Natka en Emma 

 

Aan het begin van deze eeuw gaf ik taakstraftrainingen. Bedoeld voor jonge first offenders, of second, dat mocht soms ook. Iemand had me getipt voor dit werk, omdat hij zag hoe begaan ik was met iedereen die buiten de boot viel. Hij had gelijk. Het was mooi werk.

De taakstraftraining zat goed in elkaar. Het was de eerste keer dat ik me durfde over te geven aan trainen volgens een strak stramien. Ik hield nooit van trainen volgens een draaiboek. Een draaiboek impliceert een norm. Ik viel zelf altijd en overal buiten de normen, en de mensen die ik wilde helpen ook. Om echt iets te bereiken ging ik vaak buiten de lijntjes. Dat is denk ik de reden dat ik nooit een baan langer heb volgehouden dan drie jaar, een soort three year itch. Maar hier gaf dat draaiboek me handvatten, en ik zag hoe het werkte. Deze training gaf me de ruimte om de jongeren echt te bereiken, en concreet iets voor ze te doen. En toch was er iets dat me voortdurend dwars zat, er was iets mis, niet het draaiboek, iets anders, ik kon er niet mijn vinger op leggen. 

 

De training bestond uit 8 bijeenkomsten, telkens één op één met de jongere.

Op de eerste bijeenkomst heb ik het niet over wat de jongeren uitgevreten hebben. Dat weet ik al, en zij weten dat ik het weet. Ze zijn er bovendien door iedereen al over doorgezaagd. Geen slimme start dus om daar mee te beginnen. In plaats daarvan vraag ik naar hun leven. Dat doe ik door ze een dag te laten beschrijven, gisteren bijvoorbeeld. Hoe laat stond je op? Gaat er een wekker, wordt je wakker gemaakt? Wie zijn er nog meer in huis? Ga je naar school, stage? Wat doe je als je terug komt? Heel veel persoonlijke informatie. 

Als je als trainer niet integer bent, wordt dat gevoeld en krijg je, terecht, niks los. Ik was altijd oprecht geïnteresseerd. Ik vroeg ze de hemd van het lijf.  Er was toen nog geen wet op privacy. Terugdenkend vraag ik me wel eens af hoe ethisch dit is, want ík kan wel denken dat ze het mij allemaal willen vertellen omdat ik zo betrouwbaar ben, maar ze zijn verplicht om mee te werken, dus hoe vrijwillig is hun mededeelzaamheid nou echt?

 

Ik kreeg ontroerend mooie verhalen te horen. Op elke jongere werd ik een klein beetje verliefd. Te vaak kreeg ik ook ín en ín trieste verhalen. Over niet naar school kunnen want geen geld voor de bus, en te onveilig voor alleen over straat. Over moeders die er helemaal alleen voor staan en niets van alle zorginstanties snappen die over de vloer komen vanwege een broertje met ernstige gedragsproblematiek. De jongere die dit vertelde hielp haar moeder, maar had ze had er zelf ook moeite mee. Ik snapte uit haar verhalen dat die instanties vooral elkaar in de weg liepen.

 

Een Koerdische jongen die voor geweldpleging was opgepakt vertelde dat hij uit school altijd boodschappen deed en graag het huis op ruimde voor zijn moeder, die laat moest werken. Met een glimlach zei hij: “Ze kijkt dan altijd zo blij als ze thuis komt.”

Deze jongen, Erdem, had een kort lontje, en zijn vrienden maakten daar misbruik van. De knokpartij waarvoor hij werd opgepakt was ontstaan omdat ze hem hadden wijsgemaakt dat iemand zijn zus een hoer had genoemd. En hij was eerder bij een knokpartij betrokken omdat hij bijgesprongen was om zijn broer te helpen die belaagd werd. 

“Ik kan toch niet toekijken als mijn broer in elkaar geslagen wordt?”
Hij wist dat als het weer zo gebeuren, hem iets zwaarders te wachten stond dan een taakstraf. Ik snapte het dilemma.

“Stel dat  jij straks toch moet zitten voor iets, zorg dan dat je daar dan geen spijt van hebt. Zoals voor het helpen van je broer. En niet voor zoiets stoms als je laten opfokken door je vrienden. Is het oké als we daar aan werken?”
Dat vond hij een goed plan.

 

Zo hielp ik iedereen met het vinden van een plan. De jongeren moeten namelijk zelf hun doelen opstellen. Dat gebeurt in de derde bijeenkomst. 

In de eerste heb ik de situatie in kaart gebracht, compleet met alle belemmerende en protectieve factoren. De tweede bijeenkomst gaat over het delict. Ik begin bij het moment dat ze opgepakt zijn en werk dan, vragen stellend, terug, op zoek naar het moment waarop ze nog een andere keuze hadden kunnen maken. In de derde bijeenkomst komen die doelen. En dat is een beetje manipulatief. Ik vraag ze waar ze over twintig jaar willen zijn. En dan stap voor stap terug naar nu, met steeds de vraag: ‘Wat is daar voor nodig’. Dan kunnen ze niet anders dan concluderen dat opgepakt worden voor een misdrijf daar niet in past. Dit is hun ‘why’ voor de training die volgt. Soms gebeurt het, en dat is veel mooier, dat ze hun eigen ‘why’ al hebben. Dat waren de trainingen waarbij ik echt het gevoel had dat ik iets kon betekenen.

 

In de andere gevallen zal me toch iets dwars. Ik kon hun doelen sturen, deze jongeren zijn vaak al lang blij met mijn hulp bij het formuleren. Ik stuurde in het belang van de jongere, maar ik vond het creepy hoe makkelijk het sturen ging. De vraag of ik ze niet stuurde om binnen de hokjes van onze samenleving te blijven, in plaats van ze de kans te geven zich te ontwikkelen zoals ze zijn, drong zich steeds vaker aan me op. Binnen de grenzen van de wet, oké. Maar leg ik intussen niet heel subtiel ook andere normen en waarden aan ze op? Ik probeerde hard om dat niet te doen, maar ik wist intussen hoe we allemaal onze blinde vlekken hebben, en ik vermoedde toen al dat mijn privileges mijn waarden en normen kleurden. Al zou ik pas veel later écht merken hoe privileges werken. Pas toen ik als trans vrouw zelf tot een gemarginaliseerde groep behoorde, zag ik hoe hardnekkig en venijnig blinde vlekken kunnen zijn.

 

Met Natka sprak ik voor onze derde bijeenkomst af in een kamertje van een buurthuis in Den Haag. Ze heeft zoveel gespijbeld dat de leerplichtambtenaar haar heeft laten voorkomen bij de rechter. Daar heeft ze een extra taakstraf naast de leerstraf gekregen omdat ze te brutaal was.

Ik vraag haar wat ze wil leren, zodat we een plan voor haar kunnen opstellen. Ze zegt niks. Wacht, ik vergeet de leestekens. Ze zegt: “Niks!”

Ik laat heel professioneel een stilte vallen maar zij is daar beter in, dus vraag ik uiteindelijk: “Hoezo?”

“Kijk, ik snap best dat ik straf krijg, zo is het systeem nou eenmaal, maar ik hoef niks te leren. Ik maak mijn keuzes heel bewust, ik ga niet naar lessen waar ik niks leer, die tijd kan ik beter besteden. Aan andere vakken, bijvoorbeeld. Ik heb dat uitgelegd. Eerst aan de leraren zelf, maar die willen niet zien dat ik geen leerprobleem heb, maar dat ik een probleem heb met hun manier van lesgeven. De teamleiders zijn er alleen om de leraren te verdedigen en de directie verdedigt de teamleiders. En aan welke kant denk je dat de kinderrechter staat? Die ziet alleen de rapporten geschreven door de mensen die niet met mij wilden praten. Toen ik dat probeerde uit te leggen, kreeg ik een extra taakstraf. De rechter kent het verschil niet tussen brutaal en direct.”

Ik praat met haar over school. Ik had op dat moment schoolgaande dochters en ik had mijn eindstage van de Pabo op een middelbare school gedaan, dus ik wist zo’n beetje hoe het was. Ik kon haar geen ongelijk geven. Ik was het eens met de conclusie dat ze niets te leren had. Ze maakte haar keuzes bewust en accepteerde de consequenties. 

Ik legde uit dat als ik zou stoppen, de tijd van de leerstraf dan werd opgeteld bij haar andere taakstraf.
“Prima,” vond ze. “Dan doe ik tenminste wat zinnigs.”

O, wat hield ik van die meid.

Ik belde met jeugdzorg, het mocht niet. Zij mochten een uitspraak van de kinderrechter niet veranderen. Zelfs toen ik aankondigde dat ik Natka niets ging leren, moest ik de training afmaken. Ik hield me aan mijn belofte aan Natka dat ik haar niks zou leren tegen haar wil, alsof zoiets überhaupt  mogelijk zou zijn geweest. Ik heb vijf dagdelen met haar zitten kletsen. In de eindrapportage schreef ik dat ik, zoals afgesproken, niet aan leerdoelen had gewerkt en ik adviseerde om een volgende keer geen leerstraf meer in te zetten. Natka las het en was er tevreden mee.

 

Mijn ongemak met de taakstraftrainingen groeide. Ik hoefde Natka helemaal niets te leren, deze jonge vrouw had een goed beeld van zichzelf en haar doelen. Niet Natka, maar het systeem om haar heen was het probleem. Hoe kon ik haar doelen opdringen als ik wist dat deze ervoor zouden zorgen dat ze haar eigenheid verloor? En dit gevoel bekroop me niet alleen bij Natka. Hoe werd ik bijvoorbeeld geacht een Marrokaanse jongen te leren om buiten de aandacht van de politie te blijven, terwijl uit zijn verhalen bleek dat de politie etnisch profileerde? Het woord kende ik nog niet, maar het bestond toen al wel. Bij het schrijven van mijn boek ontdekt ik dat ik nu pas allemaal woorden leer voor alles waarvan ik destijds een vaag vermoeden had. Wat was het fijn geweest om die woorden eerder tot mijn beschikking te hebben.

 

Niet lang daarna stopte ik met het geven van taakstraftrainingen. Ik moest jongeren weerbaar maken tegen een systeem dat niet deugde en ik gaf die trainingen namens dat systeem.  Het voelde alsof ik, in dienst van een internetprovider, mensen mindfulness trainingen moest geven om ze te leren omgaan met een te trage verbinding. 

 

Ik was nog steeds onder de indruk van Natka, een stoere meid die weet wat ze wil, haar eigen plan trekt, en de consequenties daarvan aanvaardt. Ik wilde dat ik iets van haar onverzettelijkheid had. Maar ik vroeg me ook af of diezelfde onverzettelijkheid niet zou botsen met haar dierbaren. 

 

Er groeide een verhaal in mijn hoofd. Ik was het tegenovergestelde van Natka. Ik was de aanpasser, de bemiddelaar, ik kon altijd overal alle kanten van zien. En toch voelde ik iets van de onverzettelijkheid van Natka in me. Ik stopte niet alleen met taakstraftraingen, ook mijn baan als loopbaanbegeleider zegde ik op omdat ik mijn klanten niet langer integer kon helpen binnen het regiem dat het UWV verplicht stelde. 

 

Het was 2013, ik zegde mijn banen op, en ik maakte een theaterstuk van mijn verhaal, mijn botsingen met de wereld. Rode draad daarin was de tegenstelling tussen Natka en haar vriendin. Die vriendin verzon ik van scratch af aan  voor mijn doeleinden. Natka’s dierbare, die voortdurend botst met Natka’s onverzettelijkheid. Die vriendin gaf ik al mijn onzekere en introverte eigenschappen. Ik was die vriendin zelf. Ik noemde haar Emma.

 

 “Ik snap dat Natka wil dat we elkaar alle vrijheid geven, dat ze ongebonden wil zijn, maar ik vraag me af of ze mij de vrijheid geeft in mijn wens om verbonden te zijn..”

Emma, 2013. 

 

Toen ik vier jaar later een naam voor mezelf wilde kiezen in verband met mijn transitie, besefte ik dat ik al gekozen had. Ik was Emma al geweest, op een podium nog wel.

 

In 2019 was ik bij een symposium van Savannah Bay, “Transforming Stories”.  Arthur Japin gaf daar een korte lezing, waarbij hij de eerste bladzijde van “De zwarte met het witte hart” voorlas. Hij vertelde dat hij later pas besefte dat hij over zichzelf schreef. Dat in hem de twee kanten waren: de aanpasser en de onaangepaste. Ik voelde een rilling over mijn rug lopen. Hij had het over mij. Over Natka en Emma, over de onaangepaste en de aanpasser. Ik besef nu dat ik Natka en Emma al mijn hele leven in mij draag. Dat ik voortdurend balanceer tussen deze twee. Mijn aanpasser kreeg de overhand, maar soms kwam mijn onaangepaste ik de hoek om kijken, mijn three year itch.  Nu pas, nu ik Emma ben, kan ik mijn Natka weer binnen halen. En god, wat doet dat proces pijn!