Selecteer een pagina

Het grootste geluk is geleefd en niet beseft.

Of is dat juist de betekenis van die prachtige zin van Kiergegaard: “Het leven wordt vooruit geleefd en achterwaards begrepen”? 

Ik lees “Een tuin in de winter” van Anna Enquist over Gerrit Kouwenaar. Ik had al de bundel van hem, geselecteerd door haar. Omdat ik die andere mooie woorden wilde hebben.

Deze:

 
ik heb nooit

Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit:
het zacht maken van stenen
het vuur maken uit water
het regen maken uit dorst

ondertussen beet de kou mij
was de zon een dag vol wespen
was het brood zout of zoet
en de nacht zwart naar behoren
of wit van onwetendheid

soms verwarde ik mij met mijn schaduw
zoals men het woord met het woord kan verwarren
het karkas met het lichaam
vaak waren de dag en de nacht eender gekleurd
en zonder tranen, en doof

maar nooit iets anders dan dit:
het zacht maken van stenen
het vuur maken uit water
het regen maken uit dorst

het regent ik drink ik heb dorst.

 

Ik lees het boek. Anna is kind aan huis bij Gerrit, en verhaalt daarover. En ik moet onbedaarlijk huilen. Ik begin nu te begrijpen waarom. Eerder deze week schreef ik al dit.

Ik kon vanzelfsprekendheid missen als kiespijn.
Dacht ik.
Want ik was kunstenaar
en altijd alles
met nieuwe ogen
verwondering.
Maar ik mis vanzelfsprekendheid als een dierbare.
Ik mis een dierbare.
Iemand bij wie heel veel dingen
gewoon zijn
en vanzelfsprekend.
Had ik maar weer wat sleur in mijn leven,
dierbare sleur.
Dat ik niet wist hoe gelukkig ik wel was.

Ik mis het; kind aan huis zijn, ergens binnenvallen en als vanzelfsprekend samen dingen doen of juist niets doen en alleen maar zijn. Het voelt oud, dat gemis. Maar dat klopt niet. Ik was kind aan huis bij twee vriendinnen vroeger. Maar ik besefte nooit hoe heerlijk het was. Ik was toen nog gewoon mijn onhandige zelf, had nog niet geleerd om me aan te passen aan wat de wereld van me wilde, en desondanks werd ik gewoon geaccepteerd.

Toen ik groter werd was dat voorbij. Ik leerde dat ik ergens alleen geaccepteerd werd  als ik grote stukken van mezelf thuis liet. Ik had natuurlijk eerder ook al mijn vrouw zijn verstopt, maar nu kwam daar nog veel meer bij. Ik ontwikkelde vanuit mijn afwijzingsangst een zeer verfijnd mechanisme over welke stukken ik ik waar mocht laten zien. Het meeste liet ik helemaal nooit zien.

Sinds die tijd ben ik nooit meer ergens onbekommerd kind aan huis geweest.

En nu, nu alles er van mij mag zijn, zijn er vriendinnen, en dat is fijn. Maar ook spannend. Want ik weet niet hoe vriendschap werkt. Mijn afwijzingsangst was mijn wegwijzer. En het feit dat ik geen angst hoefde te voelen maakt die vriendinnen zo veilig. Maar omdat ik nooit leerde om mezelf te geven in vriendschappen doet me afvragen of ik die vriendschappen wel waard ben. Ik vraag me nu af of ik die vriendschappen niet als te vanzelfsprekend beschouw. Zodra je geluk beseft, wordt het kwetsbaar. Die kwetsbaarheid voel ik nu. Het doet zeer. En dat is goed. Zeer doen is voelen. En voelen is leven.