Echt

Ik lees “De boekwinkel aan het rif van de wereld” van Ruth Shaw.

Ze verteld dat ze kinderboeken uitleent en ook knuffels. Het boek dat het vaakst uitlatend wordt is “Het fluwelen konijn” van Nargery Willliams uit 1922. Daarin praten kuffeldieren over wat “echt” betekent. 

“Het heeft niets te maken met hoe je bent gemaakt. Het is iets wat je overkomt. Als een kind heel, heel veel van je houdt, niet alleen om mee te spelen, maar écht van je houdt, dan wordt je Echt.”

Toen moest ik nadenken over dat woord echt. Want ook in dit stuk tekst wordt het gebruikt als bekrachtigend bijwoord. Kennelijk is “houden van” her net genoeg, en moet het “echt houden van” zijn.

Op die manier gebruik ik het woord zelf ook, besef ik. Vaak als bijwoord bij woorden waarmee ik beschrijf dat iets een indruk op me heeft gemaakt. Echt mooi. Echt bijzonder. Echt ontroerend. Kennelijk zijn die woorden in hun eentje niet goed genoeg om echt te beschrijven wat ik voel. Zie je wel? Daar doe ik het weer.

Is het zonder “echt” minder echt? Ik denk het niet, maar het is echt in het voorbijgaan, zonder dat je er goed op let. Het is iets wat vanzelfsprekend is geworden. Het woord echt gebruik ik dus als ik er niet aan voorbij ga, maar als ik er stil bij sta, en het diep tot me door laat dringen.

Dat dit woord zo gebruikt wordt betekent dat we heel vaak voorbij gaan aan dingen. Hé, daar heb je nog zo’n woord “heel”. Kennelijk doen we ook veel dingen half.

Ik laat het nu maar even gaan dat we ook nog woorden hebben als “instortend”, en “verdedig”, die we gek genoeg ook gebruiken als we iets juist niet ontstorend vreselijk vinden.

Mijn brein is neurodivergent en dat betekent dat mijn buien heel vaak heftig geageerd op wat binnen komt. Dat maakt dat ik het woord “echt” vaak gebruik omdat aan te duiden. Omdat ik merk dat het anderen minder diep raakt dan mij. Mijn brein staat mij niet toe om ergens aan voorbij te gaan. Mijn brein wil als een hondje overal aan ruiken. 

En toch gat ik juist wel voorbij aan mijn gevoel. Dat is een overlevingsmechanisme geworden. Gewoon omdat ik het anders niet vol zou houden. Dat merk ik als ik echt voel. Dat komt zó hard binnen! En daar is alweer zo’n woord. Zó mé trema, en dat trema is zelf ook weer zo’n accent. Mijn tekst wordt bijna onleesbaar omdat ik steeds wil weizen op de woorden die ik gebruik. Maar dat is dus wat mijn hersenen doen. Die merken dat op, en kunnen het niet laten om dat te benoemen. Welkom in mijn hoofd.

As ik “echt” voel, moet ik altijd huilen. Ook als het niet verdrietig is, het is zelfs niet altijd als het vreugde is, het is het voelen zelf dat de tranen op roept. Het duurde lang voor dat ik dat door had. Dat die tranen gewoon betekenen dat ik voel. Echt voel.