Selecteer een pagina

Zucht.

60 kilometer fietsen hielp. Te moe om nog boos te zijn. En het leuke van wonen op een berg: het laatste stuk, als je al lekker moet bent is altijd omhoog.

Dingen gebeuren in het leven, en daar kun je dan enorm over opwinden. . .

. . . en het is goed om dat dan ook maar even te laten zijn. Ook die razernij is een ding dat gebeurt. Ik was blij dat ik die vrijdag in het ziekenhuis instortte, en ging huilen. Kennelijk heb ik ook een manier van instorten waarbij mijn boosheid naar buiten komt. Dat is net zo geldig, zolang ik niemand pijn doe.

Ik heb dus geen spijt van mijn vorige blog. Ik heb geen spijt van mijn bui. Ik heb zelfs geen spijt van de wokpan die nu een flinke deuk in het midden heeft.

Het was hoe ik me voelde. Ik sta het mezelf toe.

Het enige dat ik jammer vind is dat ik in zo’n bui geen contact kan maken mijn mijn troostende compassievolle ik. Ik weet op de achtergrond dat ze er is. Ik weet dat mijn bui voorbij gaat, maar in het moment heb ik daar niets aan. In het moment is er verdriet en onmacht, die geen eind lijkt te hebben.

Gelukkig plak ik er geen “laat alles dan maar afgelopen zijn” gedachte meer aan vast. Die gedachte komt wel langs, maar ik heb nu wel de tegenwoordigheid van geest om hem weer los te laten, zelfs midden in zo’n bui.

Het komt goed met mij. Het ís al goed met mij. En soms ook niet.