Selecteer een pagina

Nog even over dat wandelen.

De bossen zijn zo mooi nu, onder en boven blad. De bladeren onder mijn voeten nog geen natte pulp, maar als een vijver die de kruinen boven mijn weerspiegelt. Alle kleuren goud. Het geel en oranje dat ik nu zó mooi vind, dat het in mijn kleren kruipt.

En toch.

Ik zie het. Ik bewonder het. Elk nieuw ver-, dichtbij-, en daartusseningezicht. Echt waar. Ik zeg het ook aan god: “Ik zie je”.

En toch.

Ik mis het. Het lijkt wel of ik voorzichtiger ben geworden in mijn voelen. Ik mis dat ik verpletterd word. Ik kon gisteren gewoon blijven doorademen, het happen naar lucht was vanwege de steile hellingen, niet omdat alles mij de adem benam. Ik mis dat ik helemaal stil val, gevloerd door indrukken, die van alles in mij losrammelen.

Het was zo verschrikkelijk mooi, gisteren, maar het voelde alsof ik alles voor kennismaking aannam.

Ik hoop zo dat het terugkeert, mijn kwetsbare bevattelijkheid. Dit evenwichtige vind ik maar niks. Het lijkt wel of ik medicijnen slik. (Nee ik weet daar niets van af, alleen de clichés over gevoelens die vervlakken).

Doe mij maar pieken, dan neem ik ook graag mijn dalen.