Het is zondag. Zondagen tellen niet mee in de veertig dagen. Dus de eerste week is voorbij. Een halve. Een soort teen in het water voordat je nat gaat zwemmen.
Het is zwaar.Na vier dagen besef ik al hoe ik social media gebrui. Vooral om mijn hoofd leeg te maken. Alles wat er bij mij binnen komt raakt zoveel andere dingen aan. Er kom van alles in beweging in mijn hoofd. Dat moet er ook weer uit.
Ik schreef daar al eerder overVastentijd
Te veel
Column Volzin
In “Te veel” heb ik het zelfde volle gevoel. Er is zelfs meer bij gekomen. Maar ik ben verrast dat ik nu niet meer de wanhoop voel die ik in dat Blog van toen lees. Ik voel meer, maar kennelijk vind ik minder van wat ik voel. Dat maakt het gek genoeg minder zwaar.
In die column vertel ik hoe alle prikkels als een hondje in een park in mijn hoofd tekeer gaan. Zo voelt het nu.
Dat moet er weer uit, want anders blijft het tintelen daar. En dat is de belangrijkste reden dat ik steeds weer terug kom naar social media. Dat is de ideale plek om even snel een observatie en mijn associaties daarbij te delen. En dan genieten als iemand dat herkent. Dat is wat social media met me deed toen ik er mee begon: herkenning. Ik was niet gek. Ik was niet de Yvettes met zo’n hoofd. Ik kan wél dingen delen! Dat had ik daarvoor zo’n veertig jaar niet gedaan. Ik weet niet hoe ik dat vol hield. Ja, dat weet ik wel. Ik ging kapot, krabbelde overeind en ging weer kapot. En ik duwde al mijn gevoel weg.
Dat doe ik niet meer. Dus nu, na nog maar vier dagen voel ik al hoeveel ik voel. Ik schreef in mijn vorige blog als dat ik ruimte wil maken voor de rouw om Fenna. Dat komt heel hard binnen. Maar er is nog veel meer.
Ik lees veel en lang voor mijn doen, sinds mijn herseninfarct. Ik lees nu “Een jaar met Simon” van Pauline Slot. Ik geniet. Maar dat is meteen het probleem. De hondjes die zij loslaat in mijn brein snuffelende op blekken die ik vergeten was. Boeken die ik geweldig vond en nu weer wil herlezen. En als ik ontdek dat ze schijf coach is moet ik ook weer denken aan mijn mislukte boek dat ik los had gelaten. Dacht ik. De veertig dagen tijd is ook een tijd van voorbereiden. Ik ga die dus ook gebruiken om te zien wat ik met mijn schrijverschap wil. En dus ook of ik nog iets met dat mislukte boek “De Tussenwerelden” wil. Dat hoef ik nu nog niet te weten.
En omdat ze zo veel oproept en omdat ik zo veel herken van wat ze schrijft wil ik dat kwijt. Ik schreef haar een mail. Ik verwacht niet echt dat ze die leest, maar ik moest haar wel schrijven voor ik verder kon lezen. (En dat lukt maar half omdat ik het stom vind om in die mail te vertellen dat “Toren hoof en Mijlenbreed” ook mijn lievelingsboek is. Ik voel altijd onmiddellijk verbonden met mensen die van dat boek houden.)
Er kon niks meer van dat boek ik mijn hoofd als ik niet ook mijn eigen hondje ergens laat rennen. Pauline schrijft zelf ontroerend over de hond die ze adopteerde maar die een mis mach was. De hond, Jeentje, is nu bij een stel dat ik Zweden (Noorwegen?) is gaan wonen, waar hij minder brokkelig heilige en eindeloos de ruimte heeft. Ik moest huilen toen ik dat las.
Maar direct nadat ik die mail heb verzonden lees ik verder, en wil ik er direct weer een mail achteraan sturen. Dat doe ik niet. Maar ja, ik heb ook geen Bluy Sky waar ik kan delen wat me raakte. Dus doe ik dat hier maar.
Het gaat over de “Kelner en de levenden”. Dat is het enige boek dat ik in mijn middelbare-school tijd las. Ik was verpletterd, maar vooral door het magisch realisme er van. In die tijd zag ik ook “Het grote Geburen” van Belcompo in een bewerking van Jaap Druptseen op VBRO tegenpraten. En ook in die tijd was er een Bommel verhaal “De Grote Onthaler”, dat een zelfde soort thema had.
Nu ik de korte samenvatting in “Een jaar met Simon” lees zie ik wat ik gemist heb. De confrontatie van de mensen met alle pijn in hun leven, en de vraag of ze dan nog steeds ja kunnen zeggen tegen dat leven. Maar misschien heb ik dat niet gemist. Ik heb het niet het als spannend avontuur gelezen, maar misschien juist daardoor heb ik het wel heel erg beleefd, zonder allerlei filosofische gedachte daar over. Misschien kwam het daardoor juist wel veel directer mijn onderbewuste binnen. Ik heb het zojuist besteld bij De Slecte. Ik ga het herlezen.
En dan schrijft ze dat ze terug rijd, en dierenmishandeling ziet en klaar is met de wereld. Dat zij die wél zou willen vervloeken, maar dat dat natuurlijk niet in stand blijft.
Ook daar herken ik veel. Ik schreef daar ooit dit gedicht over, tijdens mijn revalidatie na mijn herseninfarct, tien ik er ook helemaal doorheen was.
Wat bedoelen ze, als ze zeggen
“Je bent zo sterk!”
Dat ik niet huil?
Dat ik niet klaag?
Dat ik niet schreeuw?
Dat ik niet apathisch ben?
Ik doe het allemaal.
En soms wil ik zelfs opgeven.
Maar weet je,
als je tegen de wereld zegt:
“Ik stop er mee!”
Dan blijft die wereld zo onbekommerd doorgaan
dat je uiteindelijk weer zegt:
“Oké dan, ik doe wel weer mee.”
Zelfs het opgeven heb ik opgegeven.
Dus wie is er nu sterk?
Ik houd niet zo van “het kan geen toeval zijn”, maar nog geen week hiervoor jas ik Job. Daar worden vragen gesteld. En Vestdijk heeft gewoon de weddenschap van God met de Duivel geleend. Job raakte me ook al omdat ik in de klachten van Job ze veel herkenden waar Fenna doorheen heeft moeten gaan. En dat brengt me weer terug bij het gesprek dat ik in mijn hoofd heb met Fenna. Ik ga dat nog uitschrijven.
Fenna mopperde soms hard. Daar had ze alle recht toe. Ze vervloekte niet haar leven, maar wel haar autisme die haar zo gedij liet voelen dat alles pijn is gaan doen. Ze zou gezegd hebben dat ze het leven wel de moeite waard vind, maar dat ze het gewoon niet meer kan opbrengen. Het is niet dat ze de moeite niet wilde doen, maar dat ze de moeite gewoon niet meer aan kon.
En zo brengt het boek dat ik lees om even niet met mijn gedachten bij Fenna te zijn, me toch terug naar Fenna. En dat kan denk ik ook niet anders.
Ik kan het op dit moment even niet aan om dat gesprek dat ik heb met Fenna verder te schrijven. Maar dit is wat ik kwijt moest. Nu ga ik weer verder lezen. Ik hoop op iets meer lucht. Het is zondag. Vandaag hoef ik feitelijk niet te vasten.














