Selecteer een pagina

Die grote schrik op de kleuterschool, heeft natuurlijk te maken met mijn hoogsensitiviteit. Dat woord stond in mijn eerste versie van het manuscript voor dit boek. Maar intussen weet ik het niet meer zeker. Misschien ben ik autistisch, maar ik herken ook erg veel van ADHD en hoogbegaafdheid. Maar in dit boek wil ik het niet over de etiketten hebben. Niet omdat ik etiketten vreselijk vind. 

Etiketten zijn juist nodig.

Er is een bekende truuk voor als je per ongeluk  met een permanent marker op een whiteboard hebt geschreven. Je tekent/schrijft met een whiteboardstift over de permanente lijntjes. In de whiteboardstift zit oplosmiddel. Zo kun je de permanente stift weer weg krijgen. Stift oplossen met stift. Zo kun je ook etiketten oplossen met etiketten. ADHD klinkt beter dan “irritant druk”, dyslectisch klinkt beter dan ‘dom’, introvert klinkt beter dan “verlegen”.

Etiketten, diagnoses, typeringen kunnen bevrijdend werken. Door een reframe, door met andere ogen kijken naar jezelf. Het etiket krijgt niet alleen een andere naam, je kunt met die nieuwe naam op een heel andere, minder veroordelende manier naar jezelf kijken. Dit is hoe je hersens werken. En het heeft niet alleen maar nadelen, het heeft ook schitterende kanten.

Door (h)erkenning: Je bent niet de enige. Er zijn meer mensen zoals jij. Deelgenoten. Eindelijk word je gezien. Alleen mensen die de ontroering gevoeld hebben bij deze ontdekking snappen waar ik het over heb.

Het geeft je taal en handvatten. Het feit dat het een naam heeft, geeft je een taal om uit te leggen hoe je in elkaar zit. Je leert je eigen gebruiksaanwijzing kennen, én je kunt het delen. Daar zit wel een nadeel aan vast. Mijn dochter vertelde me dat ze steeds opnieuw met kiezen of ze die gebruiksaanwijzing deelt. Het etiket helpt anderen rekening met haar te houden. Ik wilde dat er een manier was om het te delen, zonder ook het stigma opgeplakt te krijgen.

Ik moest het al kind zonder de gebruiksaanwijzingen doen. En ik had geen taal om mezelf aan anderen uit te leggen. Ik had ook de hulp en begeleiding niet, die zo’n etiket met zich mee brengt. En ik heb in ieder geval één reden minder o zo’n etiket te willen. Ik hoef niet één woord om mezelf mee uit te leggen. Ik heb een heel boek

Ik moest het als kind zonder de gebruiksaanwijzingen doen. En ik had geen taal om mezelf aan anderen uit te leggen. Ik had ook de hulp en begeleiding niet, die zo’n etiket met zich mee brengt. En trouwens, als ik in mijn tijd een etiket gekregen had, kon ik het begrip en de begeleiding wel schudden, het stigma had ik wel gekregen, en ik denk dat ik dat heel erg goed aanvoelde. 

Nu heb ik  in ieder geval één reden minder om zo’n etiket te willen. Ik hoef niet één woord om mezelf mee uit te leggen. Ik heb een heel boek.

Wat het etiket ook is, (en ik blijf nieuwsgierig),  het is in ieder geval duidelijk dat ik een neurodivers kind was. Mijn hersens werkten anders. Er zijn bij mij andere paadjes aangelegd. Kronkelpaadjes. Hele mooie gave paadjes. Mijn probleem was nooit die paadjes. Mijn probleem was dat de wereld verwachtte dat paadjes er voor zijn om ergens te komen, liefst zonder omwegen. Maar ik kon niet zonder omwegen. En vaak verdwaalde ik, nog steeds trouwens. Ik houd van verdwalen. En ik kwam altijd met de meest mooie dingen terug.  Maar de wereld zat niet te wachten op die mooie dingen. De wereld wilde dat ene antwoord, en dat antwoord is goed, of het is fout. In die wereld kon ik alleen functioneren door al mijn paadjes voor mezelf te houden, en door een systeem te verzinnen, waarmee ik er achter kon komen wat dat gewenste antwoord nou was, liefst het goede, maar zelfs een fout antwoord voldeed. Een fout antwoord was nog altijd beter dan de onverwachte antwoorden die ik op mijn paadjes vond. 

Zo begon mijn aanpassingsgedrag. Ik maakte nooit dezelfde fout twee keer, en fouten die ik anderen zag maken, maakte ik zelfs niet één keer. Ik maakte twee lijsten in mijn hoofd. Dingen die ik maar beter niet kon doen, en dingen waar je mee kon scoren, dat wil zeggen, de dingen waarmee ik fouten kon repareren, en goodwill kon kweken voor de fouten die ik nog zou maken. Ik was slim, en goede cijfers halen was geen probleem als je eenmaal doorhad dat het niet ging om de echte antwoorden, maar om de antwoorden die ze graag wilde horen. Als je wat slimmer bent dan gemiddeld, staan de schoolmethoden  vol met overbodige stappen en overbodige uitleg. Maar die uitleg kon je gebruiken, als broodkruimeltjes, die naar dat ene gewenste antwoord toe leidden. En ik kreeg door dat het punten opleverde als je wél alle overbodige stappen maakte. Dat werkte goed, tenminste, bij de schoolvakken. In het echte leven was het een stuk ingewikkelder, maar ook daar leerde ik het spoor te volgen, de overbodige stappen te zetten, en de acceptabele antwoorden te geven.