Selecteer een pagina

Na mijn examens viel ik in een gat. Mijn ouders verhuisden teveel dorpen verderop. Nog een paar examenfeesten, en ik zag niemand meer. Een nieuw leven stond te wachten in Wageningen, waar ik nog niet eens een kamer had. Een zomerlang overal tussenin.

 

De introductieweek maakte alles goed. Twee schatten van mentoren, een vriend waar ik een klik mee voelde. Een alternatieve studentenvereniging waar een prettige open sfeer was waar ik me thuis voelde. En een fijne ‘afdeling’, zoals we dat noemden. Een van de zijvleugels van een sterflat, die voor Wageningen zo typerend zijn. Acht kamers, een keuken, en een wasruimte. We deden alles samen, ik hoefde me nooit alleen te voelen, als ik naar de keuken ging was er altijd wel iemand, en we hadden allemaal onze deur open staan en liepen veel bij elkaar binnen. De rest was ruim vijf jaar ouder dan ik. Ik voelde me geaccepteerd en vertroeteld als de benjamin. Muziek was de verbindende factor. Het hart van elke studentenkamer was de stereo-installatie, en de rij Elpees. Eindeloos lieten we elkaar horen waarom dat ene nummer zo goed was, de naald van de pickup voorzichtig in de juiste groef laten zakken, omdat je anders ‘tikken’ en krassen kreeg. Die tikken kreeg je toch wel, muziek uit die tijd zit in mijn hoofd gegrift, inclusief die tik op precies die plek.

Wageningen was een alternatieve stad. Vegetarische eethuisjes, gesprekken over hoe we de wereld konden verbeteren, colleges filosofie en psychologie, ruimte voor andere leefstijlen. In Wageningen kon ik androgyn rondlopen, kon ik mezelf zijn.

En dan mijn prille liefde.

Ik had de sprong uit huis gemaakt, ik voelde me gelukkig.

En toen werd ik heel hard terug gesmeten.

De psycholoog van het VUMC benoemde het zo: “In de tijd dat de meeste trans jongeren gaan spelen met hun gender, had jij iets anders te doen.”

De diagnose: Hodgkin, lymfeklierkanker, trok me terug in de zorg van mijn ouders, en van de medici aan wie ik mijn leven toe vertrouwde.

 

Het was allemaal begonnen met een opgezette klier, van een afdelingsgenoot. Hij dacht dat het pfeiffer was, maar was toch voor de zekerheid maar even naar een huisafts te gaan. Hij bleek Hodgkin te hebben. Toen ik later ook een opgezette klier had, kon dat natuurlijk geen Hodgkin zijn, 2 op de 8, what are the odds? Toch maar even naar een huisarts. Ik had er nog geen, dus ik koos de zijne. Goede keus. Want hoe toevallig ook, die klier moest eruit en onderzocht, direct! Het duurde even voordat er nieuws was. Ik maakte me niet ongerust. Dacht ik. Ik had een nieuwe Elpee van Madness, met een nummer over Mrs. Hutchinson. Dat eindigde zo : “I have to tell you it’s my duty te speak, your mother will not last a week.” Met die typisch droef-vrolijke muziek van Madness. Ik maakte er steeds Mrs. Hodgkinson van, als ik het zong.

 

Er kwam een voorlopige uitslag: waarschijnlijk niks aan de hand, maar voor de zekerheid doorgestuurd naar een lab met experts. Ik had een soort van klein feestje. Twee weken later bleek het toch mis.

 

Hoe ik deze periode doorgekomen ben? Ontkenning, vermijding, ik sloot me compleet af. Van mijn ouders kreeg ik een walkman, een van de eerste, precies zo een als die uit Gardians of the Galaxy. Mijn broer had mooie bandjes samengesteld. Ik was alleen met mijn muziek en de rest van de wereld bestond niet.

 

Onlangs moest ik weer die molen in. Voor mijn operatie moet ik gezond zijn, en de bestraling die ik begin jaren 80 kreeg schijnt nogal veel gezondheidsproblemen op te leveren. Nu was ik niet afgesloten, en nu voelde ik pas hoe vreselijk die ziekenhuisbezoeken zijn, hoe intimiderend de omgeving, hoe ongemakkelijk de onderzoeken, hoe ze faalangst oproepen ondanks het feit dat je best doen hier niet bij komt kijken. Nu voelde ik pas hoeveel ik destijds heb weggedrukt. Nu pas voelde ik de angst die ik destijds niet kon voelen. En nu pas voel ik hoe de vermijding destijds noodzakelijk is geweest.

 

Er was nog een meisje met Hodgkin in het ziekenhuis. Ook in de diagnosefase. We kwamen elkaar soms tegen. Ik hield haar een beetje op afstand, denk ik. Vier jaar later kwam ik haar tegen, op een controlebezoek. Ze was kaal, en liep met een infuus. Het was terug gekomen, ze kreeg nu de zwaarste therapie. Al mijn angsten kwamen alsnog naar buiten. Ik moest nog een heel jaar voordat ik in de vijfjaars veilige zone zat. Ook die angst kreeg ik tamelijk snel weer in bedwang.

 

En mag je nu ook voelen

hoe waar het is,

dat het de beste keuze was?

hoe kwetsbaar je toen was?

hoe dapper?

hoe mooi?

hoe jij?

 

Ik lag ruim een maand in het ziekenhuis voor onderzoeken. Mijn mindset was gefixeerd op een slechts twee dingen: In welke fase is de ziekte, en vinden ze nog iets anders.

Die eerste was belangrijk, voorbij fase 2, betekende langdurige cytostatica.  Die tweede kwam toen een röntgenfoto overnieuw moest omdat er iets te zien was dat er niet hoorde te zijn. (Het bleek een vlekje in de apparatuur).

Ze haalden mijn milt er uit. Die was schoon. Bestralen zou genoeg zijn.

 

Daarna werd ik een maand bestraald. Ik was de hele dag misselijk, het duurde een jaar voordat ik sommige dingen weer kon eten zonder misselijk te worden. En ik kreeg gordelroos, een ziekte die behoorlijke zenuwpijnen gaf en blaren. De littekens maakten me niet uit, toen. Mannen hoefden geen mooie borsten te hebben, dacht ik nog, o ironie.

 

Ik kwam terug in Wageningen, op mijn veilige afdeling, dat gaf een beetje bedding. Maar ik was volkomen kwijt wat ik op de wereld ook al weer kwam doen. Mijn studie zei me weinig meer. Ik begon opnieuw, want door invoering van de tweefasenstructuur (Landbouwhogeschool weed Landbouwuniversiteit), waren mijn oude studiepunten waardeloos geworden. Onder de nieuw eerstejaars was Ingrid.

Please follow and like us: