ronde geweest: voor de anderen stap 1, en voor Freek stap 4: de erkenning dat de anderen ook emoties hebben op wat er gebeurd is.

 

Door deze tussenstappen, het erkennen van je eigen emoties, en het zien én erkennen van de ander, wordt er beter naar elkaar inhoudelijke argumenten geluisterd. Dan kan je nog steeds verdrietig zijn met een besluit waar je niet blij mee bent, maar het voelt anders. Het is ook geen bodem meer voor een volgende ruzie. Die is er nu wel, want alles wat niet gezien is blijft borrelen en komt een keer weer omhoog.

Die stappen lopen zoals gezegd allemaal in elkaar over en dat is niet erg als ze allemaal ook maar genoeg ruimte krijgen.

 

 

Naschrift:

Ik liet mijn laatste blijnwachtstuk lezen aan een vriendin die ook het voorwoord gaat schrijven voor mijn boek. Ik koos haar omdat zij volwassenen weer leert spelen. Niet een spelen als middel om daarmee iets te leren, zoals in “serious gaming” wordt gedaan, maar spelen om het spelen zelf. Omdat in spel de verlamming van het presteren verdwijnt. Nou ja, dat kan zijn beter beschrijven, dat is ook waarom zij het voorwoord schrijft.

Het stuk dat ik haar liet lezen ging over wat ik kinderen wilde leren over communicatie. Ik schreef ook hoe mooi het is dat kinderen op het schoolplein al leren om samen te leven. Spel als voorbereiding op het echte leven.

Haar antwoord was verrassend en juist ook niet.

“Lieverd, jouw verhalen zijn zo mooi, juist omdat je laat zien wat kinderen zelf allemaal al kunnen. Het mooie is juist dat jij ze niks leert, maar dat je ze alleen af en toe de steun geeft om het zelf op te lossen.”

En toen besefte ik mijn fout. Ik had het omgedraaid. Spelen als voorbereiding op het ‘echte leven’, terwijl juist dat ‘echte leven’ juist meer op spelen zou moeten lijken. Ik was ook vergeten dat kinderen inderdaad heel goed zijn in het zelf oplossen van hun ruzies. Ik weet nu ook hoe ik dat vergat. Ik zoomde te veel in op één geval en vergat daarmee het grotere plaatje. En dat is weer een mooie les als pleinwacht: als je je te veel richt op wat er niet goed gaat zie je niet meer wat kinderen allemaal goed doen. Mooi dat ze me even terug haalde.

  

onbewuste transfobie ?

Ik ga het hebben over onbewuste transfobie. Ik vermoed dat dat in iedereen zit, het zit ook in mezelf. Het werkt subtiel, en misschien ben ik wel overgevoelig als ik dit benoem. Het is mijn persoonlijke verhaal, maar ik weet dat veel trans vrouwen dingen herkennen. Als ik voorbeelden gebruik is dat niet bedoeld om mensen aan te vallen. Ik weet dat de pijn die ik voelde bij reacties niet bedoeld is door de schrijvers ervan. Ze waren zich niet bewust van het effect van hun boodschap.

Het wordt een lang en ingewikkeld verhaal. Dingen zijn niet zwart wit en mijn gevoelens over trans zijn zijn tegenstrijdig, omdat ik nog steeds vol zit van geïnternaliseerde transhaat.

 

Voor het eerste voorbeeld moet ik even een zijpaadje nemen om iets uit te leggen.  

 

Ik voel me vrouw. Ik kan niet uitleggen waarom. Ik kan wel zeggen dat het gevoel groter is dan ik, en dat het niet werkt om het te negeren. Geloof me, ik heb dat lang geprobeerd. Het gaat niet. Dat betekent ook dat het een permanente pijn is dat mijn lichaam niet het lichaam van een cis vrouw is. Ik zou willen dat dat anders is, en daar zou ik zelfs voor over hebben om elke maand ongesteld te zijn. Ik had ook heel erg graag mijn eigen kinderen gedragen en gebaard. Hier moet ik bij zeggen dat ik niet te klagen heb omdat ik überhaupt blij moet zijn dat ik vier geweldige kinderen heb. Dat voelt wel tegenstrijdig. Er is nog iets dat tegenstrijdig voelt. Ik weet dat veel vrouwe heel erg veel klachten hebben van menstruatie. Ik heb er zelf geen ervaring mee, dus hoe kan ik dan zeggen dat ik dat er wel voorover zou hebben? Ik ken hun bijn niet. Ik ken alleen de pijn van het niet cis vrouw zijn. Het maakt dat ik me schaam voor die wens om vrouw te zijn met alles erop en eraan. Want vrouwen ervaren nog veel meer ellende, alleen maar omdat ze vrouw zijn. Wie ben ik om te zeggen dat ik dat allemaal wel op de koop toe wil nemen? 

Maar welk deel van deze schaamte is mijn erkenning van de positie van vrouwen en welk deel is mij ingefluisterd door alle anti trans propaganda? Want dit is een van de dingen die daar gebruikt wordt om trans vrouwen te diskwalificeren. Ik weet het echt niet. Ik zei al dat het niet zwart wit is, en het geeft me tegenstrijdige gevoelens. 

 

Het deed dus zeer toen ik schreef dat ik graag cis vrouw zou zijn en daarop gereageerd werd dat ik dat niet echt wil omdat ik de ellende van ongesteld zijn en andere hormonale ellende niet zou willen. Het raakte me in mijn grootste kwetsbaarheid van mijn trans zijn. Het gooit me terug naar al die jaren dat vrouw zijn voor mij een verboden terrein was. Iets dat ik niet eens zo moeten willen voelen. 

 

De reactie was niet zo bedoeld, en waarom noem ik hem dan toch als voorbeeld van onbewuste transfobie? 

 

Niet alleen omdat dit arrangement: “je weet niet wat het is om cis vrouw te zijn” gebruikt wordt door TERF’s (Trans Exclusive Radical Feminists).  Het is een reactie die zelfs al is het onbedoeld laat zien dat trans vrouwen geen echte vrouwen zijn. Net zoals mijn spellingscontrole nog steeds wil dat ik trans vrouwen aan elkaar schrijf, als een buitencategorie, en tegelijkertijd vind dat ik cis vrouwen wel los moet schrijven. Het is een zelfde mechanisme als de vraag “maar waar kom je echt vandaan?” die mensen krijgen als ze niet wit zijn. Het is een scheidingsmechanisme. Je bent vrouw, maar toch niet helemaal.

 

En dat roept bij mij de vraag op of ik dat dan wel mag vragen om er helemaal bij te horen. En daarvan weet ik weer niet in hoeverre die vraag is ingefluisterd door mijn geïnternaliseerde trans haat. 

 

 

Een week eerder kwam ik nog zo’n voorbeeld tegen van onbewust scheiden van cis vrouwen en trans vrouwen.

Iemand had een vraag voor vrouwen. Ze meldde er bij dat de vraag ook bedoeld was voor trans vrouwen. De bedoeling was goed: ze wilde ons niet vergeten. Het effect was het tegenovergestelde. Dat kun je zien als ik trans verander in lang. 

“Ik heb een vraag voor vrouwen. Ook lange vrouwen kunnen reageren.” Dat zou je nooit zo schrijven. Als je wil benadrukken dat je interesse hebt in het antwoord van lange vrouwen zou je het zo formuleren: 

“Ik heb een vraag voor vrouwen, vooral ook lange vrouwen.”

Voel je het verschil? Je mag dat pietluttig vinden, maar het laat gebruik laat zien: “Je bent vrouw, maar toch niet helemaal.”

 

Dat is wat ik bedoel met onbewuste transfobie. Misschien is fobie een groot woord, maar onder alle acceptatie licht dus nog steeds een: je hoort erbij, maar je staat ook apart.

 

En we zijn natuurlijk ook apart. Maar ik zou zo graag apart zijn zoals alle vrouwen ander zijn. Misschien is dat wel mijn oude trauma van nergens bij horen, en moet ik dat gewoon helemaal niet willen. En zoals ik eerder benoemde: ik weet niet hoeveel van deze laatste zin is ingesproken door mijn geïnternaliseerde trans haat.

Wat ik wel weet is dat het me heel herkenbaar voorkomt: de boodschap om genoegen te nemen met wat ik heb en vooral niet te veel moet willen. Dat heeft me vijftig jaar in de kast gehouden. 

Het is niet voor niets dat dit elk jaar weer terugkomt bij vrouwendag.

 

Elk jaar is er iets in mij 
dat vraagt bij vrouwendag
of ik dat ook ook wel vieren mag.
Zijn wie ik ben kwam mij niet aangewaaid
Soms voelt het alsof ik mijn vrouw zijn
als Prometheus heb weg gesnaaid. 
Het ingeslikte gif in mij
wil het nog steeds niet zien
en eist dat ik het elke dag opnieuw verdien.
Beetje bij beetje spuug ik het uit, 
dit trans-misogyne gif, deze venijnige pijn.
En eens zal vrouwendag
ook door mij echt te vieren zijn.

En het zijn deze hele klein subtiele dingetjes die dat gevoel steeds weer voeden. Kuist omdat ze komen vanuit een hoek waar ik het niet verwacht.

Het helpt om dit uit te schrijven. Mijn interne lieve stem zicht nu tegen me. 
“Het feit dat iets heel moeilijk te bereiken is beteken niet dat je niet mag wensen dat het er al is.”

 

Kaal Haarverlies Trans Vrouw

Ik heb al een tijd niet getekend. Ik verloor veel haar en dat hield me bezig. Ik ging naar de huisarts en kreeg een verwijzing voor een haarstuk. Maar intussen was ik het zat, haar dat steeds uitviel. 
31 januari besloot ik mijn hoofd kaal te laten scheren. Toen ik 21 was, had ik door bestraling als een keer een half kaal hoofd gehad. Dat stond stom. Ik nam toen mijn besluit, dat als dat nog een keer zou gebeuren ik mijn hoofd gewoon helemaal kaal zou scheren. En dat heb ik gedaan. 
Ik ben blij met mijn beslissing. Er gebeurt iets bijzonders. Mijn transitie liet me de vrouw in mij zien. Mijn kale hoofd laat me de sterke vrouw in mij zien. Ik voel me niet minder vrouwelijk met een kaal hoofd. En ik trekt het me inmiddels niet meer aan wat anderen ervan vinden. Ik ben een trans vrouw met een kaal hoofd.

Ogen te moe om te tekenen

 

Over de tekening:
De tekening is mislukt. Ik ben niet te streng als ik dat zeg. ik vind het ook niet heel erg. Wat ik wilde laten zien zijn dat geel-pleeke stoppelveld van mais. Ik krijg die kleur niet goed. Als ik het op wit papier doe zie je het niet, en als ik het op een donkere ondergrond doe dan komt het wit niet sterk genoeg naar voren. Het donkere pigment overwoeker alle lichtere kleuren. En zelfs als het zou lukken weet ik de goede kleur niet te vinden. Wit? Geel?

Wat vond ik het moeilijk, een dag overslaan. En wat vind ik het moeilijk dat ik niet terugkom met een sterke tekening. Ik vind het nóg moeilijker om nu zelfs meerdere dagen over te slaan. Mijn ogen zijn te moe. Ze draaien weg. Ik wist in deze tekening niet meer met welke rij ik aan het stippelen was. Ik moet dus rust nemen voor mijn ogen. Tekenen betekent heel geconcentreerd kijken. Dat kost me te veel nu. Ik laat het een paar dagen liggen. Kijken of ik dan straks de moed weer vind om weer te beginnen.

Het onbewuste brein

Over de tekening:
De toverhazelaar die al  begin januari te zien is. Voor mij altijd een hoopvolle bode van de lente, ook al is die nog ver weg. Ik wilde de takken en andere knoppen op de achtergrond, maar dat lukt dus echt niet met krijt. Het zachte geel (hoe vel ook) komt er niet goed overheen. Ik heb het gelaten met wat blouw, en zelfs dat was moeilijk.

 

Wat hier volgt is een persoonlijke theorie van mezelf. Niet dat ik heb uitgevonden, ik zeg niets nieuws. Het is meer bedoeld als disclaimer dat ik hier geen wetenschappelijke informatie geef, maar mijn eigen gedachten hierover.

Ik combineer een aantal dingen die ik mee kreeg:

  • Mijn revalidatiearts en therapeuten die me vertelden over hoe mijn brijn werkt.

Mijn hersens maken steeds nieuwe verbindingen, en dat wat ik vaker gebruik wordt een soort snelweg. Mijn herkenning van letter is bijvoorbeeld niet weg, maar ik moet het doen met een nieuw nog onverhard paadje om bij die informatie te komen. Kwestie van oefenen dus.

 

  • Het boek “Autisme en het voorspellende prein”  van Peter Vermeulen.

Dit boek keert me dat het prein op een snelle, kort door de bocht manier waarneemt. Het voorspelt op basis van het model dat het heeft over de wereld, wat er binnen komt. Het checkt vervolgens of dat klopt. Als het niet klopt is het prein niet zo snel van slag. “Dat is vast die uitzondering die de regel bevestigt.”  Er moet dus flink wat gebeuren voor het prein zin heeft om het wereld model aan te passen. Het werkt het liefst op de automatische piloot. Dit proces gaat geheel onbewust, het zijn dus geen beslissingen die we bewust nemen.

 

Het prein werkt dus op autopilot, en neemt voor mij beslissingen. Daar kom ik helemaal niet tussen met mijn bewuste gedachten.

Ik kan dus intussen best goed geleerd om om te gaan met mijn beperkingen. Ik leg de lat wat lager, ben liever voor mezelf, ben minder perfectionistisch. Dat is best een prestatie. Maar ja, het is wat ik allemaal bewust doe. De autopilot van mijn brein staat nog wel op standje perfectionisme, en mezelf bewijzen, mijn plek op aarde moeten verdienen.  Die snelweg is mijn hele leven heel erg drug geweest en er stonden files. Het is intussen een vijfbaans weg. Ik zou er niet gek van op kijken als er een mooi stuk hersen-natuur voor is opgeofferd. Daar zit ik met mijn lieve nieuwe baadje vol compassie en milde gedachten over mezelf. Intussen razen er nog steeds wel allemaal veroordelende gedachten over mezelf over die snelweg. En raat eens wie er eerder is?

Ik maakte vandaag geen tekening, en deze tekst schrijf ik bij een tekening van twee dagen geleden, omdat ik toen te moe was om deze gedachten op een rij te krijgen. Mijn milde bewuste prein vindt dat prima! Moet kunnen, een dag geen tekening, en zelf niet eens een tekst! Maar mijn onbewuste brein schreeuwt het uit dat dat niet kan. Ik ben ooit gediagnosticeerd met een dwangstoornis, iets in mijn hoofd wil dat het klopt volgens regels die het zelf bedacht heeft. Mild zijn is voor dat iets een regelrechte zonde, die niet ongestraft zal worden.  Wat die straf precies zal zijn is me nooit duidelijk geweest, ik hoefde er alleen maar bang voor te zijn, en wat is nu angstiger dan een niet nader benoemde dreiging?

Ik kan het dus wel, mild zijn tegen mezelf, maar voorlopig is het een pittige strijd tegen mijn onbewuste brein.  Ik hoop dat de snelweg op den duur wordt afgebroken omdat ik er steeds minder naar luister.

