Selecteer een pagina

Ik was negentien. Ik zat in mijn tweede jaar huishoudwetenschappen in Wageningen. Dat soort studies konden nog toen universiteiten niet commercieel hoefden te denken, for better and for worse. Dat huishoudwetenschappen was een afgeleide van een afgeleide. Ik wilde iets sociaals, want wereld verbeteren.Een studiekeuzeadvies raadde me iets technisch aan, want ik moest eerst maar eens mezelf leren kennen. Hoezeer ze het bij het rechte eind hadden konden zij ook niet vermoeden. Ik koos Wageningen als compromis, een beetje technisch en veel sociaal. Ik wilde eerst landschapsarchitectuur doen, maar toen ik de tekeningen zag van ouderejaars schrok ik terug: zoiets zou ik nooit kunnen.

 

Vanwege mijn gedraai moest ik nog wat vakken overdoen en zo ontmoette ik Marjon. Mijn vriendenkring bestond sowieso uit meisjes, bij hen voelde ik me meer op gemak.Ik leerde het begrip pas veel later kennen, maar ik zat altijd in de friendzone. Ik zag het niet zo. Het waren vriendinnen, zoals mijn vrienden vrienden waren. Ik was niet zo into vrijen en sex.

 

Marjon was gewoon een vriendin. Ze had een jongensachtige pony, droeg tuinbroeken, en ze was heel down to earth. Ik was onder de indruk van haar, ik praatte over wereld verbeteren, zij deed het, zonder veel poespas. Ze was introvert, net als ik. Als twee introverten elkaar vinden gaan er luikjes open. We konden in elkaar leegstromen, dat maakte dat ik graag bij haar was. Ik ging zelfs een keer een weekend mee naar haar ouders.We fietsten naar Den Bosch. Mijn ouders woonden in Friesland. Soms gingen we naar Groningen of Leeuwarden. Ik voelde me een provinciaal in Den Bosch, een grote onbekende stad.

 

Marjon was vegetarisch. Ik stelde voor om de kaasfondue van mijn moeder te maken, maar op de hele markt vonden we geen Appenzeller, zelfs geen Gruyere. Ik had hier schamper over kunnen doen, om me op die manier minder provinciaal te voelen. Maar Marjon maakte dat soort gevoelens overbodig. Zelfs de schaamte die ik voelde dat mijn plannen mislukten bleef niet lang hangen. Marjon redde me door de knoop door te hakken, en haar ouders verzekerden me dat ze kaasfondue met Emmenthaler (dat was er wel) en hollandse kaas ook heel lekker vonden. Wat deed deze familie veel om me thuis te laten voelen. Ik was verlegen van dankbaarheid.

En nog steeds had ik niet het idee dat we verkering hadden. Gewoon twee zielen die elkaar gevonden hadden. Al had ik het gevoel dat haar ziel puurder was.

 

Marjon woonde in een bijzonder studentenpand, een oud ziekenhuis. Brede gangen met linoleum op de vloeren, maar daaronder kraakten de planken. Deuren waar een bed door kon, en vreemd grote kamers. Andere bewoners zag je alleen als ze als schimmen over de gang liepen. Hoe anders dan mijn kleine knusse kamer op Hoevestein 11B, waar we als afdeling/gang alles met elkaar deden. Bij ons geen 8 botervloten, 8 potten pindakaas, en pakken met namen erop in de koelkast. Wij hadden een soort van mini socialisme dat prima werkte, alles werd hoofdelijk omgeslagen. Alleen de bierflesjes en de telefoontikken werden geteld. En hoe vaak je mee at, dat dan weer wel.

 

Het gebouw van Marjon mocht dan unheimisch zijn, haar kamer was een oase. We kletsten en luisterden elkaars muziek. Op die bewuste avond liet ze me The logical song horen, van Supertramp. Ze had de live elpee Paris. Ik kende alleen de studio versie, en was verrast hoe voller dit klonk, maar dat was niet waar het Marjon om ging. Ze liet me de tekst lezen, en vertelde me dat ze zich precies zo voelde, gedwongen te leven in hokjes die niet pasten. Ik had dat soort gesprekken ook vaak met mijn filosofisch aangelegde flatgenoten, maar nooit zag ik hoe iemand er zo persoonlijk door geraakt werd als Marjon. Mijn behoefte om hierover te discussiëren smolt. Er viel eenvoudig niets meer te zeggen. We luisterden stil de plaat af, Marjon stond op om hem om te draaien, en kwam weer op de bank zitten.

 

Ik weet niet meer wie het initiatief nam, en als ik het was weet ik niet waar ik de moed vandaan haalde. Het voelde alsof het vanzelf gebeurde, niet iets waar we op uit waren, maar iets waar we ons aan overgaven. Ik heb de plaat niet horen afslaan. We zaten een hele avond innig omarmd. Het leek één lange zoen. Geen handen die onder kleren iets zochten, maar handen die streelden en koesterden en stevig vasthielden. Ik hoefde geen borsten te voelen, ik wilde Marjon voelen. Het werd laat. En toen moest ik met Marjon die vreemde brede gangen door. Ik voelde me bijna betrapt door een schim die een wc in schoot. Ik was vergeten dat er nog andere mensen bestonden.

 

Buiten bleven we zoenen, ik met de fiets al tussen mijn benen, duizend keer zeggend dat ik nu echt ging.

 

In extase fietste ik naar huis, mijn hele lichaam leek vol elektriciteit te zitten. Thuis gekomen merkte ik dat mijn onderbroek nat was. Voorvocht, ik had daar ooit eens iets over gehoord. Kennelijk had dat deel van mijn lichaam ook mee gevoeld. Ik ontdekte dat nu pas.

 

Voordat er weer een kans kwam kreeg ik bericht van het ziekenhuis. Ik had al een tijdje een opgezette klier in mijn nek, die mijn huisarts niet vertrouwde. Er was een biopsie gedaan, en dat was opgestuurd naar een lab. De uitslag was binnen.

Lymfeklier kanker. Mijn vader die medicijnen had gestudeerd nam contact op met het Academisch Ziekenhuis in Groningen. Hij kende daar mensen, het was dicht bij mijn ouderlijk huis, (als je in Friesland woont is alles in het noorden dichtbij), dus een logische keuze.

 

Marjon bracht me de lange rit met de trein naar mijn ouderlijk huis, dat wilde ze me niet alleen laten doen. Ik dacht aan haar, hoe ze de hele terugweg alleen zou zijn.

 

Ik kwam in de medische molen terecht, werd een maand opgenomen voor onderzoeken. Mijn milt werd eruit gehaald en ik kreeg bestraling. Ik had geen oog voor iets anders dan beter worden.

 

Toen ik een half jaar later voor het eerst weer in Wageningen kwam had Marjon een andere studie in een andere stad. Ik voelde me schuldig dat ik niet genoeg aandacht voor haar had gehad. Ik zocht haar op, maar de magie was voorbij. Vooral omdat ik door het gedoe een tijdlang nogal egocentrisch was. Ik had moeite om mijn draai weer te vinden. Gelukkig waren er mijn filosofische flatgenoten. Ze waren lief voor me. En als je veel praat over het leven hoef je het niet zo te voelen.

 

Ik draai nog steeds Paris, van Supertramp, en denk dan aan Marjon. En aan een citaat van Stephen King uit Hearts in Atlantis.

 

“It was the kiss by which all the others of his life would be judged, and found wanting.”

 

Pas nu besef ik dat dit mijn eerste lesbische zoen was.

Please follow and like us: