De tussenwerelden (deel 5)

 

We praten natuurlijk ook, mijn psycholoog en ik. Naast schrijven vertel ik ook dingen. Hij weet dus wat er nu komt. Hij zegt dat dit het belangrijkste is wat ik ga schrijven. 

“Je hebt gelijk dat schrijven alleen niet helpt”, zegt hij: “Er is niets dat in zijn eentje helpt, het zijn alle dingen tegelijk en je weet nooit wat doorslaggevend is geweest. Maar ik heb zo’n vermoeden dat het zit in waar je nu over gaat schrijven. Ergens heb je een beginnetje gevonden en daarmee heb je de vicieuze cirkel omgedraaid. Je hebt dus wel jezelf aan je haren uit het moeras getrokken.”

Als je dit leest, mijn psycholoog die ik niet met name mag noemen, je bent wel oke.

 

Waar zit dat beginnetje? Ik denk dat het Astrid was, mijn lieve stoere zus die nog in me geloofde. Maar mijn psycholoog heeft gelijk. Ik heb het zelf gedaan. Want ik heb haar geloofd, in plaats van alleen maar te denken dat ze lief voor me was. Ergens heb ik geloofd dat ik het waard was. Of misschien was het begin nog kleiner, en heb ik alleen maar mijn best gedaan om haar geloof in mij niet te beschamen. Hoe dan ook, dit gaf me de kracht om te gaan spelen met mijn vermogens en elk klein succesje haalde me verder uit het moeras. 

 

Dat hele kleine begin is jezelf afzetten op iets dat niet bestaat, jezelf optrekken aan iets dat je nog niet kunt geloven. Geloven dat zij het wel geloven, de mensen die zeggen dat ze in je geloven. En met dat half geleende en half verzonnen geloof in jezelf zet je een eerste stap. Half verzonnen, want als je zo’n hoofd hebt als ik, dat zo vreselijk goed is in redenen bedenken waarom ik niet deug, heb je een hele goede argumenten nodig om een zwijgen op te leggen. 

 

Mijn eerste stap was dat ik mezelf wijs maakte dat ik het aandurfde om mezelf daadwerkelijk uit het moeras te redden, het moeras in die bol uit de tussenwereld.

 

Maar eerst sterker worden. Uitproberen wat ik allemaal kon. Dat huiswerk had me laten zien dat het moeilijk was dan je zou denken. Ik moest genoeg verbeelding hebben en ik moest ook nog een genoeg in die verbeelding geloven.

 

Ik begon met levenloze dingen. Ik bedacht variaties op kastanjes en eikels. Ik kruiste ze met elkaar, en daarna met van alles, vruchten bijvoorbeeld. Het was leuk! Ik had er plezier in. Peervormige eikels, wilde kastanjes zo roze als lichees, een banaan die naar aardbei smaakte. En toen bedacht ik dat alles wat ik lekker vond onder handbereik had. Ik was voorzichtig maar het leek geen kwaad te kunnen om het te eten. Ik vroeg me af of je dik kon worden van chips die je uit het niet tevoorschijn tovert.

 

Dit was het moment om het met Astrid te delen. Zij had weer nieuwe ideeen. Ik kon haar zelfs opmaken zonder make-up. Ik hoefde me alleen maar voor te stellen hoe ze er uit zou zien. Als Astrid iets speciaal wilde maakte ze daar een tekening van. Ik begon steeds meer te zien wat ik kon. Het was tijd om mijn eigen moeras te verslaan, zoals ik dat met mijn eigen muggen ook had gedaan.

 

Ik wilde een wapen mee, als ik weer naar die tussenwereld wilde. Er was daar meer dan alleen moeras. Astrid en ik hadden net weer alle Star Wars films gekeken (ik vroeg me af of Ineke boos zou zijn dat ik dat zonder haar deed, maar ze was toch al boos), en ik wilde zien of ik een lichtzwaard voor mezelf kon . .  ik moet daar nog een goed woord voor bedenken. Toveren klinkt te kinderachtig voor wat het is. Materialiseren beschrijft precies wat het is, maar dat klinkt te Science Fiction achtig. Bestendigen. Zo ga ik het noemen. Ik laat bestaan wat er in mijn hoofd al aanwezig is.



Waarschijnlijk weet George Lucas zelf minder over het vechten met een lichtzwaard dan ik intussen. Ja, het werkte, ik heb er een, een paarse! Een lichtzwaard leeft! Het heeft een eigen wil. Als je die negeert, en zo maar wat zwaait worden je armen alle kanten opgetrokken. Als je geen verbinding maak met het lichtzwaard, lijkt het alsof het je tegenwerkt. Zoals paardrijden ook betekent dat je een eenheid wordt met het paard. Een van de meiden uit de klas bij Astrid had een paard en daar mocht ze soms op, ze bleek een natuurtalent. En zo moet je dus ook een worden met een lichtzwaard. Dit leerde ik pas later. En ik leerde het van iemand van wie ik dat het minst verwachtte. Nu was ik alleen maar bezig het gevaarte in bedwang te houden. Het schoot alle kanten op. Maar alle kanten was goed genoeg in dit geval. Als ik de tussenwereld in zou gaan was het gevaar aan alle kanten.

 

Ik had ook geen tijd om meer te oefenen. Ik had haast. Mijn vermoeden dat die donkere wolk die Astrid had gezien een negatieve invloed had op zo’n beetje iedereen om me heen groeide met de dag. Mijn ouders waren weer terug naar een gewapende vrede, leraren konden niks meer hebben en waren zelfs ronduit gemeen. Ik kan wel voorbeelden geven maar je kent ze zelf maar al te goed. Haal maar een rotstreek van een leraar voor de geest en verbeeld je dat zoiets meerdere keren per dag gebeurt, dan zou jij je ook zorgen gaan maken.

 

Die zwarte wolk was via mij uit die tussenwereld ontsnapt. Mijn psycholoog  vermoedde dat het mijn schaduw is die ik niet toeliet. Voor hem is het beeldspraak voor mij is het echt, maar dat maakt niet zoveel verschil, hebben we ontdekt, we hebben het over hetzelfde, want zoiets had ik zelf ook bedacht, niet in die woorden, maar dat het met mij te maken had was me duidelijk, dat ik degene was die er iets aan moest doen, ook. Ik was sowieso de enige die iets kon doen, en de enige plek waar ik kon beginnen was in die tussenwereld. Terug die luchtbel in, het moeras uit en dan . .  ik had geen idee, ik zou het wel zien als het zo ver was. Ik had een lichtzwaard, en zelfs als dat niet hielp, ik was degene die een lichtzwaard had bestendigd, als ik dat kon, kon ik ook meer. 

 

De hut was de aangewezen plek om te proberen of ik de toegang naar de tussenwereld kon vinden. Astrid wilde mee, om over me te waken. Ik vond dat te gevaarlijk, maar ze haalde me over op de enige manier die hielp. Ze kende me te goed. 

“Als je zo arrogant wil zijn dat jij denkt dat jij de enige bent die de wereld kan redden dan ga je lekker je gang!”

Al mijn vers opgebouwde zelfvertrouwen donderde in een klap in elkaar. Mijn geloof in mezelf was een wankel huis, gebouwd op de fundamenten van de goedkeuring van mijn kleine zus. Ik zou mijn eigen fundament gaan vinden. Misschien. Ooit. Maar nu was dat niet zo ver. Ik had haar nodig. Ze mocht mee.

 

Verbeelding was mijn ingang. Zo had ik het voor het eerst opgeroepen met mijn nachtmerries, ik had het ontdekt met alles wat ik kon bestendigen en wat niet (nog steeds geen geld, en huiswerk kostte me net zo lang als anders, ik hoefde het niet op te schrijven maar ik moest wel bedenken wat er in mijn schriften en werkboeken moest komen) en mijn diepe wens niet hier te zijn bracht me daar. In de tussenwereld. Ik weet nu dat het tussenwerelden zijn, maar dat vertel ik later wel. Het koste me niet heel veel moeite, ik hoefde me alleen die eerste keer voor de geest te halen. Astrid vertelde me later dat ik echt verdween. Dat is hoe ik weet dat het geen droomtoestand was waarin ik terecht kwam.

 

Het donker. De bubbel. Het moeras. Maar het moeras was nog amper een moeras. Een beetje drassig, wat wiebelig om op te staan, maar meer een veengrond dan een moeras. We hadden op vakantie ooit gewandeld in the moors. Peat, noemden ze de grond. Dansend onder je voeten en als je heel lang bleef staan, zakte je er een beetje in. Pikzwart water kwam er dan omhoog. Daar leek het op. Er waren paden gemaakt met grote platte stenen, op die moors. Zo’n steen bestendigde ik onder mij en ik had tijd om rond te kijken.

 

Er waren andere bollen, allemaal met mensen er in, en zo te zien had iedereen zijn eigen probleem. Ik zag mensen vechten met monsters, stikken in rook, verzuipen in een soort soep, overwoekerd worden door planten. Buiten de bollen was ook leven en niet van het goede soort. Ik zag direct mijn eigen reuzenmuggen en grote wespen, maar ik zag heel erg veel monsters die ik zelf nooit bij elkaar bedacht zou krijgen, en ik heb er nog al wat gezien in strips, series en films.

 

En toen zag ik Liza.

 

Spinnen! Haar bol zat vol spinnen. Ze zat vast in hun web, en het zou niet lang duren of ze zou ingesponnen worden. Kon ik haar maar uitleggen dat ze zelf de kracht had om ze te laten verdwijnen, maar dat was geen optie. Ik moest haar redden. Maar hoe kwam ik door de taaie huid van mijn luchtballon heen? Mijn lichtzwaard! Intuitie is helemaal geen bijzondere gave. Intuitie is vergeetachtigheid en onoplettendheid van je bewustzijn. Dingen die je onbewust oppikt en weet komen plosteling naar boven en lijken uit het niets te komen. Ik had helemaal geen plannen gehad om uit die bol van mij te breken, dacht ik. Ik wilde mijn eigen moeras uit en verder had ik niet gedacht, dacht ik. Maar nu moest ik wel, wilde ik Liza redden. En ik was het kennelijk toch al van plan geweest.

Het lichtzwaard sneed door de bol als een snijbrander door staal. Ik zweefde in de ruimte, en ergens moet mijn lichtzwaard de luchtbel (koepel is een beter woord) van Liza hebben geraakt. Ik zag nog de spinnen alle kanten opvliegen, het web werd uit elkaar gerukt en Liza was vrij, net als ik zwevend in de donkere ruimte. Totdat we opgeslokt werden door een grote golf die van boven kwam.

 

Toen ik weer in de hut bij Astrid zat was ik nat.

<deel 6>