De toren

Hij zat thuis in zijn werkkamer met een doos voor zich. In die doos zat de inhoud van zijn kast. Hij was één van de laatste leraren geweest met nog een eigen lokaal, en bijbehorende kast. Hij had bij het opruimen alles ongezien in de doos geschoven, en nu pas had hij tijd om te kijken naar de wat hij al die jaren had verzameld. Als een archeoloog groef hij in zijn verleden.

Een envelop met een bobbel trok zijn aandacht. Hij had dat briefpapier lang niet gezien. Helemaal in het begin van zijn loopbaan had hij dat trots laten drukken: drs. Bouwma, historicus. Een opwelling. Hij had het papier en de enveloppen niet eens durven gebruiken. Voor de leerlingen was hij gewoon Bouwma geweest. Geen meneer, laat staan drs.

In de enveloppe vond hij een oude sleutel. Het duurde even voor hij die herkende. En toen kon hij zich niet meer voorstellen dat hij hem vergeten was. Al die jaren, achterin zijn kast, onaangeraakt.

Bouwma bleef heel lang zitten met die sleutel in zijn hand. Toen liep hij naar beneden, trok zijn jas aan en ging de deur uit. Hij had zijn fiets al van het slot toen hij bedacht dat hij makkelijk kon lopen, zo ver was het niet.

Een half uur later stond hij voor de toren. Hij was de heuvel opgelopen en stond op de versleten stoep. Vlak voor de deuren die nog nooit open waren geweest. Dat wist hij, het was een van de raadselen van de toren. Hij wist alles wat er te weten viel over deze toren. En dat was niet veel. De toren was ouder dan de stad zelf, en niemand wist waartoe hij ooit gediend had. Verdedigingswerk? Uitkijktoren? Ten behoeve van wat, of wie? Zijn afstudeerscriptie had vol theorieën gestaan, die allen als onwaarschijnlijk waren bestempeld.

En nu stond hij hier. Klaar om de enige theorie uit te proberen die hij niet had opgenomen in zijn scriptie. Zelfs met niemand ooit gedeeld. Een theorie die langzaam uit zijn hoofd verdwenen was. Nee, niet verdwenen, besefte hij. Een onzichtbare, onnoembare aanwezigheid in zijn hoofd was het geweest. Dat gevoel dat je iets vergeten bent, maar niet meer weet wat.

Hij keek naar de sleutel in zijn hand. Hij keek naar de deuren die nog het originele beslag hadden. Het sleutelgat was de goede maat. Had hij dat niet al ooit eerder geconstateerd?

Hij keek nog één keer omhoog. Naar de zeven ramen van de toren. Hij schrok. Zag hij achter dat onderste raam iets bewegen? Nee, hij had het zich vast verbeeld. Hij stapte naar voren, stak de sleutel in het sleutelgat, en draaide hem om.



De deur ging soepel open, zonder te klemmen, zonder kraken. “stom, geen zaklamp” dacht Bouwma. Voor zover hij kon zien bestond de binnenkant van de toren uit een wenteltrap. Niet verrassend. De onderkant van de toren was smal. Wat hem zo bijzonder maakte was dat elke volgende verdieping breder was. Bouwma had vroeger een opvouwbare beker gehad. Een plat rondje dat je uit kon schuiven tot een echte waterdichte beker. Hij had dat een wonder gevonden. Voor hem was de toren vroeger een reuze uitschuifbeker geweest. En reuze wonderlijk.

Het licht van de zomeravond scheen door de deur naar binnen. De trap verdween in het donker, maar op elke verdieping zou hij er een raam zijn. Hij waagde het er op.

Niet het donker maar de atmosfeer joeg hem angst aan. De lucht voelde dik. Alsof de toren hem omhelsde, in zijn greep hield. Bij elke trede voelde Bouwma zich zwaarder. Hij wilde zijn pas versnellen, maar dat lukte hem niet.

De laagstaande zon die door het raam van de eerste verdieping scheen, kwam hem op de trap al tegemoet. Bovenaan de trap moest hij zelfs zijn ogen dichtkijpen tegen het binnenvallende zonlicht. Hij liep naar het raam en keek naar buiten. De zon kwam nog net boven de bomen uit. Zijn blik ging naar beneden. Zijn ogen waren nog steeds halfdicht, maar wat hij zag deed ze wijd open sperren. Verschrikt sprong hij achteruit. Dat bestond niet ! Het licht speelde hem parten natuurlijk. Hij wreef in zijn ogen. Nabeelden van de zon dansten in het donker achter zijn oogleden. Nabeelden. Zoiets moest het geweest zijn. Langzaam deed hij een stap terug naar het raam. Hij keek naar beneden. Niets te zien, een lege stoep.

En toch wist hij diep van binnen dat het geen verbeelding was geweest. Hij had zichzelf gezien. Staand voor de toren, met de sleutel in zijn hand. Heel even had hij zichzelf in de ogen gekeken. Dat had hem achteruit doen deinzen. Zijn blik ging omhoog, de zon zakte achter de bomen, en hij kon uitkijken over de stad.

Hij zou zijn eigen huis kunnen zien als hij meer naar links keek. Een tweede schok ging door zijn lijf. Hij voelde zijn maag draaien bij wat er gebeurde, want zonder dat hij zijn hoofd draaide verschoof het beeld dat hij door het raam zag naar links. Niet alleen dat, het beeld kwam op hem af. Het raam zoomde in op zijn huis. En opnieuw zag hij zichzelf. Hij zette net zijn fiets terug, en kwam wandelend deze kant op.

Bouwma maakte zich los van het beeld, en vluchtte naar de trap. Hij wilde naar beneden gaan, maar zijn stappen had hem bij de trap omhoog gebracht. Zonder nadenken rende hij de trappen op. Er gonsde een zwaar geluid in zijn hoofd. Halverwege de trap hield hij stil. Het klimmen was zwaarder geworden, de lucht dikker, en het gonzen werd allesoverheersend. Hij zakte door zijn benen. Het werd zwart voor zijn ogen.

Uit het zwart doemde in de verte een stad op. Niet zijn eigen stad, dat was meteen duidelijk. Het was een middeleeuwse stad, geheel omringd met muren. Hij kon de grote poort zien. Het was ochtend. Nevel hing boven de grond. De akkers voor de stad lagen er verlaten bij.

Er was geen mens te zien. Geen beweging. Of toch, onder in de grote poort ging een kleinere deur open. Een gestalte kwam naar buiten. Sloot de deur, en liep de lege weg op, af en toe achterom kijkend. Een tijd later, toen de gestalte al een eind van de stad verwijderd was, gingen de grote deuren open. Gewapende ruiters kwamen naar buiten. De man op de landweg, (het was een man, zag hij nu), had dit kennelijk ook had gezien, want hij dook plotseling in een begroeide greppel naast de weg. De ruiters passeerden zonder hem op te merken. De man wachtte lang voor hij weer uit de greppel kwam en zijn weg vervolgde. Hij was gekleed in een grijze mantel met kap, en droeg tas aan zijn schouder. De man kwam recht op Bouwma afgelopen. En toen werd het weer zwart.

Bouwma ontdekte dat hij nog op de trap zat. Het gonzen was minder. Hij liep langzaam de trap op. Het tweede raam trok.



Hij merkte meteen dat het licht veranderd was. Was de zon zo snel gezakt? Hoe lang was hij eigenlijk “weg” geweest? Blauwig, was het licht dat door het venster scheen. Kunstlicht? Op de tweede verdieping leek het alsof er iets voor het raam gespannen was. Zijl? Dat kon niet. Met een paar passen was hij bij het raam. Het blauwgrijze licht werd helderder. Er tekenden zich zwarte vlekken af, die steeds scherper werden. Stipjes. Nee, beseft hij, pixels! De zwarte stippen werden kleiner en scherper. Het waren echt pixels. Hij keek naar een computerscherm. De pixels werden letters, en na een tijd kon hij het lezen. Flarden van zinnen die hij herkende. En toen het beeld steeds verder uitzoomde, en hij zichzelf achter zijn computer op zolder zag zitten wist hij wat hij daar aan het schrijven was.

Lieve kinderen,

Ik wil straks als eerste daad van mijn gepensioneerde bestaan een gezamenlijke vakantie plannen. Ik hoop dat jullie daar allemaal bij willen zijn. Het is mijn idee om een groot huis te huren zodat jullie allemaal met aanhang en kleinkinderen aanwezig zullen zijn. Ik weet dat jullie het druk hebben, maar het zou veel voor mij betekenen. Willen jullie suggesties doen voor datums? En ook voor de plek? Mij maakt het niet uit. Als ik jullie maar om me heen heb.

Die mail was het begin geweest van het getouwtrek. Eindeloos heen en weer mailen en bellen. Ruzies over wat de beste plek zou zijn, en over wie het initiatief naar zich toe trok. Conflicten tussen de kinderen mét en zonder kleine kinderen, met en zonder partner. Verschillende levensfases die niet bij elkaar pasten, elkaar zelfs in de weg zaten. Hij was eindeloos bezig geweest met sussen, maar zijn pogingen hadden het vaak alleen maar erger gemaakt. Nu was er nog steeds geen overeenstemming. De boel leek gesust, maar er waren nog steeds onderhuidse spanningen. Alles wat hij zich hierover herinnerde zag hij weerspiegeld in het raam. 

En nu zag hij de oorzaak daarvan duidelijk voor zijn ogen. Zijn eigen mail. Die alles open liet. Waarom had hij niet gewoon zelf een datum geprikt, en een plek geregeld? Alle anderen gevraagd zich deze keer aan hem aan te passen. Iedereen had ruim tijd gehad om dat te doen. Door zijn angst om anderen in de weg te zitten, had hij met zijn vaagheid iedereen in de weg gezeten. En vooral zichzelf. Niet alleen door deze ene mail. Een levenlang rekening houden met, en invullen voor anderen had zijn sporen getrokken besefte hij. De ene helft van zijn kinderen had het overgenomen, de andere helft had er zich juist tegen verzet. Een explosieve cocktail. Hij had genoeg gezien, het raam werd donker,  het gonzen luider. Hij ging zitten, want het werd weer zwart voor zijn ogen.

Hij zag dat de man in de grijze mantel inmiddels een dorp had bereikt. De man stelde vragen, en werd dan doorverwezen. Uiteindelijk kwam hij bij het enige stenen huis in het dorp. Hij klopte op de deur. De eigenaar van de woning deed open, afwachtend, met argwanende blik. De man in de grijze mantel zei niets, maar zocht in zijn tas, en haalde daar perkamenten rollen uit die hij aan de bewoner liet zien. De houding van de bewoner veranderde plotseling toen hij de rollen bekeek. Hij trok zijn bezoeker naar binnen. Toen de scene zich naar binnen verplaatste kreeg Bouwma geluid bij de beelden.

“Hoe kom je aan die tekeningen? Zeg op!”

“Mag ik misschien eerst wat drinken? Ik heb een dag gelopen om hier te komen.”

Van buiten af klonk lawaai. Stemmen, geroep. En toen zwaar gebonk op de deur. Ruiters voor de deur.

