Selecteer een pagina

Noah speelde in de pauze altijd alleen. Dat vond hij niet heel erg. Hij kon wat zich allemaal in zijn hoofd afspeelde toch nooit goed uitleggen aan anderen. Bovendien, die anderen speelden wel mee, alleen wisten ze dat niet. Zo hadden bijna alle kinderen uit zijn klas meegeholpen met het behalen van zijn holbewonersdiploma. Ze waren onderdeel geweest van de jacht, hadden meegeholpen met vuur maken, hadden zijn grottekeningen bewonderd. Het was wel jammer dat sommige kinderen er doorheen liepen. In andere weken was hij een ruimtegevecht aan het voeren met de kinderen. Hij ontweek laserstralen, en gooide vuurbommen en lichtsperen. Soms klaagden andere kinderen over hem bij de juf.
“Juf, hij volgt ons steeds. Juf, hij zegt ons na. Juf, hij bespiedt ons.”

De juf stak dan een preek tegen hem af, en daar luisterde hij dan maar naar. Wist de juf veel. En hij speelde door. Alleen. Dat ging al een hele tijd goed. Alleen was makkelijker, maar toch ook wel alleen. Soms was hij daar wel een beetje verdrietig over.

Maar nu was er een nieuwe juf op het plein. Een juf die glimlachend naar hem keek als hij sloop, lasers ontweek of bommen gooide. En toen op een dag gebeurde het, deze juf maakte bezwerende gebaren en gooide toen een vuurstoot naar hem toe. Hij wist die nog maar net te ontwijken. Hij beantwoordde het vuur, de juf ontweek, maar daar had hij op gerekend. Direct vuurde hij nog drie energiestoten op haar af en ze was getroffen. De komende dagen speelde hij dit spel af en toe met de juf. Andere kinderen zagen plotseling wat hij allemaal kon. Ze begonnen mee te doen met het spel, ze keken naar hem hoe het moest en deden hem na. Eerst wilden ze allemaal de juf raken, maar op de dagen dat de juf er niet was, speelden ze met en tegen hem. Er was een nieuw spel geboren op het plein en hij was er het middelpunt van.