Selecteer een pagina

De tussenwerelden (deel 4)

We praten natuurlijk ook, mijn psycholoog en ik. Naast schrijven vertel ik ook dingen. Hij weet dus wat er nu komt. Hij zegt dat dit het belangrijkste is wat ik ga schrijven. 

“Je hebt gelijk dat schrijven alleen niet helpt”, zegt hij: “Er is niets dat in zijn eentje helpt, het zijn alle dingen tegelijk en je weet nooit wat doorslaggevend is geweest. Maar ik heb zo’n vermoeden dat het zit in waar je nu over gaat schrijven. Ergens heb je een beginnetje gevonden en daarmee heb je de vicieuze cirkel omgedraaid. Je hebt dus wel jezelf aan je haren uit het moeras getrokken.”

Als je dit leest, mijn psycholoog die ik niet met name mag noemen, je bent wel oke.

Waar zit dat beginnetje? Ik denk dat het Astrid was, mijn lieve stoere zus die nog in me geloofde. Maar mijn psycholoog heeft gelijk. Ik heb het zelf gedaan. Want ik heb haar geloofd, in plaats van alleen maar te denken dat ze lief voor me was. Ergens heb ik geloofd dat ik het waard was. Of misschien was het begin nog kleiner, en heb ik alleen maar mijn best gedaan om haar geloof in mij niet te beschamen. Hoe dan ook, dit gaf me de kracht om te gaan spelen met mijn vermogens en elk klein succesje haalde me verder uit het moeras. Dat hele kleine begin is jezelf afzetten op iets dat niet bestaat, jezelf optrekken aan iets dat je nog niet kunt geloven. Geloven dat zij het wel geloven, de mensen die zeggen dat ze in je geloven. En met dat half geleende en half verzonnen geloof in jezelf zet je een eerste stap. Half verzonnen, want als je zo’n hoofd hebt als ik, dat zo vreselijk goed is in redenen bedenken waarom ik niet deug, heb je een hele goede argumenten nodig om een zwijgen op te leggen. 

Mijn eerste stap was dat ik mezelf wijs maakte dat ik het aan durfde om mezelf daadwerkelijk uit het moeras te redden, het moeras in die bol uit de tussenwereld.

 

Maar eerst sterker worden. Uitproberen wat ik allemaal kon. Dat huiswerk had me laten zien dat het moeilijk was dan je zou denken. Ik moest genoeg verbeelding hebben en ik moest ook nog een genoeg in die verbeelding geloven.

 

Ik begon met levenloze dingen. Ik bedacht variaties op kastanjes en eikels. Ik kruiste ze met elkaar, en daarna met van alles, vruchten bijvoorbeeld. Het was leuk! Ik had er plezier in. Peervormige eikels, wilde kastanjes zo roze als lichees, een banaan die naar aardbei smaakte. En toen bedacht ik dat alles wat ik lekker vond onder handbereik had. Ik was voorzichtig maar het leek geen kwaad te kunnen om het te eten. Ik vroeg me af of je dik kon worden van chips die je uit het niet tevoorschijn tovert.

 

Dit was het moment om het met Astrid te delen. Zij had weer nieuwe ideeen. Ik kon haar zelfs opmaken zonder make-up. Ik hoefde me alleen maar voor te stellen hoe ze er uit zou zien. Als Astrid iets speciaal wilde maakte ze daar een tekening van. Ik begon steeds meer te zien wat ik kon. Het was tijd om mijn eigen moeras te verslaan, zoals ik dat met mijn eigen muggen ook had gedaan.

 

Ik wilde een wapen mee, als ik weer naar die tussenwereld wilde. Er was daar meer dan alleen moeras. Astrid en ik hadden net weer alle Star Wars films gekeken (ik vroeg me af of Ineke boos zou zijn dat ik dat zonder haar deed, maar ze was toch al boos), en ik wilde zien of ik een lichtzwaard voor mezelf kon . .  ik moet daar nog een goed woord voor bedenken. Toveren klinkt te kinderachtig voor wat het is. Materialiseren beschrijft precies wat het is, maar dat klinkt te Science Fiction achtig. Bestendigen. Zo ga ik het noemen. Ik laat bestaan wat er in mijn hoofd al aanwezig is.



Waarschijnlijk weet George Lucas zelf minder over het vechten met een lichtzwaard dan ik intussen. Ja, het werkte, ik heb er een, een paarse! Een lichtzwaard leeft! Het heeft een eigen wil. Als je die negeert, en zo maar wat zwaait worden je armen alle kanten opgetrokken. Als je geen verbinding maak met het lichtzwaard, lijkt het alsof het je tegenwerkt. Zoals paardrijden ook betekent dat je een eenheid wordt met het paard. Een van de meiden uit de klas bij Astrid had een paard en daar mocht ze soms op, ze bleek een natuurtalent. En zo moet je dus ook een worden met een lichtzwaard. Dit leerde ik pas later. En ik leerde het van iemand van wie ik dat het minst verwachtte. Nu was ik alleen maar bezig het gevaarte in bedwang te houden. Het schoot alle kanten op. Maar alle kanten was goed genoeg in dit geval. Als ik de tussenwereld in zou gaan was het gevaar aan alle kanten.

<deel 5>