“Je krijgt morgen een pop op je verjaardag”, Mijn broer keek me uitdagend aan. Mijn schrik verdween meteen weer, toen ik die blik zag, het was dus een grapje.
“Ha, die gooi ik toch weg!” zei ik stoer.

Ik wilde niet geassocieerd worden met meisjesdingen. Ik was toch al het watje. Ik deed mijn uiterste best om niet op te vallen. Ik kon niet de stoere jongen uithangen, want daarmee zou ik onmiddellijk door de mand vallen. Ik kon me wel gedeisd houden en zo min mogelijk de aandacht op me vestigen. Ik had al geleerd niet steeds mijn vinger op te steken als ik een antwoord wist.

 

In die tijd hadden jongens lang haar, wat maakte dat mensen vaak vroegen of ik een meisje was. Ik zag dat als een jammerlijk falen. Het lot had me als jongen op de wereld gezet. Ik kon op zijn minst mijn best doen de verwachtingen een beetje waar maken. Ik wist dat de wereld niet zat te wachten op mensen die daar niet in slaagden.

 

Ik wilde absoluut geen pop, ik wilde niet dat mensen dachten dat ik poppen leuk zou vinden. Misschien was ik juist wel bang dat ik ze leuk zou vinden. Ik was ook heftig bezig met mezelf te overtuigen dat ik echt gewoon een jongen was. Niks aan de hand. Laat er alsjeblieft gewoon niks aan de hand met me zijn. De mantra van mijn leven.


“Dat zou ik heel jammer vinden, want we hebben hem zorgvuldig uitgezocht”, mijn vader deed vaak net alsof hij sliep, in zijn lekkere stoel, maar hij hoorde altijd alles. Dat merkte je nu weer, aan zijn opmerking. Maar papa maakte vaker grapjes, dus ik was niet ongerust.

De schrik kwam direct hevig terug toen mijn moeder er zich mee bemoeide: “Je vindt het vast een leuke pop.”
Mama was juist helemaal géén grapjesmaker. Ik had haar bescherming verwacht, een hou-die-arme-jongen-niet-zo-voor-de-gek opmerking. Ik zou toch niet écht . . .

Die nacht sliep ik slecht, en die ochtend kreeg ik mijn pop.

 

En wat was ik daar, tegen alle verwachting in, blij mee. Want het was een poppenkastpop. Als onderdeel van een echte poppenkast, die mijn vader helemaal zelf getimmerd had. Een pop en toch geen pop.

En toch ook weer wel een pop.

Want de pop, een varken, werd mijn knuffeldier. Liefde zit op onverwachte plekken.

We waren onafscheidelijk, ik en mijn knuffel. Woordeloos hadden we mooie gesprekken. Mijn knuffel begreep mij zoals niemand anders dat kon. Hij hoefde mij maar aan te kijken, en hij kon alles lezen, ik hoefde hem alleen maar aan te kijken en ik kon alles lezen. Die blik. Altijd was er vertrouwen te lezen, en troost.

De knuffel bleef in mijn bed tot ik op kamers ging. Dat was toch echt een moment van afscheid. De knuffel bleef alleen achter in mijn ouderlijk huis, en het voelde als verraad.

Steeds als ik verhuisde zag ik mijn knuffel weer even. Ik deed hem dan weer terug in de doos.

“Weet je, de wereld heeft geen plek voor jou” fluisterde ik dan zacht, en ik gaf hem een kus.

 

Mijn laatste verhuizing was na de scheiding. Ik haalde mijn knuffel uit de doos en nam hem . . . haar? . . . in mijn armen.

“Welkom terug in de wereld.” zei ik, en legde mijn knuffel weer bij mij in bed.

Please follow and like us: