En toen werd alles anders

En toen wilde mijn dochter niet meer verder leven.

En toen stortte ook mijn leven in.

En toen bedacht dat niemand er wat aan had als ik in zou storten. 

En toen las ik over Etty Hillesum die in het donkerste van alles liefde bleef zien.

En toen bedacht ik dat ik dat ook moet doen.

En toen bestelde ik haar dagboek.

En toen wilde ik zelf ook een dagboek maken.

En dat wil ik niet alleen om Etty Hillesum na te apen. Hoewel dat wel is wat ik doe. Net zoals ik Louise Glück na aap in de gedichten die ik op dit moment schrijf. Ik heb besloten dat ik daar geen oordeel meer over wil hebben. Het is hoe het bij me werkt. Als ik iets geweldig vind, wil ik dat op een of andere manier in mijn systeem hebben. Dat begint dan met plat na-apen, maar ik vind mijn eigenheid daar wel in.

Het donkere van Etty Hillesum gaat over de tweede wereldoorlog. Het is vandaag de dag na de Europese verkiezingen. De uitslag was nét iets minder rampzalig dan die van de Nederlandse, eind vorig jaar. Maar het fascisme rukt op. En ook dat geeft een schaduw. 

Ik moet het over Fenna hebben, mijn dochter, maar nu nog even niet, ook al is ze de reden van dit dagboek. Ik had nooit een dagboek nodig. Ik schreef blogs, maakte filmpjes en schreef eindeloos veel posts op twitter en facebook. Maar nu is er iets in mijn leven dat doordringt in alles wat ik doe, en wat ik niet kan delen op de socials. Dus ga ik op deze plek schrijven, waar niemand bij kan komen tot ik dood ben. Ik heb niet de illusie dat wat ik schrijf net zo van belang is als het dagboek van Etty Hillesum.

En toch schrijf ik alsof iemand het gaat lezen. Het lukt me niet om Ins Blaue Hinein te schrijven. (Ik moest googelen hoe je dat schrijft. Twee jaar na mijn herseninfarcten weet ik van veel woorden nog niet hoe je die moet spellen. Vooral de Z of de S,  IJ of EI de V, of F, de S of C, of CH, de V of F. En buitenlandse woorden zijn helemaal een ramp. 

Ik denk dat ik graag voor iemand schrijf, omdat ik me dan minder eenzaam voel. Dus schrijf ik nu naar jou. Ook als weet ik niet wie je bent. Ook als besta je niet omdat niemand dit ooit gaat lezen, Ik doe gewoon alsof, en dat helpt me. En als ik het tegen iemand heb, wil ik graag een “wat vooraf kwam” vertellen.

Sinds de herfst kreeg ik mijn leven aardig op de rit. Ik was nogal stuurloos geweest, na mijn herseninfarct, eind mei 2022. Ik weet niet of het door de zweethut kwam, die ik deed met een vriendin, of doordat ik vriendinnen vond waarmee ik zoiets kon doen, maar ik begon weer horizon te zien. Ik was druk bezig met het tekenen aan Liedwij, ik had mijn pleinwachtboek, ik begon met het schrijven van een toneelstuk, ik vertelde in Mezrab, en ik maakte zelfs een plan om vertelavonden te gaan organiseren.  

Ik maakte me wel zorgen over Fenna. Ze kreeg een goede diagnose, en ik vond dat ze een goed plan hadden. Maar ik zag aan haar dat de rek eruit was en dat ze de moed begon te verliezen.

Ik begon haar vaker te bezoeken. Vooral ook omdat ik me schuldig voelde dat ik dat niet al lang deed. En toen, op zeven mei j.l. vertelde ze me dat ze een levenseinde traject wilde aanvragen. Gek genoeg kwam dat niet als een verrassing, maar het maakte alles in een klap anders. Mijn hoop was nu ook weg. En ik voelde me schuldig voor het fijt dat ik zo lang aan die hoop had vastgeklampt omdat ik daardoor al die tijd niet echt bij Fenna was. Ik had bij haar moeten zijn met haar verdriet en pijn, en niet ergens waar zij niet meer bij kon komen. Ik vroeg haar of ze niet vreselijk alleen was. Dat was ze.

Hier zit iets waar ik veel over moet schrijven, en ik hoop ook dat ik mensen vind om me te praten.

Die hoop.

Als ik die hoop ruimte geef voelt het alsof ik Fenna in de steek laat. Omdat ik met die hoop de pijn, het verdriet en de uitzichtloosheid van Fenna niet serieus neem, zo voelt het. Ik schreef vanmorgen iets waarvan ik een gedicht wil maken:

De schaduw van het hoopvol zijn

Is ontkenning van de pijn.

En aan de andere kant, als ik geen hoop heb, voelt het net zo goed alsof ik Fenna verraad. Alsof ik niet wil dat ze blijft leven. Ik zit nu in de bizarre positie dat ik haar steun in haar weg naar een levenseindetraject, terwijl ik helemaal niet wil dat ze haar leven eindigt. Maar als ik inspeel op het behouden van haar leven, ga ik in tegen waar zij nu is.

Ik verwoord het niet goed. Dat is niet erg. Ik heb dit dagboek. Ik kan er op terugkomen.

Een week voor ik Fenna het me vertelde zat ik in de tuin van de kerk. Dat is waar ik ‘s morgens in de zin kan zitten koffie drinken. Toe ik naar huis liep zag ik dat de kerk open was. Ik ging naar binnen en maakte een praatje. Dat was fijn. Ik was twintig jaar geleden lid geweest van de Remonstranten in Nijmegen. De sfeer hier voelde hetzelfde. Vrijzinnig en met een open hart voor iedereen, gelovig of niet. Ik ging naar de dienst voor de dodenherdenking en ook naar de reguliere dienst daarna. Dat waren mooie diensten. Dit was voor mij een manier om meer geaard te worden in het, Doorwerth, het dorp waar ik al bijna zeven jaar woon, maar waar ik nog te weinig binding mee voel. En nu, met het verdriet dat, hoe dan ook, de rest van mijn leven bij me zal zijn, is het goed om me gesteund te voelen. Ik ga lid worden van de kerkgemeente. Een van de dingen die ik ga doen is de lesweek. Daarvoor lees ik nu een boek over levensvragen. In dat boek werd geschreven over Etty Hillesum. Ik kende die naam uit de boekenkast van mijn moeder. Ik las dat ze in het aanzien van de holocaust het vertrouwen in de liefde bleef houden. Ik bestelde het boek bij Boekwinkeltjes. Vandaag kwam het binnen. En vandaag begin ik mijn eigen dagboek.

Vreemd genoeg voel ik hoop. Vreemd genoeg voel ik liefde. Vreemd genoeg geniet ik ervan als de zon schijnt. Ik ben al twee keer naar het openluchtmuseum geweest en een keer naar Kröller Müller. Ik geniet daar echt van. Ik kom tot rust. Ik voel wat ik voel als ik in de natuur ben. Dat is een onbeschrijfelijk gevoel, ik zou bijna durven zeggen een godservaring van vrede. Dat is wat me overeind houdt. 

Ik heb sinds twee weken een iPad (waar ik nu op typ), en ik geniet van het ontdekken van hoe ik daar op kan tekenen. Ik ben erg tevreden over de tekening die ik gisteren maakte.

Reiziger

Ik sta op perron 4a.

Arnhem Centraal.

Het is de tweede zomerswarme dag.

Details zijn belangrijk.

Boven mij een brug over het spoor.

Arnhem heeft veel hoogteverschil.

De brug waar ik onder sta

is er niet zo één om van spoor naar spoor te gaan.

Er is een hele straat boven mij,

met huizen aan weerszijden van het station.

Details zijn belangrijk.

Het is een andere wereld daar, boven mij.

Ik zie een man en een vrouw.

Vlakbij, maar in die andere wereld.

Ze staan te praten.

De vrouw leund ontspannen

tegen de railing van de brug.

Aan de andere kant van het station

zie ik een flat.

Een man zit op zijn balkon

te genieten van het mooie weer.

Het is een andere wereld boven mij.

Deze mensen hoeven nergens heen.

Ik voel opeens intens verdriet in mij.

Ik snap ook meteen waarom.

Deze mensen zijn hier 

ontspannen op hun plek.

Dit is waar ze nu horen te zijn.

Ze horen bij die wereld boven mij.

En ik ben de reiziger

die zich nooit ergens thuis weet.

Dát is mijn verdriet.

 

Je was jezelf al, al die tijd

Je was jezelf al, al die tijd.

Al was het begraven, diep in jou.

Je was jezelf nooit kwijt.

 

Voel verdriet maar voel geen spijt.

Om wat maar nooit echt komen wou.

Je was jezelf al, al die tijd.

 

Maak jezelf nu geen verwijt.

Laat je hart niet in de kou.

Je was jezelf nooit kwijt.

 

In al je aanpassen uit onzekerheid.

Bleef jij jezelf toch immer trouw.

Je was jezelf al, al die tijd.

 

Je masker was waarachtigheid.

Jij bént die sterke vrouw.

Je was jezelf nooit kwijt.

 

Voor wat nooit bloeien kon in al die tijd

is er nu ruimte voor de rouw.

Maar je was jezelf al, al die tijd.

Je was jezelf nooit kwijt.



“Dat heeft iedereen toch wel eens”  en waarom dat niet oké is, hoe lief bedoeld ook.

“Dat heeft iedereen toch wel eens”  en waarom dat niet oké is, hoe lief bedoeld ook.

 

Voor alle duidelijkheid, ik ga ervan uit dat degene over wie het gaat neuro divers is. Het antwoord op de vraag is in al deze gevallen dus: “Nee, dat heeft niet iedereen.”

 

Het kan troostend bedoeld zijn, om de schaamte weg te nemen als iemand iets deed wat niet helemaal passend was.  Lief, maar hiermee wordt voorbijgegaan dat de “faux pas” voortkomt uit het feit dat juist NIET iedereen dat heeft. In ieder geval niet in deze mate en zeker niet met zoveel impact. En als het gaat om iets waar iemand last van heeft is het goed om te beseffen dat anderen er niet in dezelfde mate last van hebben.

 

“Ja, dat heeft iedereen wel eens!” bedoeld als dooddoener, of erger nog als verwijt. “Doe niet zo moeilijk!” is de boodschap die gegeven wordt. “Stel je niet zo aan!” Hiermee wordt doelbewust de last die de persoon ergens mee heeft, of ergens fan heeft ontkend. Deze strategie zorgt ervoor dat degene die ze gebruikt geen rekening hoeft te houden met anderen. Het is de “Doe maar gewoon met iedereen mee!” die zoveel neurodiverse kinderen nog steeds kapot maakt.

 

“Dat heeft iedereen toch wel eens?”  kan een vraag zijn van een neurodiverse iemand, omdat diegene geschrokken ontdekt dat misschien NIET iedereen de wereld ziet zoals hij/zij/hen die ziet.

 

Het antwoord is “Nee.” Maar veel hangt af van de manier waarop dat antwoord gegeven wordt.

 

Het kan namelijk ook beschuldigend gebruikt worden.  

“Nee, dat heeft niet iedereen! Jij bent de enige die op die manier zo moeilijk doet!” En daarmee is dit in feite dezelfde beschuldigende boodschap als hierboven: “Waarom doe je niet gewoon mee!”

 

Het enige juiste antwoord is:

 

“Nee lieverd. Dat heeft niet iedereen. Dat maakt jou juist mooi. Het kan zijn dat je er last van hebt dat je anders bent dan anderen, maar ik ben er om je daarmee te helpen. Jij bent dat meer dan waard, misschien wel juist omdat je anders bent, en anderen kunnen leren van jou.”

 

Ik zou heel erg graag gewild hebben dat ik vroeger dat laatste antwoord gekregen had. Ik heb alle versies van het verkeerde antwoord over me heen gehad, en ik besef steeds meer hoeveel schade me dat heeft gedaan.

De dubbele bodem van maskeren, en waarom ik niet zo van die term houd.

Vorige week schrok ik van mijn eigen onverdraagzaamheid tijdens het pleinwachten. Ik kon het niet hebben dat bovenbouwers steeds de grenzen zochten en ontwijkend antwoordden als ik ze daar op aansprak. 

Dat kende ik niet van mezelf. Ik vind het namelijk heel normaal dat ze dit doen. Het hoort bij hun stap naar meer zelfstandigheid, en ze hebben het recht om daar niet altijd even handig mee om te gaan. Dat is precies wat ze ontdekken. Het is aan mij als pleinwacht om daar goed op te reageren. 

Het heeft helemaal geen zin om daar geïrriteerd over te zijn. En dat was ik eerder ook nooit. Maar door mijn NAH heb ik soms minder ruimte in mijn hoofd om daar goed mee om te gaan. Ik voel die irritatie nu wel, en ik herken hem. Het is de irritatie die ik vaker voel als dingen niet lopen zoals ik vind dat ze horen te lopen. Ik weet nu dat dit onderdeel is van mijn autisme. 

En nu realiseer ik me iets. Ik kon er vroeger niet alleen soepeler mee omgaan, ik had toen niet eens last van die irritatie! En dát is de dubbele bodem van aanpassen, compenseren en maskeren. Die irritatie was er toen gewoon ook, maar ik stond mezelf niet toe om die te voelen. Om te aanpassen, compenseren en maskeren vol te houden moest ik mijn eigen gevoel onderdrukken. Dat deed ik volkomen onbewust. Dat is waarom ik niet zo van dat woord maskeren houd. Dat lijkt veel te veel op een bewust proces, waarbij je jezelf bewust inhoudt, of een rol speelt.

Ik heb nu dus iets nieuws te leren. Ik wil leren om het beiden toe te staan. Ik wil leren dat mijn irritatie er mag zijn, maar om niet vanuit deze irritatie te handelen. Dat lijkt logisch, maar ik heb dat nooit geleerd omdat het mijn tactiek was om die irritatie te elimineren. Nu ik weet hoe het zit, kan ik met dit soort dingen beter omgaan. En als dat even niet lukt, weet ik dat ik ook aan het leren ben, en net als die bovenbouwers er recht op heb om daar niet altijd even handig mee om te gaan. 

Unmasken

Unmasken, heet het, leerde ik gisteren. Stoppen met het maskeren van je autistische trekken. Bij mij gebeurt het onbewust, zoals ook mijn maskeren onbewust gebeurde. Ik begin nu pas te begrijpen hoe mijn maskeren werkte.

 

Het grootste deel van wat bij mij maskeren was, kun je benoemen met “Niet zo moeilijk doen.” Maar dat deed ik amper bewust. Het was niet: “In heb er last van, maar ik mag niet moeilijk doen, dus ik houd mijn mond maar.” Of: “Ze zeggen dat ik het niet meer moet doen, dus ik doe mijn best om me in te houden.”

Nee, mijn brein bouwde nog een extra laag om het goed te verstoppen, voor mezelf, want als ik er niet bewust van was, kon ik het ook niet verraden. Mijn brein hield me dus druk bezig om last te hebben van andere dingen, die meer acceptabel waren. Voor de zekerheid gaf het me een flinke dosis perfectionisme. Dat was twee vliegen in één klap: het zorgde ervoor dat ik niet per ongeluk de fout in ging, en het hield me lekker bezig zodat ik niet de diepere laag achter die fouten zou ontdekken.

 

Op precies dezelfde manier heb ik voor mezelf mijn trans zijn verborgen. Overal rookgordijnen. Ik zag een cartoon, waarin een vrouw een oscar krijgt voor het maskeren van haar autisme. Maar zo was het bij mij niet. Het was geen rol die ik speelde, het was een trauma-reacties, die op diepe lagen in me doorwerkten.

Een autistische pleinwacht

Het is doodnormaal dat kinderen van groep acht de grenzen zoeken. En dat begint zelfs al in groep zeven. Ze voelen zich groter en vinden sommige regels te kinderachtig. Het is ook normaal dat ze daar een beetje een spel van maken. Ze kunnen zich beter uitdrukken, en als ze weten dat ze net over de grens zijn geweest, proberen ze uit of ze ermee weg kunnen komen. Het hoort er allemaal bij. Het vraagt als pleinwacht wel wat soepelheid om dat allemaal als spel te blijven zien, inclusief het aangeven van grenzen en de consequenties die horen bij het overgaan van de consequenties.

 

Mijn soepelheid is weg, en daar heb ik last van. Ik kom er steeds meer achter hoe autistisch ik ben. Ik kom erachter dat de soepelheid die ik had een vorm van masking was. Ik had vroeger geen moeite om met een warrige en onlogische wereld om te gaan. Nou ja, het kostte me natuurlijk bergen energie, maar ook dat had ik niet door. Totdat het draaide waarmee ik alles vast hield knapte. En nu, met mijn NAH, heb ik nog amper ruimte om supel om te gaan met alles wat op me af komt.

 

Het irriteerde me vandaag gewoon dat twee kinderen de hele tijd langs die grenzen liepen, en dat ze, als ik ze er op aansprak, zo glibberig waren als alen. Wat ook nog gebeurt, als ik moe ben, is dat er oude mechanismen boven komen. In dit geval uitte zich dat erin dat ik het persoonlijk nam, alsof ze mij persoonlijk uitdaagden. Ik vind dat niet professioneel als pleinwacht. Ik ben dan niet de pleinwacht die ik wil zijn.

 

Ik heb de rest van de week vrij genomen. Het steekt me, en dat wil ik niet overbrengen aan de kinderen.

 

Ik dacht dat ik er oké mee was, met mijn autisme. Dat daar intussen wel een weg in had gevonden. Maar het lijkt wel of ik er steeds meer last van heb. Of misschien zie ik het nu scherper, dat kan ook. De eerste stap die ik te doen heb, is het lief zijn voor mezelf. Mezelf gunnen dat mijn masking afbrokkelt, en dat daaronder een wat ruwere versie van mezelf zit, die nu zichtbaar wordt.

 

Waar ik wel moe van word is dat het proces van mezelf accepteren nog steeds in volle gang is. Ik ben daar nog niet klaar mee, zo blijkt.

Ik ontdekte iets waar ik me voor schaam

Ik schreef eerder al dat ik buien heb waar ik heel erg door iets bezig word gehouden, en dat die ook weer voorbij kunnen gaan. Iemand op de socials noemde dat Hyper Fixatie, en iemand anders gaf me zelf een woord voor die buien: dat is een Fiep.

Ik merk steeds meer autistische dingen in me. Deze is er ook een, en ik realiseerde me deze week dat deze veel verder gaat. Het is iets dat ik niet van mezelf wist, en het is ook iets dat ik lastig vind om te erkennen.

Ik kan me vastbijten in dingen en dan blijven mijn hersenen in een groef vasthaken. Voor de jongeren onder ons: vroeger had je langspeelplaten, de naald bleef dan soms hangen in een groef en dan werd steeds hetzelfde stukje muziek afgespeeld. Tot mijn schrik moet ik erkennen dat ik soms ook zo’n vastgelopen langspeelplaat ben.

Ik blijf hangen in iets dat ik op dat moment belangrijk vind. Als dingen me raken, of dat nu een nieuw inzicht is of kunst, of weer iets anders, komen ze bij mij heel erg hard binnen. Voorbeeld: Ik zit nu in de strips. Ik heb een paar hele hele mooie stripboeken ontdekt, en ik zou elke week wel naar de stripwinkel willen om te zien of er nog meer moois is. Ik moet letterlijk huilen omdat ze zo mooi zijn. Ik kan er alleen in superlatieven over praten, val er iedereen mee lastig, en ik ben mijn boekwinkel zelfs ontrouw. Jee wat zal ik een irritant kind geweest zijn, en misschien ook wel een irritante volwassene.

En nu komt de schaamte. Want dat heb ik dus al mijn hele leven. Ik val mensen lastig met wat ik super belangrijk vind, ik bijt me vast  in onderwerpen. Ik maak dingen superbelangrijk en trek anderen daarin mee. En nu voelt het alsof ik die mensen misleid heb. Omdat het niet zo heel belangrijk was. Omdat het maar mijn nieuwste speeltje was.

Mas het allemaal dan niet belangrijk? Kan ik mijn enthousiasme nog wel vertrouwen? 

Misschien had ik vorig jaar al een vermoeden van dit trekje van me, en was ik daarom zo huiverig om nieuwe dingen aan te pakken. Misschien was het niet alleen mijn NAH (niet aangeboren hersenletsel) die me tegenhield.

In de herfst durfde ik weer mijn tanden te steken in een aantal dingen.

Een toneelstuk

Boeken maken

Tekenen

Vertelavonden organiseren.

Ik neem me voor deze vier trouw te blijven. Blijfwachten was er al.

Ik ga mezelf toestaan om voor alle andere dingen me te verliezen in Fieps.

En ik ga mezelf toestaan me niet schuldig te voelen dat mijn brein af en toe als een langspeelplaat blijft hangen. 

 

Pleinwacht. uit de herschrijf ronde

Juf hij slaat zomaar. Ik loop mee. Onderweg blijkt dat de jongen die me komt halen niet zelf de klap kreeg, maar dat hij vind dat slaan niet mag, en dat wil hij even gezegd hebben.

De jongen waar het om gaat ziet ons aankomen, en komt naar ons toe. Ik blijf dat bijzonder mooi vinden, dat kinderen snappen dat er iets op te lossen valt en daar niet voor weg lopen. Het helpt dat ik altijd alle partijen serieus neem, en er voor zorg dat er nooit een beschuldigend vingertje is. Maar toch, het zijn de kinderen die het vertrouwen daarin laten zien. Dat ontroert me elke keer weer.

De hele houding van de jongen die sloeg is zo mooi open. Geen schuldbewustzijn, geen ontkenning. Hij is klaar om op te lossen wat er op te lossen valt. 

Zoals altijd laat ik ze beiden zelf het woord doen. 

De jongen die sloeg legt uit waarom dat deed, niet zozeer een excuus als een verklaring. Het zijn kinderen uit groep vier en ik begrijp dat de jongen die de klap kreeg een bovenbouwer was. Die bovenbouwer is niet meer in beeld, en ik vermoed dat ik die ook niet hoef te beschermen. Ik heb niet meegekregen wat het oorspronkelijke conflict was, dat hoef ik ook niet te weten. De jongen die me kwam halen, lijkt tevreden met de uitleg. Hij heeft ook kunnen zeggen dat slaan niet mag en dat is ook gehoord.
“Is het opgelost?” vraag ik. De jongen die de klap gaf knikt van ja. Ook de jongen die me kwam halen knikt, haast onmerkbaar.  Misschien wil hij graag dat ik nog even herhaal dat slaan niet mag. Maar ik zie ook aan hem dat hij beseft dat dat al gezecht is. Door hemzelf. En dat die andere jongen dat van hem geaccepteerd heeft. En misschien was het in dit geval nodig om tegenover een grotere jongen duidelijk de grenzen aan te geven.

Er was niet zoveel aan de hand dus, en toch ben ik blij dat ik de jongen die me kwam halen serieus heb genomen. Vroeger kreeg ik als juf een klein beetje de kriegel van kinderen die steeds aanwijzen wat andere kinderen fout doen. Klikspanen vond ik het.

Intussen snap ik beter waar dat vandaan kan komen. Sommige kinderen hebben behoefte aan duidelijkheid. School kan een sociale wildernis zijn met allemaal ongeschreven regels, en moeilijk te doorgronden code’s. Als de expliciet benoemde afspraken dan ook nog flexibel blijken te zijn is het niet meer bij te houden. De “Juf! Hij doet iets wat niet mag!” is lang niet klikken. Het kan een poging zijn om weer houvast te krijgen. Een check: “Maar dat hadden we toch anders afgesproken?”

Daarom liep ik mee met die jongen. Om te bevestigen dat we dat inderdaad anders hadden afgesproken. En deze jongen heeft nu ook gezien dat een “Foei!” niet altijd nodig is.

Vertelavonden in Armhem

Vertelavonden in Arnhem.

 

Er komt een nieuwe plek in Arnhem om te vertellen en om te luisteren naar verhalen.

 

Zet vast in je agenda. De eerste avond is 16 mei.

 

We beginnen klein dus er is beperkt plek. Het is daarom nodig om je op te geven. Er is plaats voor 15 mensen.

 

Dat kan door een mail naar Emmajjvoerman@gmail.com met als titel “Vertelavond”.

(Zet even in de mail of je je nu al op geeft, of dat je alleen op de hoogte wil blijven)

 

Wat is de bedoeling?

 

Iedereen kan vertellen. De avond wordt een mix van een workshop en van vertellen. Ik ga jullie laten zien hoe je van persoonlijke belevingen een mooi verhaal kunt maken. Niet iedereen komt aan bod om een verhaal te delen. Dus als je alleen wil komen luisteren en mee beleven ben je ook zeer welkom.

 

Wat het niet is:

 

Het wordt geen therapeutische ‘werken met verhalen’ avond. Het doel is genieten van verhalen en we gaan er niet over na praten.

 

Er worden geen bestaande verhalen verteld. De verhalen komen voort uit eigen ervaringen. Ik heb geleerd dat die vaak spannender zijn dan fictieve verhalen. 

 

Waarom deze stap?

 

Twee jaar geleden volgde ik een cursus verhalen vertellen bij Mezrab. Sindsdien vertel ik daar regelmatig. Ik vertelde aan een van de docenten hoe mooi ik die plek vond. Hoe mooi de verhalen, hoe fijn de sfeer. Ik zei dat ik zoiets miste in Arnhem.
“Waarom start je dan niet zelf iets daar?” zei ze,

Dit is die start. We beginnen klein. Ik hoop dat het uitgroeit tot iets moois.

 

Ik durf dit alleen te doen omdat ik hierbij gesteund en geholpen word door Hilda Wartena.

 

Ik zal de komende tijd hier meer vertellen over hoe die eerste avond eruit gaat zien. Zet hem vast in je agenda. Of mail nu al als je zeker wil zijn om dit niet te missen.