Selecteer een pagina

Ergens, begin van deze eeuw (dat schrijft zo mooi kroniekerig), gaf ik taakstraftrainingen. Bedoeld voor first offenders, of second, dat mocht ook. Ik waarschuw vast. Ik doe soms wat cynisch, en dat is niet altijd even terecht. De taakstraftraining zelf zat goed in elkaar, ik had fijne collega’s. Maar het systeem waarbinnen het werd uitgevoerd was niet altijd even oke.

De taakstraftraining was slim bedacht. Het was de eerste keer dat ik me durfde over te geven aan trainen volgens een strak stramien, omdat ik zag hoe het werkte.

Er waren 8 bijeenkomsten.

Op de eerste bijeenkomst heb ik het niet over wat de jongeren uitgevreten hebben. Dat weet ik al, en zij weten dat ik het al weet. Ze zijn er bovendien door iedereen al over doorgezaagd. Geen slimme start dus om daar mee te beginnen. Ik vraag ze over hun leven. Dat doe ik door ze een dag te laten beschrijven, gisteren bijvoorbeeld. Hoe laat stond je op? Gaat er een wekker, wordt je wakker gemaakt? Wie zijn er nog meer in huis? Ga je naar school, stage? Wat doe je als je terug komt? Heel veel persoonlijke informatie. Als je als trainer niet integer bent, wordt dat gevoeld en krijg je, terecht, niks los. Ik was altijd oprecht geïnteresseerd. Ik kreeg ook zulke ontroerend mooie verhalen te horen. Elke jongere stal een beetje mijn hart. Te vaak kreeg ik ook ín en ín trieste verhalen te horen. Over niet naar school kunnen want geen geld voor de bus, en te onveilig voor alleen over straat. Over moeders die er helemaal alleen voor staan, en niets van alle zorginstanties snappen die over de vloer komen vanwege een broertje met ernstige gedragsproblematiek. De jongere die dit vertelde hielp haar moeder, maar had ze had er zelf ook moeite mee. Ik snapte uit haar verhalen dat die instanties vooral elkaar in de weg liepen.

Ik hoorde van een Koerdische jongen (die voor geweldpleging was opgepakt) dat hij uit school altijd boodschappen deed, en graag het huis op ruimde voor zijn moeder, die laat moest werken, omdat ze dan altijd zo blij keek bij het thuis komen.

Deze jongen, Erdem, werd door zijn vrienden opgefokt. De knokpartij waarvoor hij werd opgepakt was omdat ze hem hadden wijsgemaakt dat iemand zijn zus een hoer had genoemd. De keer daarvoor was hij bijgesprongen om zijn broer te helpen die belaagd werd.

“Ik kan toch niet toekijken als mijn broer in elkaar geslagen wordt”
Hij wist ook dat als het weer zo gebeuren, hem iets zwaarders te wachten stond dan een taakstraf. Ik snapte het dilemma.

“Zullen we er aan werken, dat als jij straks met zitten voor iets. Dat je er dan geen spijt van hebt? Zoals het helpen van je broer? En niet door het laten opfokken van je vrienden?”
Dat vond hij een goed plan.

De jongeren moeten namelijk zelf hun doelen opstellen. Dat gebeurt in de derde bijeenkomst. In de eerste breng ik zoals gezegd de situatie in kaart, compleet met alle belemmerende en protectieve factoren. De tweede bijeenkomst gaat over het delict. Ik begin bij het moment dat ze opgepakt zijn en werk dan terug, op zoek naar het moment waarop ze nog een andere keuze hadden kunnen maken. In de derde bijeenkomst komen die doelen. En dat is een beetje manipulatief. Ik vraag ze waar ze over twintig jaar willen zijn. En dan stap voor stap terug naar nu, met steeds de vraag: ‘ wat is daar voor nodig’. Dan kunnen ze niet anders dan concluderen dat opgepakt worden voor een misdrijf daar niet in past. Dit is hun ‘ why’ voor de training die volgt.

En die doelen, daar kan ik in sturen, ze zijn vaak al lang blij met mijn hulp bij formuleren. Nu stuur ik alleen in het belang van de jongere, maar ik vind het wel creepy hoe makkelijk dit gaat.

Ik zit met Natka in een kamertje van een buurthuis in Den Haag. Ze heeft zoveel gespijbeld dat de leerplichtambtenaar haar heeft laten voorkomen bij de rechter. Daar heeft ze een extra taakstraf naast de leerstraf gekregen omdat ze te brutaal was.

Het is de derde bijeenkomst, ik vraag haar wat ze wil leren. Ze zegt niks. Wacht, dat moet met leestekens, ze zegt: “Niks!”.

Ik laat heel professioneel een stilte vallen, maar zij is daar beter in, dus vraag ik: “Hoezo?”

“Kijk, ik snap best dat ik straf krijg, zo is het systeem nou eenmaal, maar ik hoef niks te leren. Ik maak mijn keuzes heel bewust, ik ga niet naar lessen waar ik niks leer, die tijd kan ik beter besteden, aan andere vakken, bijvoorbeeld.”

Ik praat met haar over school. Ik had op dat moment schoolgaande dochters, en ik had mijn eindstage van de Pabo op een middelbare school gedaan, dus ik wist zo’n beetje hoe het was. Ik kon haar geen ongelijk geven. En ik was het eens met de conclusie dat ze niets te leren had. Ze maakte haar keuzes bewust en accepteerde de consequenties. Ik legde uit dat als ik zou stoppen, de tijd van de leerstraf dan werd opgeteld bij haar andere taakstraf.
“Prima, dan doe ik tenminste wat zinnigs.”

Ik belde met jeugdzorg, het mocht niet. Zij mochten een uitspraak van de kinderrechter niet veranderen. Zelfs toen ik aankondigde dat ik Natka niets ging leren, moest ik de leerstraf afmaken. Ik hield me aan mijn belofte aan Natka dat ik haar niks zou leren tegen haar wil, alsof zoiets überhaupt  mogelijk is trouwens.

Niet lang daarna stopte ik met het geven van taakstraftrainingen. Ik had het gevoel dat ik jongeren weerbaar moest maken tegen een systeem dat niet deugde. En ik gaf die trainingen namens dat systeem.  Het voelde alsof ik, in dienst van een internetprovider, mensen mindfulness trainingen moest geven om ze te leren omgaan met een te trage verbinding, zoiets.

Ik was diep onder de indruk van Natka, een stoere meid die weet wat ze wil, haar eigen plan trekt, en de consequenties daarvan aanvaardt. Ik wilde dat ik iets van haar onverzettelijkheid had. En toch vroeg ik me af of diezelfde onverzettelijkheid niet zou botsen met haar dierbaren.

Natka had in onze bijeenkomsten gepraat over haar vriendin. Het was net aan! Dat gegeven gebruikte ik. Want er groeide een verhaal in mijn hoofd. Ik was het tegenovergestelde van Natka. Ik was de aanpasser, de bemiddelaar, ik kon altijd overal alle kanten van zien. En toch zat er iets van de onverzettelijkheid van Natka in me. Ik stopte niet alleen met taakstraftraingen, ook mijn baan als loopbaanbegeleider zegde ik op omdat ik mijn klanten niet kon helpen binnen het regiem dat het UWV verplicht stelde.

Ik maakte een theater van mijn verhaal. Rode draad daarin was de tegenstelling tussen Natka en haar vriendin (die ik van scratch af aan verzon voor mijn doeleinden). Die vriendin gaf ik al mijn onzekere en introverte eigenschappen. Ik noemde haar Emma, en liet haar botsen met Natka.

Haar mooiste tekst:
“Ik snap dat Natka wil dat we elkaar alle vrijheid geven, maar ik vraag me af of ze mij de vrijheid geeft in mijn wens elkaar iets minder vrijheden te geven.”

Toen ik vier jaar later een naam voor mezelf wilde kiezen in verband met mijn transitie, besefte ik dat ik al gekozen had. Ik was mezelf als Emma al geweest op een podium.

Maar Emma is niet langer het introverte en onzekere meisje, ze krijgt intussen een mooie, zachte onverzettelijkheid, de Natka in mij krijgt ook ruimte. Ik verenig intussen in mezelf de tegenstelling die me vier jaar geleden nog zo voor een raadsel stelde.

Please follow and like us: