Er was eens een land waar alles bestaat. Dat is mooi! zul je denken. Maar niet iedereen zou het met je eens zijn. Vraag maar aan Doni. Hij kwam op zijn zevende in het land. Alleen kinderen van die leeftijd kunnen de geheime poort vinden, dan sluit deze mogelijkheid zich voor altijd.
Doni werd, zoals iedereen die voor het eerst het land in kwam opgevangen. Bij Doni was het de grote tovenaar zelf.
“Welkom in het land waar alles bestaat.”
Doni schrok. Alles? Dus ook de monsters uit zijn dromen?
Meteen verschenen ze, en ook de klimplant die zich direct om zijn benen wikkelde, en die met bloemen als verscheurende monden aan zijn kleren rukte.
De tovenaar pakte de handen van Doni.
“Het bestaat alleen als jij het zelf wil! Wil jij ze?” de tovenaar wees naar de monsters en de plant.
“Nee!” schreeuwde Doni, en de monsters en de plant waren direct weer verdwenen.
“Probeer het eens rustig, en bedenk dat iets alleen maar bestaat als jij dat wil.”
Doni keek naar het gras op de heuvel waar ze stonden, en zag kleine plantjes omhoog schieten. Niet die enge klimplant maar schitterende bloemen in kleuren die nog nooit iemand gezien had.
“Mooi!” zei de tovenaar.
“Maar waarom bent U tovenaar? Iedereen kan hier toch toveren?” zei Doni. “Ik zou U zomaar in een kikker kunnen veranderen.”
“Probeer het maar!”, zei de tovenaar met een glimlach.
Doni deed zijn ogen dicht, stelde zich voor hoe de tovenaar in een kikker veranderde. Hij deed zijn ogen open, en jawel hoor, voor hem zat een kikker in het gras. Doni schrok toen er op zijn schouder getikt werd. Achter hem stond de tovenaar.
“En dat is de tweede wet van het land waar alles bestaat. Je kunt alleen iets laten verdwijnen  als het van jou zelf is. In plaats van mij in een kikker te veranderen heb je een kikker erbij gecreëerd. Ik ben alleen even opzij gestapt.”
En zo leerde Doni de kunst van het creëren. Hij besloot nog een tijd te blijven in dit land. Bij terugkomst in zijn eigen wereld zou er geen tijd verstreken zijn, had de tovenaar hem verzekerd.

Drie jaar na zijn aankomst mocht Doni voor het eerst een nieuwkomer begeleiden. Hij ging naar de heuvel waar ze zou komen. Hij wist dat ze Takkie zou heten, verder niets. Nou ja, dat ze zeven was natuurlijk.
Daar was ze. Takkie keek met verbaasde ogen rond.
“Welkom in het land waar alles bestaat.” zei Doni.
“Alles? Gaaf!”
Takkie rende de heuvel af. Doni moest zijn best doen om haar in te halen.
“Wacht! Er zijn dingen die je moet weten. Iets bestaat alleen als jij dat wil”
“Ja, duh!”
“Nee, wacht er is meer!”, zei Doni die Takkie bij de arm hield, want ze was al weer bijna weg.
“Je kunt je eigen creaties laten verdwijnen. Je kunt niet die van anderen laten verdwijnen. Je kunt mij bijvoorbeeld niet in een kikker veranderen.” Hij zei het te snel, hakkelend. Wat maakte hij hier een potje van!
“Was dat het?”.
Toen Doni knikte, zei ze “1 april, kikker in je bil!”, riep Takkie, en ze was er al weer van door.
Doni voelde iets kriebelen. Hij liet zijn broek zakken. Er sprong een kikker uit zijn onderbroek.

Doni volgde Takkie. Hij was verantwoordelijk voor haar, de eerste tijd. Dat betekende vooral dat hij te maken kreeg met klachten van anderen. Takkie hield van grapjes. Ze had ijzel gecreëerd op een winkelstraat. Een regenwolkje boven een zonneweide bij een zwembad. Maar ondanks dat werd hij al snel bevriend met Takkie. Haar onbevangenheid trok hem aan, en Takkie hield van Doni’s fantasie. Ze speelden heerlijk, en hadden ook vaak ruzies.

Op het strand, met mooie palmen, die al eeuwen geleden door iemand waren gecreëerd, lag de tovenaar te zonnen. Uit de struiken kwam Doni het strand op gerend. Hij klom in een van de palmbomen. Direct na Doni kwam er een krokodil uit de struiken. Doni gooide met kokosnoten, maar de krokodil bleef onverstoorbaar met zijn bek open onder de boom staan.
“Doni, je weet toch dat iets alleen bestaat als je het zelf wil?” vroeg de tovenaar die het tafereel verbaasd had aangekeken.
“Ik heb hem niet gecreëerd!”
De tovenaar keek naar de rand struiken.
“Takkie! kom tevoorschijn!” bulderde hij.
Daar kwam Takkie. Op hetzelfde moment verdween de krokodil.
“Het was maar een grapjes.”
Doni klom de boom uit. Hij was laaiend.
“Ik speel nooit meer met je!” riep hij, en hij liep boos weg.
Takkie negeerde de wat-heb-je-nou-weer-gedaan blik van de tovenaar. Ze haalde haar schouders op en liep naar huis. Doni kwam na elke ruzie toch altijd weer terug. Of zij ging naar Doni, en deed iets waar ze van wist dat ze het goed kon maken.

Doni bleef deze keer wel erg lang weg. Dus Takkie ging op weg naar het huisje van Doni. In de verte zag ze dat hij met iemand anders was. Toen ze dichterbij kwam kreeg ze een schok. Ze herkende het andere meisje. Takkie liep voorzichtig dichterbij en bestudeerde Doni en het meisje van achter een boom. Doni had haar nog niet gezien. Hij was teveel in beslag genomen door zijn spel met het andere meisjes. Er was geen twijfel meer nodig. Dat andere meisje was zij zelf. Doni had een eigen Takkie gecreëerd. Doni had het deze keer gemeend toen hij zei dat hij nooit meer met haar zou spelen. Hij had haar ook niet meer nodig. Hij had zijn eigen Takkie. Eentje die ongetwijfeld nooit rotgeintjes zou uithalen, zoals Doni ze noemde. Verslagen ging Takkie naar huis. Ze ging op bed liggen, en daar bleef ze.

Toen mensen zich afvroegen waar ze bleef was ze al heel ziek. De beste genezers stonden voor een raadsel. Het was zo snel gegaan. De tovenaar werd er bij gehaald, maar hij schudde zijn hoofd.
“De enige die een gezonde Takkie kan creëren is Takkie zelf.”

Doni had zoiets intusen ook door. De enige die Takkie kan creëren is Takkie zelf. De Takkie die hij had gecreëerd was even leuk geweest. Maar het was Takkie niet. Ze deed alleen maar dingen die Doni wilde. Hij had haar al snel weer laten verdwijnen. Maar hij was nog steeds boos op Takkie. Deze keer zou hij net zo lang wachten tot zij kwam. Meestal duurde dat hem te lang, en ging hij naar Takkie toe. Maar deze keer mooi niet!

Maar het duurde lang. Heel erg lang. Zo lang dat hij dan toch maar naar Takkie toe ging. Hij zag mensen buiten haar huisje met elkaar praten. Toen hij dichterbij kwam vielen ze stil en keken ze naar hem, met blikken waar hij bang van werd. Met zijn hart in zijn keel stormde hij het huisje binnen. Daar lag Takkie. Stil en bleek. Doni ging op haar bed zitten, en pakte haar bij de schouders. Takkie bleef levenloos.
“Takkie! Wat doe je nou! Ik kan niet zonder je. Je bent de enige echte Takkie. Mijn zelfgemaakte Takkie was niets! Ik wil jou!”
Het had geen effect. Hij was te laat. Hij was blijven hangen in zijn boosheid, en nu was hij te laat. Dit was zijn schuld! Hij liep naar buiten. De mensen deinsden terug in een wijde boog. Doni ging op het trapje voor de deur van Takkies huis zitten, en huilde. Toen leek het alsof hij iets voelde kriebelen. In zijn onderbroek. Het voelde glibberig. Was dit?  Hij trok zijn broek los en ja hoor, er sprong een kikker uit zijn bil. Hoopvol draaide hij zich om, en toen zag hij de voordeur van Takkies huis openzwaaien. Takkie sprong naar buiten, en omhelsde Doni.
“Kikker in je bil! Jij bent voor mij ook de enige! Ik zal nooit meer grapjes maken.”
Maar Doni was zo blij dat hij zei:
“Je mag zoveel grapjes maken als je wil, ook rotgeintjes.”

Please follow and like us: