(uit mijn boek)

Ik kom voor het eerst de klas binnen. Alleen met de juf, mijn moeder is al weg. Alle kinderen zitten aan een tafeltje en zijn stil ergens mee bezig. Iedereen heeft al een plek. Ik moet het doen met het ene lege tafeltje. Er valt niets te kiezen. En al deze kinderen kennen elkaar dus al. “Maak maar vriendjes”, had mijn moeder gezegd. Maar hoe dan? Die eerste dag hoefde ik niet zoveel, maar ik had wel door dat ik natuurlijk ook mee moest doen, net als alle anderen. En allemaal hetzelfde werkje. Het kan toch niet zo zijn dat ze allemaal dat zelfde werkje leuk vinden? De enige mogelijke conclusie: ik ga hier heel veel dingen doen die ik niet leuk vind. Prikken bijvoorbeeld. Ik haat prikken. Het duurt lang. En de kant is rafelig. Ik wil best een lief poesje uitknippen en kleuren, maar waarom krijg ik dan geen schaar? Ik heb geen zin om zo’n rafelig poesje te kleuren. Het is tóch niet mooi. Nee! Die rafels lijken niet op een vachtje. Ik schik me met tegenzin in het nieuwe ritme. Ik kan niet anders.

Het is pauze. Zucht. Mijn jas aan. Weer in de rij bij de juf. Weer als laatste op het plein zodat alles al bezet is. Ik wil graag het klimrek op. Maar daar zitten alle stoere jongens al. En ik weet, dat als ik de juf erbij haal, ik gepest ga worden. Dat heb ik al zien gebeuren. Ik maak nooit dezelfde fout twee keer, en fouten die ik anderen zie maken, maak ik helemaal niet.

Ik onderga. En soms is het ook best leuk. Maar vriendjes heb ik niet. Totdat Anneke me op zoekt. Steeds vaker. Dat is mooi. Ze is een beetje bazig, maar dat vind ik niet erg. Ik weet niet hoe je vriendjes maakt of houdt. Dat zij het initiatief neemt is veilig. Ik ben er toch al aan gewend dat je dingen doet die je niet zelf kiest, en dat je maar moet afwachten of het leuk is. Het is in ieder geval samen. Ook dat is niet altijd even leuk, maar ik ben geen uitzondering meer.

De schoolfoto. Ik moet op de foto met een Sio hijskraan. Sio is mijn lievelingsspeelgoed. Planken en blokjes met gaten erin, en houten moeren en bouten. Maar deze hijskraan heb ik niet gemaakt, die is te moeilijk voor mij. Ik wil niet met deze hijskraan op de foto, dat is nep. Maar hoe logisch mijn betoog ook is, ik moet. Ik schaam me voor de foto. Ik sta met een schroevendraaier in de hand bij een schitterende hijskraan die ik niet bouwde.

En dan moet ik naar de “tweede”. Dat andere lokaal. Ik wil dat niet. Ik ben net gewend aan mijn klas. Ik weet met welke kinderen ik samen kan spelen zonder dat ze me wegsturen. We gaan alleen maar even kijken of ik het leuk vind. Dat is de enige manier waarop ze me mee krijgt. Ik loop naar de andere klas, begeleid door twee juffen, mijn eigen en de nieuwe. Ik zet twee stappen in de nieuwe klas. Allemaal gezichten kijken me aan. Gezichten die ik wel ken, maar die niet vertrouwd voelen. En in deze klas zitten grote stoere jongens. Nee, dit wil ik niet. Ik zegt het “Ik vind het niet leuk”, en ik loop terug naar mijn eigen klas. Maar ik moet toch. Waarom gaan we kijken of ik het leuk vind als het helemaal geen ene moer uit maakt of ik het leuk vind? Mijn vertrouwen in volwassenen is nu definitief verloren. En er zijn ook al zoveel andere kinderen die onbetrouwbaar zijn. Waarom mag Anneke niet mee?