Selecteer een pagina

1974

Emma fietste naar de hockeyvelden. Het was bijna dezelfde route als naar school en ze had het een keer samen met haar grote broer gefietst. Maar nu dus voor het eerst alleen. Het werd al schemerig en dit laatste stuk was een kronkelig gravelpad naast een sloot, zonder straatverlichting. Ze zou op de terugweg om moeten rijden, door een wijk in Drachten die ze nog niet kende. Waarom had haar broer hier niet voor gewaarschuwd?

Ze werd vlak voor het hockeyveld ingehaald door jongens die een stuk ouder leken. Ze hadden veel lol met elkaar, het soort lol dat Emma’s pesters hadden. Ze hoopte dat ze niet in haar team zaten. Emma zette haar fiets weg, haalde haar gloednieuwe hockeystick uit de klem die haar vader voor haar geïnstalleerd had. Net zo een als haar broer. Emma keek op naar haar broer. Dat was de grote sportieve jongen die zo goed lag bij de meisjes. Misschien had ze daarom hockey gezegd toen haar ouders aandrongen dat hij op een sport moest. Een teamsport want dat was goed voor haar sociale vaardigheden.

 

Gelukkig herkende ze de trainer. Ze liep naar hem toe.
“Ga je maar snel omkleden. Jan Jacob is het toch? De anderen zijn al bijna klaar” De trainer wees naar de deur van de kleedkamers. Emma zei niks. Het was Jacob Jan, maar iedereen deed het fout, hoe vaak ze ook mensen verbeterde. Ze haatte die naam. En natuurlijk waren het wel die luidruchtige jongens die in haar team zaten. Ze kleedde zich om en trok haar nieuwe schoenen aan, met noppen. Die liepen zo onwennig dat ze struikelde toen ze de deur van de kleedkamer uitstapte, op weg naar het veld. Ze kon zich nog net staande houden aan de deur.
“Oeps!” zei ze.
“Oeps? Zei je nu oeps? Godverdomme, zeggen we hier in zo’n geval.” Een van de grotere jongens gaf zo’n harde klap op haar schouders dat ze bijna weer viel. Emma voelde zich hopeloos verloren tussen deze jongens. Maar dat zou wennen. Verloren was een gevoel dat ze goed kende. Ze voelde zich schuldig naar elke teamgenoot die met haar moest oefenen. Ze had niet bepaald aanleg voor de sport.

 

Zaterdag waren er wedstrijden, maar deze zaterdag waren de velden vreemd leeg. En er stonden veel auto’s. Emma zag tot haar schrik dat haar teamgenoten in de auto’s stapten. 

“Jan Willem, jij gaat met de vader van Erik mee”, haar trainer wees naar een auto waar nog plaats was. Verbluft stapte ze in. Ze reden naar een dorp in Noord Friesland, tochtige hockeyvelden in een weidelandschap. Onderweg had ze uit de verhalen opgemaakt dat ze naar een toernooi gingen, ze zouden pas aan het eind van de middag weer thuis zijn. Emma wist van niks, haar ouders zouden ongerust zijn en ze had geen lunch mee en geen geld.

 

Hongerig en koud stond ze die hele dag aan de zijlijn, het was een belangrijk toernooi en de trainer had het niet tactisch gevonden haar in te zetten. Dat vond ze al lang goed, geen kans om het team teleur te stellen.

 

Emma heet inmiddels voor iedereen Emma en ze snapt nu ook waarom die kleedkamers zo’n hel waren. Ze krijgt nog steeds een knoop in haar buik als ze de combinatie van zweet, nat gras en modder ruikt. Ze ziet het nu voor zich zoals het echt was: een meisje, te midden van puberende jongens die zich onder elkaar waanden en haar tolereerden zoals ze de kluiten gras onder hun noppen tolereerden. De grote Emma neemt de kleine Emma in gedachten in haar armen. 
“Sorry dat je dit moest meemaken” zegt ze zacht en ze wiegt zichzelf.