“We zoeken een man in een grijze mantel. Dorpelingen hebben gezegd dat hij naar u vroeg. Mogen we binnen komen?” De bewoner aarzelde, maar was niet opgewassen tegen de ruiters. Hij volgde ze, toen ze langs hem zijn woning binnen drongen. Tot zijn verbazing was zijn mysterieuze bezoeker verdwenen. De ruiters doorzochten de woning tevergeefs en verdwenen weer.

Binnen ging een luik in de vloer open, en de man met de grijze mantel kroop vanuit een kelder de kamer weer in.

“Hoe wist jij van dat luik? Het is niet te zien! Heb je iets gepakt beneden?”

“Je mag me bouwmeester noemen. Je kent mijn oude meester.  Ik was er als kind bij toen je het luik maakte voor mijn meester. Ik heb het altijd bewonderd. Ik wist waar ik op moest letten, en herkende het meteen.” De bouwmeester legde de rollen perkament op de tafel. “Hij heeft me deze papieren gegeven.”

De bewoner van het huis maakte een afwerend gebaar.

“Zeg hem maar dat ik nog niet klaar ben. Ik ben de tekeningen aan het uitwerken. En laat me nu met rust.”

“Je hebt niet geluisterd. Ik vertelde je net dat ik nu de bouwmeester ben. Mijn oude meester is dood.”

De man keek hem met nieuwe ogen aan.“Heb jij je meesterproef al afgelegd?”

“Nee, maar dat ga ik nu doen. Dat is de reden dat ik hier ben. Ik wil dat jij me daar bij helpt. Jij bent de tekenaar. Ik wil jouw ontwerpen gebruiken.”

“Maar ik ben niet klaar, het is nog niet klaar om gebouwd te worden, ik ben bezig met verbeteringen. Ik heb alleen de plannen voor de toren af, en ook die kan eigenlijk nog beter. Dat wat jij hebt zijn alleen de ruwe schetsen. Je meester had er geen belangstelling voor toen. En wat moeten die ruiters van jou?”

“Een misverstand. Niet belangrijk. Zeg, ik heb wat geld, ik zou graag bij je eten en overnachten. Misschien kun je dan nog nadenken over mijn aanbod.”



In de toren schudde Bouwma verward zijn hoofd. Hij was moe. Het was donker. Het liefst was hij nu de trap af gelopen en naar huis gegaan. Maar dat kon hij niet. Hoe moest weten wat er achter de andere ramen lag. En wat de volgende verdiepingen hem zouden vertellen.




Er lagen papieren op de trap. Nog meer papieren zweefden van de derde verdieping naar beneden. Bouwma pakte er een uit de lucht en keek. Toen greep hij naar het papier dat op de trap lag, en bekeek dat. Zijn eigen werk over de toren. Maar dit kon niet zijn afstudeerscriptie zijn. Hij rende naar boven. Door het raam zag hij nu zijn studentenkamer. Hijzelf liep daar druk heen en weer. Stapels papieren van hun plek gooiend. Nu zeilde er zelfs een boek door het raam de toren in. Bouwma moest bukken. Dit was niet zijn afstudeerscriptie waar hij mee bezig was. Dit was later. Bouwma had verder gewerkt aan zij studie over de toren. Hij had een onderzoeksvoorstel geschreven. Hij had willen promoveren op dat onderwerp. Al zijn energie had er in gezeten. Wat hij nu zag was gebeurd nadat hij terug was gekomen van zijn professor. Hij had advies gevraagd. Hij had gehoord wat niet had willen horen.

“Het kost nog veel werk om van dat voorstel een succes maken. Je wil te veel. Je maakt geen keuzes. Bovendien, je bent te laat voor dit jaar. De promotie-plekken zijn vergeven. Je kunt het voor volgend jaar proberen.” Bouwma was getuige van het moment van zijn frustratie. Hij had had er zo dicht bij gezeten, hij was volledig geweest, en nu hoorde hij dat het te veel was, en tegelijkertijd te weinig.  Hij had de handdoek in de ring gegooid. Hoewel hij concrete tips had gekregen van zijn prof om zijn aanvraag te verbeteren, om het volgend jaar weer te proberen, had hij besloten te stoppen en alles te vergeten. Die avond had hij al zijn werk weggegooid. Geen puf meer, maar vooral geen geloof meer. En dus ook geen moed meer om verder te gaan. Resoluut had hij zich op andere zaken gegooid. En uiteindelijk was hij leraar geworden. De toren probeerde hij te vergeten. Dat lukte aardig. Het bijzondere silhouet in het stadsgezicht had steeds minder voor hem betekend. En met de komst van zijn kinderen verdween zijn aandacht voor de toren geheel.

Als door een zucht wind kwamen de papieren in de toren in beweging. Ze dwarrelden de torenkamer rond. Een wervelstorm van papier draaide steeds sneller om zijn hoofd. Het gonzen werd weer harder. En Bouwma werd zwaar in zijn hoofd. Hij sloot zijn ogen en was in de woning van de tekenaar.

 

“Bedankt voor het ontbijt. En nu dus vaarwel?”

“Nee, ik ga met je mee, maar ik wil er anderen bij hebben. Mensen waar ik vroeger mee werkte. Pessler, de metselaar woont een dorp verderop. Geef me de tijd om mijn spullen te pakken en ik breng je naar hem toe.”

De mannen liepen over de velden en door een bos voordat ze weer bij een dorp kwamen. De bouwmeester had de omgeving angstvallig in de gaten gehouden maar de ruiters had hij niet meer gezien. In dit dorp stonden meer stenen huizen. De tekenaar leidde hem naar het huis van de metselaar.

Pessler bleef lang stil nadat hij het verhaal van de tekenaar en had gehoord. Deze laatste had erop aangedrongen het woord te doen.

“Anders kun je zijn medewerking wel vergeten”, had hij er bij gezegd.

De bouwmeester was er niet zo zeker van of de woorden van de tekenaar hadden geholpen. Hij wilde iets zeggen maar de tekenaar hield hem tegen.

“Geef hem tijd”, fluisterde hij de bouwmeester toe.

De metselaar haalde zijn handen door zijn haar en schudde langzaam zijn hoofd.

“Ik weet het niet. Dit wordt niks met zo’n broekie als bouwmeester. Weet je zeker dat je er al aan toe bent, jong?”

De bouwmeester knikte haast onmerkbaar.

“Hm. Dat komt er niet overtuigend uit. Zeg me eens, jongen. Vroeger werd ik voor zo’n gebeurtenis opgehaald door boden van de Koning. Alle vakmensen kwamen bij elkaar in de stad van de Koning, en er was dagenlang feest voordat we begonnen. Waarom kom jij nu als bedelaar naar me toe?”

“Dat feest en al die andere dingen komen nog. Ik haal jullie allen persoonlijk op.” zei de bouwmeester, maar zijn stem klonk dun.

“Nou, laat de tekeningen maar eens zien dan. Wat moet het worden?”

Na wat aarzeling liet de bouwmeester de tekeningen zien. De tekenaar haalde zijn eigen papieren er bij.

“Dit zijn nog verdere uitwerkingen voor de toren. Met de rest ben ik nog bezig”

De metselaar keek hoofdschuddend naar de tekeningen van een toren waarvan elke volgende verdieping breder werd.

“Zou je niet iets simpelers bedenken voor je meesterproef? Dit gaat je niet lukken. Hoe krijg je stevigheid? Zelfs het beste metselwerk biedt daar geen garantie voor.”

“Met Revik als timmerman en Dragan als opzichter erbij gaat dit lukken”, zei de tekenaar.

“Dan moet je Dragan eerst zien te vinden”, antwoordde Pessler, “en Revik wil ik er niet meer bij hebben.”

“Dragan is in Ostrium, heb ik gehoord. En we zoeken wel een andere timmerman, als dat moet.”, zei de bouwmeester.

“Goed, ik kom mee, ik heb nu toch niks omhanden. Misschien heb ik nog de tijd om je die  vreemde plannen uit het hoofd te praten, want ik geloof nog steeds niet dat we dit klaar krijgen.”

Toen de metselaar zijn spullen bij elkaar begon te zoeken werd het beeld vager.

 

Bouwma vroeg zich af of hij nu wel, of niet een trap verder was geklommen. Het raam op deze verdieping gaf hetzelfde uitzicht als het raam op de derde. Hij keek naar zijn studentenkamer. Die zag er nu opgeruimd uit. Hij kon zijn bureau zien, en zag dat hij maar een kleine sprong verder zijn verleden in was gegaan. Aan alles was te zien dat hij nog bezig was met zijn promotievoorstel. Meerdere kaartenbakken stonden op zijn bureau. Boeken met stukjes papier er uit stekend lagen op een stapel. Papieren met aantekeningen en lijsten. Bouwma las ze door en herinnerde zich weer hoe uitgebreid hij alles had aangepakt. Op de lijsten stonden alle verbanden die hij zag, en wilde uitwerken. De boeken op de stapel vertegenwoordigeden zeer uiteenlopen onderwerpen. Hij herinnerde dat hij meerdere invalshoeken had willen combineren. En nu zag hij hoe zijn minutieuze aanpak, en zijn volledigheid hem de das om hadden gedaan. Nu pas snapte hij de kritiek van zijn professor. Hij had niets over willen slaan. Zijn perfectionisme had hem opgezadeld met een bijna onmogelijke opdracht. En doordat hij te lang bezig was geweest hadden anderen, met veel simpelere voorstellen een promotieonderzoek binnengehaald.

“Dit moet Ostrium zijn”, dacht Bouwma. Hij had even zijn ogen dichtgedaan en meteen had hij een drukke stad gezien. En drie mannen, die hij herkende als de bouwmeester, de tekenaar en de metselaar. Ze liepen door drukke straten.

“Wat? Dat zeg je nu? Weet je hoe groot deze stad is? Als jij niet weet waar Dragan woont, hoe vinden we hem hier dan?”

De metselaar vloekte. De bouwmeester reageerde daar niet op want zijn aandacht was getrokken door iets anders. Verder voor hen uit, week de mensenmassa uiteen voor een stel ruiters. Ze kwamen zijn kant op. Snel keek hij om zich heen. Geen zijstraten. Hij wilde zich omdraaien om terug te lopen toen hij bij zijn arm gepakt werd.

“Kom mee deze kant op”, siste iemand.

Alle drie volgende ze de man die zo gesproken had, ze werden meegetrokken, een huis in.

Binnen zag Bouwma pas dat het een vrouw was.

“Wie ben je? Wat wil je?”

“Stil, wacht tot die ruiters voorbij zijn.”

Op dat moment kwamen de ruiters voor het huis langs. Toen ze weg waren vroeg de bouwmeester: “Hoe weet je van die ruiters?”

“Niets, het was alleen duidelijk dat je ze wilde ontwijken, en dat is nu gelukt.  Wat heb je er voor over als ik je help zoeken naar die Dragan? Kijk niet zo verbaasd, jullie praatten niet echt zachtjes. En voor mensen die wat te verbergen hebben vallen jullie nogal op.”

De bouwmeester overwoog het aanbod.

“Ik betaal je goed, als je ons naar Dragan kan brengen. En als je ons verder kunt helpen, betaal ik je nog meer. Kom met ons mee.”

“Goed, maar dan moeten we nu hier weg. Straks komen de bewoners van dit huis terug.”

“Wat? Ik dacht dat je hier woonde!”

“Welnee, wie heeft er nu een huis nodig? Ik kom overal en nergens, en dat bevalt me goed”

“Wacht eens even, wie zegt dat ze ons kan helpen?” De tekenaar keek de vrouw boos aan: “Deze vrouw kan ons in de problemen brengen met haar geïmproviseer!”

“Wat is er mis met improvisatie?”

“Alles! Onze missie moet perfect gepland worden. Geen verrassingen. Eerst denken, dan doen. Alles overwegen, als we goed nadenken, vinden we vast ook een manier om die Dragan te achterhalen.”

“Als je te lang nadenkt, gebeurt er niks. Als je geen knopen durft door te hakken kom je nergens!”

“Maar je kunt toch niet zo maar in het wilde weg iets doen?”

De vrouw en de metselaar keken elkaar strak in de ogen, klaar om elkaar aan te vliegen. De bouwmeester haalde ze uit elkaar.

“Ze heeft gelijk, we moeten hier nu weg. Help ons Dragan vinden”.

 

Bouwma lag op zijn rug. Hij had een beetje genoeg van de genadeloze beelden die hij door de ramen bekeek. Hij sloot zijn ogen, in de hoop weer terug te zijn bij de bouwmeester en zijn gezelschap. Het werkte niet, en dus bleef hij liggen, met zijn ogen open. Nu pas zag hij het schitterende metselwerk van de toren, en de prachtige houtconstructie. Wat een prachtig samenspel. Nog indrukwekkender dan de buitenkant van de toren. Het had een rustgevend effect, en nadat hij een tijd had gelegen stond hij weer op om naar de volgende verdieping te lopen.

De vijfde verdieping had aan alle kanten ramen. Elk raam gaf uitzicht op een andere scene uit zijn leven. Hij had geen moeite het verband te ontdekken. Hij zag zijn studerende leven, of liever gezegd zijn niet-studerende leven. Zittend op een muurtje met een biertje, swingend bij een band, in de rij voor een film, in het bos, op een strandje bij een zandafgraving, discussiërend met anderen midden in de nacht, foto’s makend met vreemde kleren aan op vreemde plekken. Hij had alles gedaan wat in hem op kwam. Hij had bij de dag geleefd. Improviserend was hij door het leven gegaan. Het bracht een glimlach op zijn lippen. Maar die verdween toen de beelden veranderden. Stapels boeken die nog geleerd moesten, tot diep in de nacht achter een typmachine verslagen schrijven.  Hij voelde weer de zwaarte van alle examens die hij nog moest herkansen, en hij herinnerde hoe zijn professor hem had geholpen met zijn afstudeerscriptie. Hij had met de hakken over de sloot zijn bul gehaald. Hij vroeg zich af of de manier waarop hij in zijn studententijd alle verantwoordelijkheden voor zich uit schoof iets te maken had met de kritiek op zijn promotievoorstel. Bij die gedachte werden de ramen zwart. Hij ging zitten en wachtte op het gonzen.

“Dragan is de stad uit, maar ik weet misschien waar ik hem kan vinden”, ze luisterden allemaal naar Fleur. Deze had haar netwerk gebruikt en was verrassend snel met informatie gekomen. Ze ging verder:

“Dragan schijnt uit de gratie te zijn bij de bouwgilden. Bij zijn laatste opdrachten liepen steeds vaker mensen weg. Daarom heeft hij de stad verlaten. Ze zeggen dat hij als herder met een schaapskudde rondtrekt. Ik ken een aantal stropers. Ik zal hem vinden voor jullie.” Ze keek bij die laatste woorden naar de beurs die de bouwmeester op zijn heup droeg.

“Goed”, zei deze: “we volgen je.”

Het gezelschap ging op weg. De bouwmeester had lang met de tekenaar gesproken. Deze was nog steeds niet blij met de komst van Fleur. Maar dat was niet het enige probleem, had hij ontdekt. De tekenaar had hem verteld dat het zonder hulp van Revik de timmerman, niet zou lukken zijn ontwerpen te bouwen.

“Ik weet niet wat Pessler tegen hem heeft, maar je zult hem moeten overhalen om met Revik samen te werken. En doe me een lol. Dump die vrouw, als we Dragan gevonden hebben.”

De bouwmeester zuchtte. Het begon uit zijn handen te glippen. Zou hij het gezelschap bij elkaar kunnen houden? Zou hij de ruiters kunnen blijven ontwijken?

Dragan was snel genoeg gevonden. Ze zaten met zijn allen rond een vuur. Dragan aaide zijn hond.

“Deze hier erkent tenminste zijn baasje, en die schapen zijn volgzaam. Ik kreeg steeds vaker te maken met eigenwijze werkers. Ik heb daar geen geduld voor. Ik duld geen inspraak. Als ik een klus heb gaat het op mijn manier. Dus ik waarschuw jullie. Als ik mee doe, en de opdracht is duidelijk, bepaal ik hoe het uitgevoerd wordt. Ik houd het overzicht. Hoe goed jullie ook allemaal in je eigen vak zijn. Ik stuur de werkers aan. Alles gaat via mij. Kun jij je daar ook in vinden, bouwmeester?” Dragan sprak dat woord met minachting uit. Of verbeeldde de bouwmeester zich dat? Hij keek de cirkel rond. Hij zag daar gelukkig geen weerstand. Ook Fleur keek neutraal.

“Goed zei hij. Sluit je aan. En dan gaan we op zoek naar een timmerman.” Hij had nog niet bedacht hoe hij aan Pessler zou verkopen dat dat toch Revik zou moeten zijn.

De ramen op de zesde verdieping leken wel etalageruiten. En dat waren ze ook, besefte Bouwma, toen hij de blauwe fiets zag. De blauwe fiets! Hoe oud was hij geweest? Tien? Hij zou een nieuwe fiets krijgen. En het moest per se de blauwe zijn.  Alle fietsen uit die tijd waren somber groen of bruin. Deze was flitsend blauw met metallic lak. Dat zag er niet alleen glanzend uit, dat klonk ook nog eens fantastisch. Wel vervelend dat de fietsenmaker deze fiets sterk afraadde.

“Rotzooi meneer”, had hij tegen Bouwma’s vader gezegd, “Ik heb hem staan omdat er mensen zijn die er naar vragen, maar als uw mijn advies wil: kies een degelijke. Deze breekt binnen een jaar doormidden.”

Het had Bouwma heel veel drammen gekost om toch die blauwe fiets te krijgen, en hij was inderdaad binnen een jaar doormidden gebroken. Bouwma was daardoor met zijn gezicht op straat beland. Het litteken dat hij daarbij op liep was een blijvende herinnering aan zijn pogingen alles op zijn eigen manier te willen doen. En nu stond die blauwe fiets daar, uitdagend. Kies mij. Ik ben wat je wil. Bouwma dacht: ik trap er niet meer in. Het raam werd zwart.

Toen hij zijn ogen sloot belandde Bouwma midden in de ruzie tussen Pessler en Revik. De metselaar beschuldigde Revik ervan een dromer te zijn, die zijn tijd verdeed met het bedenken van onmogelijke constructies.

“Als je er bij voorbaat van uit gaat dat iets onmogelijk is, dan is dat ook zo!”, beet de timmerman terug. “Als je niet durft te dromen, kun je ook niks creëren.”

“Als je met je kop in de wolken blijft zitten, kun je niks creëren, zul je bedoelen. Je moet realistisch blijven. Een gebouw wordt gemaakt door steen op steen te zetten, dat is werkelijkheid, dromen zijn dat niet!”

Het was Dragan die beide partijen wist te bedaren. “Geef elkaar de hand”, Revik en Pessler pakten elkaars hand, maar hun blikken maakten duidelijk dat ze hierdoor nog geen vrienden waren.

“Wat we nodig hebben is een goed maal. Ik weet wel waar we dat kunnen vinden. En dan mag de bouwmeester ons eens uitleggen waarom hij op de vlucht is voor de ruiters.” Dragan keek de bouwmeester veelbetekenend aan.



De zevende en laatste verdieping. Dit was de kroon. Ramen met uitzicht op alle windstreken. Bouwma zag de overweldigende weidsheid van het landschap, zonder enige bebouwing. En toen zag hij versneld hoe dit landschap met de jaren (nee, eeuwen) veranderde. De laatste momenten brachten de meeste verandering. Gebouwen groeiden als schimmel uit de grond. En toen stond het beeld stil. Bouwma liep naar de ramen en keek naar beneden, het beeld kantelde, en het leek alsof hij naar beneden tuimelde. Toen stond hij oog in oog met het jongetje dat hij als zevenjarige was geweest. Het jongetje was zich niet bewust van zijn aanwezigheid. Het keek met grote ogen naar de toren. Omhoog, en weer terug. Toen keek de jongen naar zijn vuist. Hij opende die, en Bouwma zag de sleutel in zijn eigen kleine hand.

“Doe het! Hij past! Wat je daar ziet verandert je leven!”. Maar Bouwma wist dat roepen geen zin had. Hij was toeschouwer. Hij wist ook wat de beslissing zou zijn van de jongen. Hij had die sleutel op zijn zevende verjaardag gekregen van zijn vader. Die had hem verteld dat het een erfstuk was, een symbool. Maar hij had toen meteen aan de vouwbeker-toren gedacht. Wat als die sleutel op de deur zou passen? Hij had daarover vele dagdromen gehad. En nu stond de jongen hier om te zien of zijn dromen werkelijkheid zouden zijn. Of aan scherven zouden gaan. Want wat, als de sleutel niet zou passen?

“Doe het!” riep Bouwma tevergeefs. Hij zag hoe de jongen zijn vuist weer sloot, en langzaam wegliep van de toren. Het beeld werd opgetild, terug de toren en daar werd het zwart.

‘De Moederkloek’  stond er op het uithangbord.

“Deze herberg is bekend, en dat heeft een reden. Zo heerlijk hebben jullie nooit gegeten”, zei Dragan toen ze allemaal naar binnen stapten.

Toen ze een tafel hadden gevonden kwam een oudere, wat gezette vrouw met schort naar ze toe.

“Roos, geef ons de beste maaltijd die je kunt bereiden, en bier voor allemaal”.

De houding van de vrouw was plotseling veranderd bij het horen van die naam. Ze keek Dragan strak aan, en keek toen de kring rond.

“Iedereen noemt mij ‘moeder’ of ‘ma’, maar mijn eigen zoon moet per se mijn naam gebruiken. Die heb ik lang niet meer gehoord. Je bent lang weg geweest Dragan. Een maaltijd voor de heren. En dame zie ik. Het komt er aan.”

Dragan had niet overdreven. De maaltijd was fantastisch. Er werd geen woord gesproken onder het eten. Volgens de bouwmeester was het zelfs beter dan wat er aan het hof werd voorgezet. Dat deed hem er weer aan denken dat hij de groep een uitleg verschuldigd was. Hij vroeg zich af wat hij wel en niet moest zeggen.

Dragan had geraden waar hij aan dacht, want hij zei.

“Voordat je gaat vertellen vraag ik Roos er bij. Ik zou graag zien dat ze mee ging om voor ons te koken. Ze deed dat vroeger, en ik weet dat ze het geweldig zou vinden om nog één keer mee te maken.”

Dat wilde Roos inderdaad, maar:

“Lieve jongen, ik kan de boel niet in de steek laten. Deze herberg draait om mij. Wat moeten al mijn gasten dan?”

“Roos, ik zal moeder zeggen als je wil, maar dat ben je niet van al deze mensen. Denk nou eens een keer aan jezelf. Altijd zorgen voor anderen. Altijd uitgaan voor wat anderen nodig hebben. Nogmaals, het zijn je kinderen niet. Kies nu eens voor je zelf.”

“Dragan, zo ben ik nu eenmaal. Soms wilde ik wel eens dat jij meer op mij leek. Als jij meer aan anderen had gedacht, waren je werkers niet bij je weg gelopen, en had je hier nu niet in herderskleren gezeten.”

“Leer het me dan, Roos, en dan leer ik jou om voor jezelf te kiezen. Kom eerst gewoon eens zitten, en leer deze mensen kennen.”

Roos kwam aarzelend aan tafel, maar toen ze eenmaal aan de praat raakte besefte dat ze een beslissing genomen had. Ze zou met deze groep mee gaan. Ze hadden haar nodig.

Dragan zag het en dacht:

“Ze heeft wel gelijk. Ik zal echt mijn best doen om meer aan anderen te denken. Maar voor nu ben ik blij dat ik doorgedramd heb. En vergeef me moeder, ik zal het nóg een keer in moeten zetten”

Hij haalde adem en zei:

“Bouwmeester, het wordt tijd voor jouw verhaal.”

De bouwmeester had inmiddels nagedacht.

“Goed, maar niet hier. We zijn compleet. Zeven in getal. We zullen werkers nodig hebben. Maar wij zeven zijn de makers. Volg me nog één keer. Een dagreis van hier ligt een heuvel. Daar zal ik jullie vertellen wat je weten wil. Dan geef ik je de keuze om alsnog af te zien van  deze opdracht. En geloof me, je zult er reden voor hebben. Maar nu nog niet, laat me jullie tenminste naar de plek begeleiden waar ik ga bouwen.



Bovenop een kale heuvel zaten de zes volgers in een kring om de bouwmeester heen. Hij vertelde.

“Vanaf het moment dat ik jouw tekeningen zag” Hij keek hierbij naar de tekenaar ,” wist ik wat ik wilde bouwen als meesterproef. Toen ik dat aan mijn meester vertelde was zijn antwoord:

“En dat is waarom je te jong en onervaren bent om de meesterproef te doen. Die tekeningen zijn onuitvoerbaar.”

Ik was toen ook nog jong, en dacht dat als ik ouder werd mijn meester van gedachten zou veranderen. Maar hij bleef bij zijn mening. Ik hield op een gegeven moment op om over de tekeningen van de toren te praten, maar dat hielp niet. Jaren gingen voorbij zonder dat mijn meester het woord meesterproef zelfs maar in de mond nam. Ik zelf durfde dat nog steeds niet. Zelfs niet toen ik de leeftijd bereikte waarop mijn meester zelf de meesterproef had gedaan. Mijn geduld sleet met de jaren. Het vrat aan me. Ik begon te wanhopen. De klussen die ik kreeg deed ik met steeds meer tegenzin.

Op een avond dat ik opdracht had gekregen om de stellages van de reparatie van de zuidmuur te controleren verzaakte ik mijn plicht. Ik wilde niet repareren, ik wilde bouwen. Ik sloop de werkkamer van mijn meester in en stal de tekeningen. De volgende ochtend vroeg zou ik vertrekken.

Ik had me verslapen, want ik werd wakker van een kreet. Ik hoorde voetstappen op de gang. In probeerde in de consternatie te vluchten, het zou anders zeer moeilijk worden de stad ongezien te verlaten. En dat was nodig als de bouwmeester zou ontdekken dat behalve de tekeningen ook zijn mantel en zijn t as waren verdwenen. Toen ik achter een muur wegdook voor mensen die voorbijkwamen hoorde ik aan het gesprek van wie de kreet was geweest. Mijn meester had in de vroege ochtend de werkzaamheden aan de zuidmuur willen bekijken. De stellage die ik had moeten controleren had het begeven. Mijn meester was gevallen. Dat kon hij niet overleefd hebben. Ik vluchtte. Ik had amper tijd om uit handen van de ruiters van de koning te blijven.”

De bouwmeester ging staan.

“Ik ben dus geen bouwmeester. Ik heb geen toestemming voor de meesterproef.”

Toen zag hij iets bewegen aan de horizon. Het waren de ruiters.  Wat moest hij doen? Weer vluchten. De gezichten van zijn metgezellen stonden bezorgd. Wat zouden ze doen? Wat moest hij doen?

 

Bouwma deed zijn ogen open. Meteen sloot hij ze weer, zijn gedachten geconcentreerd op de bouwmeester, maar hij wist al dat het geen zin had. Hij keek om zich heen. Hij moest weer contact krijgen met de bouwmeester.

De ramen! Hij had door die ramen de eeuwen zien verstrijken, misschien dat … Bouwma stapte op de ramen af. De hoeveelheid beelden die hij te zien kreeg, en vooral de snelheid waarmee ze elkaar afwisselden deed hem hijgen.

Hij zag de zorg die hij aan alle stille leerlingen in al zijn klassen had gegeven. Hij zag die leerlingen opbloeien onder zijn extra aandacht.

Hij zag de scepticus hem behoeden in te stappen in een malafide time-sharing plan waar veel van zijn collega’s aan meededen. Ze hadden hem voor gek verklaard, en hem later een geluksvogel genoemd.

Hij zag het perfectionisme waarmee hij diaseries had gemaakt om zijn lessen mee te ondersteunen. Ze waren omgezet in powerpoints en werden nu nog steeds gebruikt.

Hij zag het plezier dat hij met zijn gezin had op hun geïmproviseerde vakanties. Zonder plan met een tent er op uit, en genieten van de meest simpele zaken.

Hij zag de drammer op raportvergaderingen als een leeuw vechten voor een kans voor de zwakkere kinderen in zijn mentorklas. Kinderen die hij vervolgens op de nek zat, en die het door zijn drammen vaak toch wisten te halen.

Hij zag de dromer op de rand van het bed verhalen vertellen voor zijn kinderen, en hij zag nu ook de ogen van zijn kinderen schitteren, vergezichten fonkelend in de pupillen.

Verzoening sijpelde door de ramen. Bouwma voelde een diepe tevredenheid. Hij voelde dat hij een ja-knikkende beweging maakte. Het was alsof de toren hem een vraag stelde. Diep van binnen begreep hij de vraag, en hij wist meteen het antwoord.

“Ja”, zei hij nu luidop, en weer veranderde het uitzicht van de ramen. Hij zag de stad, die langzaam verdween. Groen overwoekerde alles toen het uitzicht terug in de tijd ging.

“Nog verder?” leek de toren te vragen.

En weer zei Bouwma hardop “JA!”

De toren werd ijl en verdween zelf. Bouwma hing nog even in de lucht en viel toen naar beneden. Voor de voeten van de bouwmeester.

Hier zou hij sterven, op deze kale heuvel. Maar het was goed. Hij had geleefd. En hij kon zijn leven doorgeven. Hij keek naar de verschrikte gezichten boven zich.

“Rustig mensen. Ik ben geen demon. Ik kom van de toren die jullie gaan bouwen. Luister goed, want ik heb niet veel tijd. Maak jullie vrede. Zoals Dragan en Roos zich al verzoend hebben, wil ik nu ook Revik en Pessler bij elkaar brengen. Dromer en realist, ik heb jullie werk mogen aanschouwen. Jullie vullen elkaar aan, en dat geldt ook voor de tekenaar en Fleur. Perfectionisme en improvisatie kunnen naast elkaar bestaan. Sluit vrede, ontlok ongekende krachten in elkaar. Ik heb gezien waar jullie toe in staat zijn. En jij bouwmeester. Stop met vluchten voor jezelf. Sta. Kijk de toekomst recht in de ogen. Geloof in jezelf, ook als anderen dat niet doen.”

Bouwma merkte dat hij al die tijd de sleutel in zijn hand had.

“Bouwmeester. Dit is de sleutel tot alles wat je kunt bereiken. Neem hem van mij aan. En geef hem door. Kijk naar je kinderen, als ze opgroeien.”

De bouwmeester nam de sleutel. De ruiters waren dichterbij gekomen. De bouwmeester onderdrukte zijn neiging om te vluchten. In plaats daarvan liep hij de ruiters tegemoet.

“Hier sta ik”, dacht hij. Kome wat komen gaat.

Een van de ruiters steeg van zijn paard en overhandigde hem een perkament.

Leerling,

De val heeft mij nederigheid geleerd. Jammer dat je weg bent gegaan. Ik had je graag gesproken. Ik heb je te lang de meesterproef ontzegd. Misschien was ik wel bang dat jij zou realiseren wat ik niet meer voor elkaar zou krijgen. Ik geef je toestemming voor je meesterproef, als heb je mijn toestemming niet meer nodig. Het enige dat je nodig hebt is geloof in jezelf. Ik kan geen reizen meer maken, dus ik zou het op prijs stellen als je mij nog eens bezocht om te vertellen over de toren als die klaar is. Ik geloof in je.

 

De bouwmeester bouwde een bijzondere toren op een bijzondere plek. Vele generaties zouden zich verwonderen over deze toren.

Hij liet een prachtige toegangsdeur maken. Een slotenmaker maakte een slot dat paste bij de sleutel die hij gekregen had. Toen hij een dochter kreeg, gaf hij haar op haar zevende verjaardag de sleutel, met de woorden:

“Deze sleutel is bijzonder. Het is de sleutel tot je leven. Het ontsluit al jouw mogelijkheden. Geef hem met deze woorden door aan een van jouw kinderen. En kies goed aan wie je hem geeft. Eén van je kinderen zal hem het hardste nodig hebben. Sommige kinderen vinden zelf hun weg, kennen hun kracht. Zij hebben deze sleutel niet nodig. Dat stille kind, dat lijkt te aarzelen. Die heeft een sleutel nodig om zijn of haar wonderen te ontsluiten.”

En zo kwam vele generaties de sleutel terecht bij een jongen die droomde over een vouwbeker toren. Hij nam de sleutel mee naar de toren. Lange tijd bleef hij daar staan. Aarzelend. Als de sleutel niet zou passen zou alle magie in één klap verdwenen zijn. En toen was het alsof hij een stem hoorde die hem vertelde door te gaan. Dat de sleutel zeker zou passen en dat hij wonderen zou vinden in de toren. De jongen nam een besluit. Hij stapte naar voren, deed de sleutel in het slot van de grote deur en draaide hem om.