 

 

 

 

De Kleine Emma, een verhaaltje

“Emma, let nauw eens op!”

De Juf zei dat wel honderd keer per dag. Nou ja, niet precies honderd natuurlijk, het kwam eerlijk gezegd niet eens in de buurt van honderd. Emma had het een keer geteld, en was tot dertien gekomen. Maar dat wat was heel veel, zeker als je besefte dat ze het bijna nooit tegen andere kinderen zei. Emma had geleerd dat je mocht liegen als je het “overdrijven” noemde. Haar moeder deed dat ook vaak, en honderd was een mooi getal. Dus vertelde ze het zo aan haar moeder toen ze klaagde over haar juf.

“Maar jij bent ook heel snel afgeleid!” had haar moeder gezegd.

“Moeders horen geen partij te kiezen voor leraren als hun kinderen over ze klagen!” ze Emma.

“Maar het is toch gewoon waar?”

Dat moest Emma toegeven, het was wel gewoon waar. Er was ook zo veel te zien en te ontdekken in de klas. Er hing zoveel aan de muur bijvoorbeeld. Emma was deze week bezig om te tellen hoeveel daarvan gewoon versiering was en hoeveel bedoeld was om te leren. Ze wilde weten waar het meeste van was. Verhoudingen en procenten, heette dat. Ze hadden dat op school nog lang niet gehad, maar Emma had dat van haar grotere broer geleerd die daar thuis over vertelde, en het wel aan haar wilde uitleggen.

Emma vond dat een leuke klas meer dan de helft, dus meer dan vijftig procent alleen maar voor het mooi moest zijn. Hoe hoger de klas, hoe saaier de muur. Ze was op 68% nuttig gekomen, het ging de verkeerde kant op. Ze had wel een moeilijke beslissing moeten nemen/ Blaten over geschiedenis en tekeningen en foto’s van dieren en planten waren bedoeld om van te leren, maar konden ook mooi zijn. Ze had besloten om alles met planten en dieren mee te tellen als mooi. Ze hield van planten en dieren.

En net toen ze bezig was om dat te bedenken had de juf haar weer bij de les geroepen. 

“Emma! Jet nou eens een keer op! De afspraak is dat iedereen alles weg legt, stil is en deze kant op kijkt als er instructie is. 

Emma had wel kunnen zeggen dat ze het toch al wist, maar ze had al geleerd dat juffen daar alleen maar bozer van werden. Deze juf was eigenlijk best lief, en Emma wilde ook best wel opletten.

 

En toen was er een keer een boswachter in de klas geweest en die vertelde hele mooie verhalen. De juf had de klas gevraagd om extra stil te zijn en goed op te letten. Dat wilde Emma graag. De boswachter had mooie verhalen en Emma wilde zich daar helemaal op concentreren. Dus toen de boswachter vertelde deed ze haar ogen dicht zodat er alleen nog maar de stem van de Boswachter was. Ze was helemaal in het verhaal van de boswachter die vertelde hoe hij een Reekalfje uit de strik had bevrijd terwijl de moeder een eindje verderop toekeek, toen ze opeens heel hard: “Emma!” hoorde.
Ze schrok heel hard, in haar gedachten zag de moeder Ree wegvluchten en het jong van schrik een verkeerde beweging maken waardoor het nog vaster in de strik raakte.

Ze deed haar ogen open en zag een boze juf naar haar kijken.

“Je had beloofd op te letten, en nu zit je weer te dromen!”

“Maar zo luister ik beter!” zei ze.

“Dat kan wel, maar het is niet leuk voor onze gast. Kijk nou maar gewoon deze kant op.

 

Emma stoomde van verontwaardigheid toen ze thuiskwam. 

“O lieverd”, had haar moeder gezegd: “Kom eens hier!” Haar moeder sloeg haar armen om haar heen en wiegde haar zachtjes.

“Ik snap je. Wat deed je goed je best, en wat jammer dat je juf het niet zag. Weet je, mensen willen kraag ogen zien als ze iets vertellen. Op die manier hebben ze het gevoel dat er beter naar ze geluisterd wordt, zelf als mensen helemaal niet luisteren.”

“Mag ik make up?” vroeg Emma.
“Hoe kom je daar nou opeens bij. En ik vind je ook nog een beetje jong.”

Toen fluisterde Emma haar moeder iets in het oor. Haar moeder moest lachen.

“Om te laten zien dat ik aan jou kant sta ga ik je dat leren.”

 

Een week later, vrijdagmiddag, het moment waarop juf altijd extra lang voorlas uit een gaaf boek, zat Emma heel stil met haar ogen dicht te luisteren. Het ging helemaal goed, Juf had niet door dat ze haar ogen dicht hat. En toen moest juf opeens midden in het verhaal heel hard lachen.

“O lieve Emma! Wat mooie gedaan! Ik had het eerst zelfs helemaal niet door!”

Emma wist dat ze betrapt was, maar kennelijk was de juf niet boos.

“Wat knap gedaan, het lijkt heel echt. Wil je het aan de anderen laten zien?”

Emma knikte en draaide zich naar de klas.

“Kijk eens, Emma heeft ogen getekend op haar oogleden.”

Emma hoorde een aantal kinderen “Woa!” zeggen. En toen ging de bel. Juf kwam naar Emma toe.

“Weet je, ik kan gewoon écht beter luisteren als ik mijn ogen dicht heb.” legde Emma uit.

“Ik geloof je, en van mij mag je je ogen dicht doen als je dat nodig hebt.”

Inclusie

Ik ga het over systemen hebben. Alles wat op een bepaalde manier georganiseerd wordt is een systeem. Zo hebben we het schoolsysteem. Maar ook onze zorg is een systeem, ons geld, onze sociale voorzieningen, ons recht, onze regering tec.

Geen enkel systeem is inclusief. Elk systeem is opgezet om de grootste gemene deler te bedienen. Dat is ook logisch, je kunt het niet zo inrichten dat het voor 100% voor iedereen werkt.

Het probleem is dat we wél doen alsof het systeem voor iedereen werkt. En dat betekent dat het de mensen die in en met het systeem werken ervan uitgaan dat er iets mis met je is als het systeem niet voor jou werkt.

Dat zou ik kraag anders willen.

Laten we bewust zijn dat het systeem niet iedereen bedient. Dat betekent dat je allert moet zijn op het moment dat er iets niet lekker loopt. De reflex moet dan niet meer zijn: “Dat licht aan het individu!” De reflex moet zijn: “Dat is logisch, want het systeem werkt niet goed voor iedereen.”

Op basis van die reflex kun je maatwerk regelen. Standaard, en niet pas als iemand een officiële stikker heeft (gegeven door van het systeem) die zegt dat hen recht heeft op maakwerk. Gewoon elke keer dat iets niet goed loopt: maatwerk. Vragen “wat heb je nodig zodat het wel werkt?”

Het systeem kan ook leren van alles wat niet werkt. Misschien is levert dat maatwerk wel iets op dat goed is voor iedereen in het systeem. Zo krijg je een mooi zelflerend systeem, juist dankzij iedereen die niet in dat systeem past.

Dit is waarom ik me erger aan all boeken die mensen in het systeem moeten leren om te gaan met mensen die niet in dat systeem passen. Het systeem wordt daardoor heilig verklaard en gezien als onveranderbaar. Waarom moeten mensen die niet passen leren omgaan met het systeem. Waarom zou het systeem niet kunnen leren om te gaan met mensen die niet bassen? Dat hoeft zoals ik eerde al zei niet door het systeem volledig kloppend te maken. Dat kan door als basishouding uit te gaan van het feit dat het dat niet is. En je dus voortdurend te blijven vragen aan iedereen: “Wat heb jen nodig?”

En het zou zo leuk zijn als er ook een een boek ging over wat het systeem kan leren over alles wat mis niet leer loopt voor mensen die niet in dat systeem passen.

Ik lees bijvoorbeeld over autisme, en dat mensen met autisme meer tijd nodig hebben om informatie te verwerken. Dat is geen ontwerpfout van de autist, dat is gewoon een andere strategie die andere dingen oplevert. Als je ruimte maakt voor die andere strategie, maak je ook ruimte voor wat doe strategie oplevert. Want dat is het grote nadeel van systemen zoals ze nu werken. We vernietigen creativiteit door uit te blijven gaan op het gemiddelde.

Samenvattend:

Maak maakwerk standaard als het systeem niet werkt.
Ga van dat maatwerk geen systeem maken, dat is de vrije ruimte.
Herzien het systeem om de zoveel tijd op basis van wat je leerde van het maatwerk.

 

 

Er is ook nog een politieke factor. Systemen worden ontworpen door de mensen die de macht hebben en zullen dus geneigd zijn die macht te bevoordelen. 

 

 

 

Coping mechanimsen loslaten

Ik maakte gisteren een filmpje over het loslaten van coping door mijn herseninfarct. Dat is een mooi thema waar ik meer over te zeggen heb, dus misschien toch ooit een boek.

 

Waarom komt dat thema nu pas, na 4,5 maand? Ik denk dat ik dat weet. Revalideren is terug halen wat verloren is én leren omgaan met wat er niet meer terug komt. Maar de eerste tijd, en voor mij was dat dus een half jaar, was mijn aandacht zó opgeslokt door het terugkrijgen dat er geen ruimte was voor wat niet terug komt.

 

Het is natuurlijk niet zo gek dat ik dat uitstelde. Ruimte maken voor wat niet terugkomt is confronterend. Dat is ruimte maken voor verdriet, voor acceptatie, voor rouw. Maar nu het zich toch aandoet, is er ook een mooie kant. Ook een deel van mijn niet meer effectieve coping is verdwenen. Ik was met dat terughalen ook weer bezig om die oude copimg weer opnieuw te installeren. Goed dus om nu even stil te staan. 

 

Het is voor een controlfreak vreemd om te merken dat je over heel basale dingen (zoals het juist schrijven van het woord bazaal) geen controle meer hebt. Ik ben nog steeds vaak in de war met tijden, ze zitten gewoon niet goed in mijn hoofd. En zo is er eindeloos veel dat niet meteen meer direct paraat is. 

 

Ik leer nu (gedwongen) om niet in paniek raken over wat ik niet in de hand heb. Wat nog belangrijker is: ik leer, als die paniek er wel is, om die niet langer te verbergen. Want dat is wat ik deed: in paniek zijn en niemand iets laten merken. Dat heeft bergen energie gekost. Het is fijn om dat ander te doen.

 

Ik ben nog steeds hard aan het werk om dingen terug te halen. Ik wil echt heel graag veel en veel betere en sneller leren lezen. Maar ik wil niet die oude coping mechanismen terug. En dat is opletten, want ik besef dat ik bijvoorbeeld meer vooruit kijk, naar wat ik nog niet kan, dan achteruit naar wat ik al wel kan. Ik word daar ongeduldig door. Dat ongeduld laat ik kraag achter me. Dus vanaf nu is er naast ruimte voor wat ik nog moet binnen halen, ook ruimte voor wat er (nog) niet is.





Hoe mijn hersenen werken

Door mijn herseninfarct ontdek ik hoe mijn hersenen werken. Het is alsof er een heleboel programma’s die ik had geïnstalleerd om te kunnen omgaan met deze vreemde wereld, gewist zijn. Ik ben zeg maar terug naar de fabrieks setting. 

De schade zit in het visuele deel van mijn hersenen, en ik besef nu pas goed wat het is om beelddenker te zijn. Alles wat ik geautomatiseerd heb is daar opgeslagen en ik kan er niet meer bij. Rekenen: de tafels, Taal: alle spellingsregels die niet logisch te redeneren zijn maar die je moet ‘weten’. Ik kom er nu pas achter dat ik rete dyslectisch ben. Daar heb ik nooit last van gehad. Ik heb dus kennelijk een complete database in mijn hoofd gebouw hoe woorden er uit horen te zien. Die kan ik nu niet meer raadplegen.

Op eenzelfde manier kom ik er nu achter dat mijn hersenen niet echt flexibel zijn. Ik zag net een filmpje van activisten die een taart in het gezicht van iemand, ik geloof de Britse koning, gooien, en ik heb me echt even afgevraagd waarom die man bleef staan voor de twee taart die hij vol in zijn gezicht kreeg. Ik raak van slag omdat mijn OV kaart geblokkeerd is. Ik kan het treinkaartje dat ik online bestelde niet terugvinden in mijn portemonnee, en als ik een kaartje moet kopen in de bus, zwaai ik hardnekkig met de betaal-app van mijn telefoon of de chip sensor in plaats van die voor de betaalpas.  Ik neem dingen veel te letterlijk. Ik ben dus niet flexibel. Mijn flexibiliteit was een programma dat ik, na jarenlang leren van mijn blunders, geprogrammeerd had. Ik kan eigenlijk helemaal niet zo goed omgaan met alle afspraken van deze maatschappij, ik checkte alles razendsnel met de database die ik opgebouwde over hoe het hoort.

Wat nog wel heel goed werkt is de originele manier waarop ik naar de wereld kijk. Ik maak nog steeds verhalen en mini filmpjes bij alles wat ik zie. Daar werkt mijn hoofd wél flexibel. Daar kan ik makkelijker dingen in onthouden. Mijn geheugen werkt beter voor alles wat niet nuttig is, maar gewoon alleen maar leuk. 

Hersen Invarct

Let op. Deze post staat barstens vol fouten. Ik kan ze niet allemaal zien, en de spellingscontrole haalt ze er niet allemaal uit. Er zijn zelfs woorden die ik zo vreselijk slecht spel dat de spellingcontrole niet snapt wat ik bedoel.

In Mei dit jaar (2022), kreeg ik een hartinfarct. Ik kon niet meer lezen. Ik herkende de letters niet en de cijfers ook niet. Ik heb alles opnieuw moeten leren en ben daar nu dus ruim 3 maanden mee bezig. Het gaat. Maar wel heel langzaam.

Ik heb soms ook nog woordfindingsproblemen (dit is zo’n woord dat mijn spellingscontrole dus niet snapt, en ik weet niet of het goed gespeld is).

Naar ik ben blij!

Want mijn taal is NIET stuk. Ik kan dan wel niet meer schrijven, ik kan nog steeds vertellen. Ik heb dat nu al twee keer gedaan en het gaat goed (zelfs in het Engels!). Daar ben ik blij me en daar ben ik trots op. Het kost me wel bergen energie.

Ik ben dus geen schrijver meer, maar wel verteller. En pleinwachter.

Er komt nog wel een boek van mij. Mijn pleinwachtverhalen ga ik bundelen. Ik weet al een uitgever, maar die is nog aan het opstarten. Dus nog even geduld.

Ik ben er nog. En ik kan nog mooie dingen maken.

Ik ben gelukkig.

 

Misschien ga ik ooit verhalen maken en vertellen over NAH en Dyslexie. Het blijkt namelijk dar ik altijd al dyslectisch was. Schijnbaar heb ik als kin een manier gevonden om daar geen last van te hebben. Die truck kan ik dus nog een keer doen. Dat is waar (naast blijnwachten) mijn meeste energie naar toe gaat.

 

Zie mijn YouTube voor fimpjes over mijn proces tot nu toe

https://www.youtube.com/channel/UCKQsggvefrrTf0_Dq_gRKVQ/videos