Selecteer een pagina

 

Ik geniet van twitter.
Fijn  contact met lieve mensen. En ik ben ook dol op alle fijne reacties als ik mijn kleren show.
Maar ik moet er niet afhankelijk van worden. Niks mis met waardering willen (daar schreef ik het gedicht van Karel, hier beneden over). Maar ik wil niet verslaafd raken.
En die kans is er, als twitter bijna mijn enige contact met de wereld is. Ik vind zomervakanties niet zo heel erg leuk. Iedereen is weg en mijn vrijwilligerswerk als pleinwacht ligt stil. Vanwege de drukte in combinatie met Corona mijd ik Arnhem, en dat is jammer. Mijn koffiewinkel is daar en mijn boekwinkel, en het boekencafé, en de zeven straatjes. Ik mis dus contacten. Ik heb al vier weken niemand gesproken naast mijn aardbeienmeneer.

Al die mooie mensen van twitter gaan in mijn hoofd wonen. En dat is mooi, maar ook een beetje veel, merk ik. Daar moet ik ook even afstand van doen. Ik heb nog niet geleerd om te doseren.

Ik deed gisteren even een Cold Turkey omdat ik me opwond over transhaat. Ook daarom is het goed even geen twitter te doen.

Ik heb een maandlang kunnen zweven op mijn geluksgevoel. Ik wil dat zweven niet verlengen door steeds weer naar complimentjes te vissen met mijn outfits. Het is tijd om te landen. Voeten op de grond, en nog steeds in de zevende hemel. Ik ben aan het opruimen. Mijn huis weer fijn maken. Het was een rotzooi geworden tijdens mijn herstel.

Ik geniet van Jane Austin en ik maak voorzichtig weer wandelingen.En dat is even genoeg.

En ik kocht toch weer een nieuw vestje dat ik graag show. En mens, wat vind ik dat leuk. Ik zou wel model willen zijn.
Maar dat doe ik dus even hier. Met minder publiek, amper reacties. Even mijn verslaving afbouwen. En ook even niks meer kopen, als dat lukt.

Ik mag genieten van mezelf. Ik ga weer ritme opbouwen, ook zonder pleinwacht zijn. Maar ik kan bijna niet wachten tot de vakantie is afgelopen, 24 augustus. Als alles gewoon weer begint. En stiekem verlang ik alvast een beetje naar de herfst. Die mooie melancholieke mix van een nieuw begin en een afloop der dingen.

En mijn boek. Die gaat maandag naar een literair agentschap. En dan drie maanden wachten. Dat is best lang, gezien de spanning die er bij hoort. Maar ik heb vertrouwen.

 

 

Over nooit meer waardering zoeken en de onzin daarvan schreef ik deze

(Ik heb genoeg aandacht, complimenten en geluk in mijn bulten om het die drie weken uit te houden.)

Lang geleden, toen deze mythe
nog een klein verhaaltje was,
voelde de poes nog zonder sprieten
en liep de vis nog op het gras.
Want alle dieren, ja echt waar,
leken toen nog op elkaar.

De Schepper vond dat nogal fraai
ordelijk en elegant.
Zijn dochter Edda vond het saai
en nam het heft in eigen hand.
Want steeds hetzelfde is maar stom
net als elke dag patat.
Edda wilde andersom
dat elk dier juist iets anders had.

Dus opende ze een winkel, waar je zonder te betalen
eigenschappen af kon halen.
Dat werkte als een tierelier
want zelfs zonder het te snappen
wilde elke dier
ook wel eigen schappen.

De olifant wilde slurpen en heel hard kunnen stampen.
De aap een lange staart om zich mee vast te klampen.
Rino wilde graag een hoorn op zijn neus.
Waarop Tokus riep: “Hé dat was mijn eerste keus!”
De haai wilde hele scherpe tanden.
De zwaan wilde statig op het water kunnen landen.

De kameleon wilde de beste zijn in verstoppertje spelen.
De kat wilde zacht zijn, om zich te laten strelen.
De lijster wilde zo graag heel mooi kunnen zingen.
De kangoeroe wilde heel hoog kunnen springen.
De ijsbeer wilde graag een bontjas tegen veel te strenge vorst.
Karel de kameel wilde eigenlijk alleen maar nooit meer dorst.

Edda trok een wenkbrauw op
en Karel zei dat de woestijn,
groot en droog, een hele strop
voor een dorstige kameel kon zijn.
Van Edda kreeg hij voor de afstand
Lange benen, o zo hoog,
en tegen het waaiende woestijnzand
dubbele wimpers voor zijn oog.

Met een “weet je dat wel zeker zeg?”
nam ze ook de dorst van Karel weg.
Blij ging Karel naar de woestijn,
zijn eigenschappen uitproberen,
om na een maand (het moest zo zijn)
bij Edda terug te keren.

“Weet je”, begon hij heel verlegen,
“Ik ben echt reuzeblij
met de eigenschappen die ik heb gekregen.
Ze passen erg goed bij mij.”
“Door die lange poten
ben ik opeens beroemd.
Ik ben Kareltje de Grote,
tenminste, zo wordt ik nu genoemd.”
“Ik heb ook totaal geen last
meer, in mijn ooghoek, van die korst.
Dus die wimpers helpen vast.
Maar  . . .  Ik mis toch zo de dorst.”
Ik doe het nog wel eens, naar een oase gaan.
Maar zonder dorst is er helemaal niks aan.
“Ik geef je dorst weer terug.”
Zei Edda: “En om je te sparen
krijg je twee bulten op je rug
om water te bewaren.”