Ik dacht dat ik met mijn transitie een grote fuck you had gemaakt naar alles wat iedereen van me vond. Dat ik daar nu vrij van was, want dit was een grote stap. Niet dan? Niet dus.

Geven om wat mensen van me vinden is al meer dan een halve eeuw mijn overlevingsmechanisme. Misschien juist wel omdat ik oorspronkelijk juist helemaal niets gaf om wat anderen van me vonden. Ik kan me momenten herinneren waarop ik me totaal onbewust ben van wat anderen denken en vinden. Ik kan nog veel meer momenten herinneren dat ik me achteraf rot schrok, omdat me flink werd ingepeperd dat ik daar wat beter op had moeten letten. Dat opletten is mijn tweede natuur geworden. Nu het stof van mijn tweeëneenhalf jaar transitie is gaan liggen zien ik dat mijn mechanisme nog grotendeels intact is. Pas nu kan ik gaan werken aan het loslaten daarvan. Het is zwaar werk, maar, maar het volhouden van mijn bewakingssysteem kost nog veel meer energie. Energie die ik niet meer heb. Ik ben klaar met alles wat hoort. Ik kan nu al voelen hoeveel opluchting het is om daar los van te zijn. Ik had op mijn leeftijd daar natuurlijk al lang klaar mee moeten zijn. Maar ik was er té goed in. Ik zag zelf niet eens dat ik het deed, dat ik het nog steeds doe. Maar ik leer. Ik krijg hulp (ooit, wachtlijsten en zo). Ik kom er wel. 

Weet je waarom het zo lang duurde?

Ik bouwde laag op laag vanwege mijn schaamte. Want ik schaamde me ervoor dat ik me zo aanpaste. Ik was toch zeker niet zo’n braverik? De laag die ik eromheen aanlegde was dus een laag waarin ik me schijnbaar juist niet aanpaste. Maar in feite was ik alleen maar bezig om heel zorgvuldig te kiezen waaráán ik me aan paste. Aanpassen aan mensen die zich niet aanpassen, gaf mij de schijn van onaangepast durven zijn. Zó subtiel werkt het, godverdomme!

Please follow and like us: