Selecteer een pagina

Nee wordt niet wakker, slaap maar lekker door.

Ik fluister lieve woordjes in je oor.

Ik zoek je knuffel, leg je dekens goed.

Dit moment is als het wezen moet.

Maar straks ga jij alleen de wereld in,

moet ik je laten gaan.

Je groeit zo vreselijk snel,

je speelt je eigen spel,

maar ik zal aan de zijlijn staan.

 

Ik kijk naar jou en zie mijn eigen angst.

En juist daarvoor ben ik het allerbangst.

Ik weet mijn lessen zijn de jouwe niet,

jij hebt ook recht op jouw verdriet.

Bij alles wat ik doe of laat voor jou:

te weinig en te veel.

Weet dat ik van je hou,

weet dat ik je vertrouw

weet dat ik ook je vreugde deel.

 

Nee wordt niet wakker, het is nog lang geen dag.

Geniet ervan dat jij nog dromen mag.

Als jij straks wakker wordt

en jij jezelf in het leven stort,

weet het is goed

dat jij doet wat je doet.

 

Maak je fouten voel je vrij.

Het is zoals mijn vader zei,

ik weet opeens,

dat geldt ook nog steeds voor mij.

 

Dit liedje schreef ik voor mijn oudste zoon, toen hij een jaar of drie was. Ik schreef het ook voor mezelf. Ik wist het dus, van dat fouten maken.

Maar weten is niet voelen. Weten is niet doen.

Ja, natuurlijk! Ik liet ze fouten maken, mijn kinderen, en ik was mild voor mijn eigen fouten. Maar dat waren de fouten die er niet toe deden. Zoals perfectionisten ook hier en daar een steekje durven laten vallen om te bewijzen dat ze niet perfectionistisch zijn. Maar de echte grote schaamfouten, daar blijven we bij weg. En de fouten waarin onze kinderen ons het meeste spiegelen, die willen we toch het liefst voorkomen.

We gaan ons zorgen maken, en als we zorgen maken, weven we een web waarin we onszelf en onze kinderen in verstrikken.

 

Mijn zorgen gingen uit naar Fenna. Ik had nog niet eens door dat ik teveel herkende en projecteerde. Fenna was de meest sensitieve. Er was nog amper internet. Een zegen, voor opvoeders. En een ramp. Want wat had ik graag meer geweten over hoogsensitiviteit. We hebben haar last met de kleren die ze droeg bijvoorbeeld niet serieus genomen. Zo erg kon het toch niet zijn? Wel dus, en dat heeft ze in haar eentje moeten dragen.

Ik was bezig met mijn eigen persoonlijke ontwikkeling, en begon in te zien hoe ik zelf verantwoordelijk was voor mijn ervaringen. Ik vertaalde dat in mijn naïviteit op een compleet verkeerde manier naar Fenna. Fenna kon boos zijn op de hele wereld. Ze kon de stoep vervloeken dat die te dichtbij kwam, als ze viel met haar fietsje. In plaats van te zien dat zij alle reden had voor haar boosheid, en haar bij te staan wilde ik haar helpen. Ik dacht nog dat ik goed bezig was ook, omdat ik het doseerde. Ik wilde af en toe tegengas geven, niet alleen maar troosten, maar ook af en toe de muur zijn waar ze tegenop botste. Dat was niet eens zo verschrikkelijk geweest, als ik niet tegelijkertijd vol zat met afwijzingsangst. Ik ontwikkelde een (van mijn kant gezien) borderline-achtige aantrekkings- afstotings- relatie met mijn dochter. Het is niet helemaal zo zwart/wit, we had our moments. En toch, er zijn niet veel dingen in mijn leven waar ik blijvend spijt van heb, zelfs mijn late transitie niet, maar dit had ik zo graag anders gedaan.

 

En Fenna hielp me met mijn eerste kledingkeuze als vrouw.

 

Ze woonde weer thuis. Het constant op haar tenen moeten lopen had haar tol geëist. Ze had alles gered. Ondanks een VMBO advies, deed ze VWO en haalde haar propedeuse. En toen stortte ze in, een zware burnout. Te lang, te veel aangepast aan de wereld. Mijn transitie hielp niet echt. Ze was net herstellende, en nu zou ze haar vertrouwde plek moeten opgeven.

 

Fenna was vaak nog laat wakker vanwege slaapproblemen. Ik had net de jurk gekocht waarin ik mezelf voor het eerst al vrouw kon zien. Mijn ex had gezegd dat ik alles buiten mijn gezichtsveld moest doen, maar mijn kinderen waren erg meelevend en nieuwsgierig. Ik trok mijn jurk aan op mijn kamer (we sliepen al een tijdje apart), en liep de trap af. Ik stak mijn hoofd om de huiskamerdeur.
“Ik heb een jurk aan. Wil je hem zien, of heb je daar juist helemaal geen zin in?”, vroeg ik.

Fenna, wenkte met haar beide wijsvingers.

“Komkomkom” fluisterde ze, en toen na een stilte: “Wat gek, dit staat jou!”

Ik voelde een grote opluchting.

Ik liet vaker mijn aankopen zien, en Fenna, die erg kritisch is, kon mijn smaak waarderen.

“Jou staat ook alles!” zei ze een keer jaloers. Voor haar was het confronterend, want juist goede kleren vinden was een van de pijnlijke dingen in haar leven.

Die avonden kwamen Fenna en ik dichter bij elkaar.

“Je bent zachter”, zei Fenna.

 

Een van die avonden kon Fenna kwijt hoe ze mij als vader gemist heeft.

Ik liet haar tot diep in de nacht praten. Ze vertelde hoe het voelde om niet serieus genomen te zijn in haar kledingallegieen. Ze vertelde hoe ze het op school had moeten verbergen, en hoe eenzaam dat voelde, omdat het niet een geaccepteerd ‘ding’ was waar ze door het te delen gemakkelijk begrip voor kon krijgen. Ze vertelde hoe ze onze ruzies gezien.

“En dan kwam jij naar boven om het goed te maken, en dan ging je uitleggen dat je mij snapte, met een verhaal over jou. En je zag niet in dat het dan weer over jou ging. En dan lag ik later te piekeren, want ik kon zien dat jij er ook niks aan kon doen, omdat je ook worstelde, maar dan dacht ik weer: maar ik ben toch het kind, ik ben toch niet degene die het moet snappen?”

 

Het deed zo’n pijn om dit te horen, maar ik was haar zo vreselijk dankbaar. Ik voelde weer verbondenheid en het was Fenna die het lijntje legde. Ik hield mijn tranen binnen, het minste wat ik kon doen was er deze keer voor zorgen dat het niet om mij ging.

 

Onlangs hielp ik Fenna met verhuizen. Ze woont weer op zichzelf.

“Vroeger had ik je niet gevraagd. Ik had geen zin gehad in je gemopper, maar nu vertrouw ik je.”

We zetten met zijn tweeën een te grote kast in elkaar. We werkten als een geolied team. Maar toen we de achterwand pakten, zakte hij krakend scheef en viel dwars door een buitenraam. Fenna schoot heel even in paniek. Natuurlijk waren al haar stresshormonen weer hevig tekeer aan het gaan. Ik liet de kast de kast en ging naast haar zitten. Fenna was binnen een kwartier uit haar paniekbui. Ik ruimde snel het rondslingerende glas op, we trokken de deur van het rampgebied achter ons dicht en zochten een terrasje op. Grote broer hielp later de kast alsnog op te zetten. Een andere verhuisdag liep zo relaxed! Geen enkele tegenslag kreeg ons goede humeur te pakken.

“God, wat is het fijn om veerkracht te hebben.”

Fenna beaamde dit.

“Wat jammer dat ik het als kind niet leerde, en dat ik het jou niet heb kunnen leren.”

“Geeft niet” zei Fenna, “Ik kan het mijn kinderen wel leren.”

 

 

 

 

 

 

.

 

Ik ben zo vreselijk trots op dit kind, en zo blij met de relatie die we hebben.

Please follow and like us: