De tussenwerelden (deel 1)

<deel 2>   <deel 3>    <deel 4>   <deel 5>   <deel6>   <deel 7>  <deel8>   <deel9>   <deel10>              

<deel11>    <deel 12>   <deel 13>    <deel 14>      <deel 15>    <deel 16>   

Ik heb een testje voor je. Ga eens als het donker is voor de dichte gordijnen van je kamer staan. Stel je vervolgens voor dat datgene waar jij het bangst voor bent  . . .  ja dat . . . 

Heb je het? Oke, dat verschrikkelijke iets is aan de andere kant van dat gordijn aanwezig. Neem even de tijd, en je voelt het. Je voelt dat het slechts heel dun glas is en een gordijn, tussen jou en die andere wereld, met dat. . . dat. . . . het ding . . .! HET is er en HET wacht op jou. Je verstand zegt dat het onzin is, maar je gevoel weet wel beter. Het is schrödingers kat, die wereld daar achter je gordijn. Het is er, en het is er niet. Heb je op een heldere nacht wel eens naar de sterrenhemel gekeken? Dan zie je in je ooghoek een ster, maar zodra je je blik er op richt is die weg. Hij is er natuurlijk nog gewoon, maar dat zie je pas weer als je er niet naar kijkt. Zoiets.

 

Het begon toen ik 7 was, 7,5 zou ik toen gezegd hebben. Gek, als je klein bent wil je ouder zijn en als je oud bent, juist weer jonger. Alsof je je leven als een accordeon kan induwen tot alleen het middenstuk. Ik weet nu dat de tijd heel anders in elkaar zit, maar wacht, ik loop op de zaken vooruit. De barrière tussen onze wereld en die andere bijvoorbeeld, die gaat openbreken, die is al gebroken, op het moment dat ik dit schrijf. Zie je wel? tijd! Ik ben 16 nu, mocht je nieuwsgierig zijn. En ik ben bang dat het mijn schuld is, dat van die barrière. Was dat maar het enige waar ik schuld aan heb.

 

Zeven jaar dus. Ik lag in mijn nieuwe bed in het nieuwe huis. Een kamer die te groot was en te leeg. Ik was dus stiekem een beetje blij dat Astrid, mijn zusje van vijf, binnen kwam, en tegen me aan kroop. Ze was bang. Ze had net als ik de stilte gehoord, beneden. Ik sloeg een arm om haar heen. Als ik mijn zusje kon beschermen, voelde ik mezelf altijd minder angstig.

 

Eerder die avond waren onze ouders heel druk bezig geweest om geen ruzie te maken. En zoals altijd deden Astrid en ik ons best om de sfeer te redden. We deelden leuke nieuwtjes over school, om de beurt, als een ballon waar je steeds een tikje tegen moet geven om hem niet op de grond te laten vallen. Astrid vertelde met enthousiasme over de werkjes die ze gemaakt had. Die meid moet  toneelspeelster worden. Ik wist hoe saai Astrid die werkjes vond. Ikzelf bewaarde voor die momenten altijd een paar sommen die ik geleerd had, of moeilijke woorden. Ik kon al veel meer, maar het is nooit slim om alles in één keer weg te geven. Ouders zjjn er dol op en op zulke moment kwamen ze goed van pas. Mijn ouders deden echt hun best, en ze gaven zelf ook af en toe een tikje tegen de ballon. Maar we hadden beiden gezien hoe de lippen van mama strak stonden, en hoe de blik van papa weer zo glazig werd, alsof hij dwars door ons heen kon kijken. Toneelspelen deden wij beter.

 

De ruzie was niet tot een uitbarsting gekomen. Ik vond dat jammer, want zo’n uitbarsting maakte Astrid wel aan het huilen, maar daarna was de lucht tenminste wel geklaard. Nu was de stilte beneden dreigend. Astrid had het ook gevoeld en lag nu naast mij, in slaap gevallen. Ik bracht haar terug naar haar eigen kamer. Gek genoeg werd ze amper wakker. En toen was ik weer alleen. En wakker. In het oude huis hadden we een kamer gedeeld, nu hadden we beiden een eigen kamer. Mam had het aangekondigd alsof het fantastisch was. Ik vond het verschrikkelijk, ik miste Astrid, en mijn kamer was te groot en te leeg. En te eng. Want vanavond was een oneven avond. Even avonden waren oké, dan kon ik veilig gaan slapen. Maar de volgende avond moest ik daarvoor betalen met nachtmerries. Dat was een vast gegeven. Elke oneven avond kwamen er nachtmerries. Ik had toen zelfs al door dat dit mijn eigen schuld was. Ze kwamen waarschijnlijk juist doordat ik er op rekende. Maar er heel hard niet op rekenen is hetzelfde als er wel op rekenen. En je kunt niet iets niet weten als je het eenmaal weet.

 

Dus bestudeerde ik mijn nieuwe kamer. Afleiding en wakker blijven, zo lang mogelijk. Mijn eerste spel was proberen om alle silhouetten in mijn kamer te herkennen. Niet eens makkelijk, als er spullen dicht op elkaar stonden, of achter elkaar. Het donker haalt alle 3D weg uit je ogen, maakt alles tot silhouetten. Soms dacht ik het te weten, maar dan was het iets van Astrid, uit de tijd dat we nog een kamer deelden. Ik miste niet alleen Astrid, ik miste ook de spullen van Astrid. Als ik een vorm echt niet terug kon brengen, als het een raadsel bleef, dat silhouet, dan had ik een dilemma. Mijn bed uit om te controleren? Maar wat nu als je dingen doet om jezelf gerust te stellen, en ze stellen je niet gerust? Er is altijd de kans dat je het erger maakt. Ik koos voor de knagende onzekerheid. Ik had vroeger een heel hoofd vol knagende onzekerheden. Ik zou die nu graag weer willen ruilen voor de verschrikkelijke zekerheid waar ik nu mee moet leven. 

Ik vond dan soms afleiding in de patronen op de gordijnen, maar dan ergerde ik me weer omdat ik de gordijnen nooit zo ver dicht kon trekken dat het patroon van het linker gordijn overliep in het rechter. Waarom hadden ze daar geen rekening mee gehouden? Zo had ik nog wat spelletjes met lijnen, patronen en vormen in het diepe schemer van mijn kamer. Tot het onvermijdelijke gebeurde en ik in slaap viel, overgeleverd aan mijn nachtmerries.

 

Schrijf alles op, zei de psycholoog. Dat helpt met verwerken. Schrijf het op, voor jezelf. 

Maar hoe beschrijf ik mijn dromen, mijn nachtmerries?

 

Muggen waren het. Grote muggen, hele grote muggen, groter dan ik zelf. Ze kwamen van alle kanten aanvliegen. Stel je het geluid voor, niet dat hele hoge gezoem, maar een huiveringwekkend gonzen van vleugels. En er was nog iets. Iets dat erger was dan de muggen. In nog geen enkele droom had ik het gezien, maar ik kon het altijd voelen. Een dreiging zo groot dat die muggen kinderspel leken. Een dreiging die een dreiging bleef, een grote donderwolk die alles donker maakt en nooit uitbarst of wegtrekt, een gevoel dat nog bleef hangen, zelf als ik al lang wakker was.

 

Elke droom was een kat en muisspel. Dat was het erge, steeds ontsnappen en steeds weer moeten vluchten.  En elke droom eindigde hetzelfde, ik wist dat ik uit mijn slaapkamerraam naar beneden moest springen. Alleen de schok van de val zou de droom verbreken. Ik wist in mijn droom dus dat ik droomde, en dat maakt de droom niet minder onwerkelijk.  Uiteindelijk wist ik mijn eigen kamer te bereiken, met de muggen op mijn hielen. Het geluid van vleugels die tegen de muur schraapten, als ze achter me aan naar binnen vlogen, kraste als een nagel over mijn rug. Ik opende mijn raam, dat lukte niet. Ik had nog steeds moeite met de manier waarop mijn nieuwe ramen open gingen. Eindelijk, toch open. Ik klom op de vensterbank, en sprong naar beneden. uitkijkend naar de schok waarmee ik op het terras zou landen en die me wakker zou maken.

 

Maar die ene nacht aarzelde ik, zittend op de vensterbank, mijn benen al uit het raam. Deze droom leek te levensecht. Ik hoorde ook de muggen niet meer. Alles in huis was stil en rustig. Wat nu als ik slaapwandelde? Wat nu als ik wakker was geworden hier, op die vensterbank? Was de stilte een onderdeel van het kat en muisspel? Nee, de muggen hadden plaats gemaakt voor dat andere, het naamloze. Het was hier, in mijn kamer, onzichtbaar. Nog nooit had ik het zo dichtbij gevoeld. Het echte gevaar zit niet in de vreemde silhouetten in de schemer. Het echte gevaar is onzichtbaar en ademt in je nek. Het echte gevaar is altijd achter je, ook als je je omdraait. De angst werd zo groot dat ik besloot te springen. Ik raakte de grond.

 

Ik hoorde een droge knak! Ik had iets gebroken! Dus toch! Ik was al wakker geweest!. Ik probeerde me voorzichtig te bewegen. Niets! Ook geen pijn meer. Verlamd! Zoals Ruud. Ruud was een jongen in ons dorp. Ik zag hem wel eens op straat rijden.In een rolstoel, helemaal ingepakt in een deken, zelfs in de zomer. Zijn rolstoel bestuurde hij door in een pijpje te blazen. Ik had over hem gehoord dat hij op een vakantie in een te ondiep riviertje had gedoken, en daarmee zijn nek had gebroken. Zijn hele lichaam was verlamd. Nek gebroken. Verlamd. Dat was ik nu. Ik zou de rest van mijn leven net als Ruud in een pijpje moeten blazen om vooruit te komen. En als ik wilde praten zou ik zo’n akelige stem hebben uit zo’n kastje. En dat omdat ik zelf uit mijn raam was gesprongen!

 

En toen pas werd ik echt wakker. Het was een droom in een droom geweest. Op het voeteneind van mijn bed zat mijn moeder. Ik had dus weer geschreeuwd in mijn droom. Ze boog zich voorover, deed mijn nachtlampje aan en toen zag ik dat het niet mijn moeder was. Het was een oudere vrouw, ze leek op mijn oma, en toch ook weer niet. Het vreemdste was dat ze een Adventure-time T-shirt aan had. Finn en Jake. Een cartoon die ik met Ineke keek. O, ik moet je nog over Ineke vertellen. Dat doe ik later wel. Wat je nu moet weten is dat ze toen mijn enige vriendin was en dat ze een veel oudere broer heeft. Die broer had ons Adventure Time laten zien. Het was zo veel gaver dan de cartoons die ik van mijn ouders mocht kijken. Niemand op school had ooit van die serie gehoord. Het maakte dat ik me toch een beetje cool voelde, in plaats van het verlegen jongetje. En nu zat een wildvreemde oudere vrouw met dit T-shirt op mijn bed.

 

“Jacob! Je bent wakker Dit is geen droom. Ik heb je nodig, kom!” 

Een droom in een droom in een droom. Iemand in een droom die zelf zegt dat ze geen droom is. Hoe kom ik uit deze spiraal? Ik had in nog meer in paniek moeten raken. Maar het gekke is, de dreiging was weg. Deze vrouw straalde zelfs het omgekeerde uit. Ik voelde me compleet veilig toen ze mijn hand vast pakte. Het maakte niet eens meer uit of dit nu wel of niet een droom was. 

“Het maakt wel uit”, zei de vrouw. “Ik heb je nodig. Ik snap dat ik het onmogelijke van je vraag, tegelijkertijd geloven dat je wakker bent én geloven in wat ik je laat zien. Je droomt niet, en toch is het weefsel van jouw dromen doorgedrongen in de werkelijkheid. Kijk maar.”

Ik liet me meevoeren naar het raam. De vrouw schoof de gordijnen opzij en deed het raam open. Het lukte haar in één keer. Het was laat in de lente en het werd al licht buiten. In de lucht zag ik de muggen uit mijn droom. Net zo groot en net zo verschrikkelijk. Ik sloeg mezelf in het gezicht. Dat deed zeer. Bij de val in mijn droom had ik geen pijn gevoeld. Nu wel. Ik was wakker. Ik was echt wakker, ik geloofde wat niet te geloven was.

 

Ik laat mijn geschrijf aan mijn psycholoog lezen. Het is al moeilijk genoeg om dit allemaal op te schrijven, en schrijvend kan ik tenminste stoppen als het me allemaal teveel wordt. Ik heb gezegd dat hij niet van me mag verwachten dat ik dit allemaal ook nog eens ga vertellen waar hij bij zit. Dat kan ik niet. Hij leest dus mee. En dan praten we erover. En dit is het moment waarop hij zegt: “Ik snap dat jij gelooft dat je wakker was.” Je kent de toon vast wel, de toon waarop mensen zeggen dat ze je echt geloven als ze je juist niet geloven. Als ik ergens niet tegen kan is het minzame minachting. Geef mij maar openlijke hatelijkheden. Daar kan ik me tenminste tegen verzetten. Maar deze heimelijke manier om me niet serieus te nemen bindt mijn handen op de rug. Mensen zijn er goed in om anderen zelfbevestigende etiketten op te plakken. Zoals de “je brengt ook nooit spontaan bloemen voor me mee” van mijn moeder tegen mijn vader. Want hoeveel dagen moet je dan wachten met het meebrengen van bloemen zodat het spontaan lijkt? Of deze van mijn vader over mij.

“Je bent nogal tegendraads”. 

“Nee dat ben ik niet”. 

“Zie je wel, nu doe je het weer.”

Op die manier bouwen mensen een fuik waarin ze de ander vangen. Je kunt alleen verder, en niet terug. Alles wat je doet bevestigt alleen hun oordeel over jou, omdat ze alles interpreteren volgens hun eigen visie. Het kloterige aan psychologen is dat ze hierin nog gelegitimeerd worden ook. Zij hebben de macht om alles wat ik zeg te duiden en te definieren, en zelf blijven ze buiten schot.

Omdat zij niet kan geloven dat bepaalde dingen gebeuren moet het wel aan mij liggen. Ik heb haar toch niet voor niets als therapeut?

En toen heb ik maar gezegd dat ik er fictie van maak, omdat het anders te zwaar is om op te schrijven. De psycholoog denkt nu dus dat ik een boek schrijf, en dat ik alleen maar doe alsof dit echt gebeurd is, zoals Torens van Februari van Tonke Dragt. De schrijfster introduceert dat boek als een presentatie van een gevonden notitieboekje, alsof ze niet de schrijfster is maar alleen maar degene die redigeert. Ze houdt dat tot het einde toe vol. Ik heb dat altijd een mooie verteltruuk gevonden, een trope heet dat, maar inmiddels ben ik daar niet meer zo zeker van.

 

Een verhaal in een verhaal in een verhaal, of juist een werkelijkheid vermomd als verhaal in een verhaal. Zo eentje waarbij jij je als lezer je gaat afvragen of je zelf niet ook in een verhaal zit. Een beetje zoals de Neverending Story. Alleen denk ik niet dat ik een uitgever vind. Uitgevers willen verhalen met een goed einde.

 

Zo. Nu heb ik genoeg verwarring gezaaid. Mijn psycholoog gelooft nu dat ik zelf niet echt geloof dat alles zo gebeurd is. Zelfs niet als ze dit leest. Ze weet intussen dat ik slim ben en met dubbele bodems denk. Ik gebruik gewoon dezelfde truuk die zij tegen mij gebruikt. Hoe meer ik hier benadruk dat alles wat ik hier schrijf echt gebeurd is, hoe harder zij gelooft dat ik dat ik dat voor jou als lezer doe. Dat is mooi vind ze, want dat geeft me een doel, en dat is goed voor mijn genezing. Maar jij weet wel beter. Helemaal als je verder leest. Je bent namelijk onderdeel van dit verhaal, en als jij weet wat je moet weten is alles niet voor niets geweest. Dat maakt alle verschil, dat het niet voor niets is geweest.



Ik was dus wakker. Ik weet nu dat dat zo was, al geloofde ik dat toen nog maar half. Ik was wakker en de muggen waren er nog steeds. Ze bleven stil hangen/zweven in een halve cirkel voor mijn raam. 

“Ze aarzelen. Jouw dromen kennen ze door en door, maar deze realiteit is nieuw voor ze. Maar we hebben niet veel tijd. Jacob, ik heb je kracht nodig. Jij hebt deze muggen naar jouw wereld gebracht. Alleen jij kunt ze weer laten verdwijnen. Je hebt meer kracht in je dan je weet. “
Ze pakte mijn beide handen vast en keek me aan. Nog nooit had iemand me zo aangekeken. Nou ja Astrid misschien, en Ineke, maar Astrid was mijn kleine zusje en Ineke was nou ja, Ineke, mijn beste vriendin. Maar deze blik was vreemd voor een volwassene. Ik kon het toen niet benoemen. Nu weet ik wat het was wat ik voelde: vertrouwen. Een volwassene die vertrouwen in mij had. Dat was een compleet nieuwe ervaring. Ik voelde kracht in me stromen, alsof het door de handen van de oude vrouw kwam. En toch voelde het als kracht van mezelf. 

“Precies!” zei de vrouw, weer las ze mijn gedachten: “jouw kracht, jouw muggen. Wil je ze, of wil je ze niet?”

Ik wilde ze niet. Ik voelde een boosheid opkomen, ook iets nieuws. Ik richtte die boosheid op de muggen. Er gebeurde iets vreemds. Het leek alsof hun vleugels plotseling stilstonden, en de trilling overbrachten naar de reusachtige lijven. Die trilden zo hard dat ze uit elkaar spatten. Een moment later was de lucht leeg, en leek het alsof de muggen er nooit waren geweest.

“Maar ze waren er wel. Jij hebt ze bestendigd, en jij had ook de kracht om ze op te lossen. Ik wilde dat ik bij je kon blijven om je te leren met deze kracht om te gaan, maar tijd zit gek in elkaar. Ik ben precies op dit moment in een andere tijd hard nodig. Ergens waar jij me harder nodig hebt dan hier.”

Met die woorden was ze weg. Mijn kamer was weer zo leeg als altijd. Toen ging mijn kamerdeur open. Het was mijn moeder.

“Jacob! Wat spook jij zo vroeg? En doe dat raam dicht! Zo komen de muggen binnen!”

 

Terug in bed sliep ik zonder nachtmerries verder, en de volgende ochtend voelde het of alles toch een droom was geweest. Het had zo echt gevoeld. Maar dat deden mijn dromen altijd. Ik wilde dat ik mezelf harder in het gezicht had geslagen, zodat ik nu nog een rode wang had. Maar ik had niks, geen enkel houvast. Tot ik het T-shirt zag. Het Finn en Jake Adventure Time T-shirt dat de oude vrouw uit mijn droom had gedragen, lag over mijn stoelleuning, naast mijn andere T-shirt. Klaarlichte dag, ik kon het vastpakken en het verdween niet.



Ik moet nu eerst over Ineke vertellen. Ze was in groep vier bij ons op school gekomen en was met mij bevriend geworden. Ik had geen idee waarom, want ze was zo veel stoerder dan ik, en zo extravert dat ze met iedereen kon opschieten, dus ze had iedereen kunnen kiezen maar ze koos dus mij uit als vriend. We waren vaak in het bos, en hadden overal onze eigen plekken, maar de meest dierbare was de reusachtige rodondendron waar we zelfs staand helemaal in konden, afgesloten en onzichtbaar voor de wandelaars in het park. Als we niet aan het spelen waren, zaten we daar en we kletsten over van alles. Met Ineke kon je net zolang over onzin praten dat het juist weer diepzinnig werd. 

En we beleefden stoere boomklim, slootspring, kar-van-heuvel-rijdt avonturen, want Ineke was een jongetjesmeisje, zoals ze zelf zei. “En jij bent een meisjesjongetje, daarom passen we zo goed bij elkaar.” 

Een jongetjesmeisje was stoer, maar een meisjesjongetje was alleen maar een watje. Ik wist wel dat Ineke het als compliment bedoelde, omdat ze de meeste jongens uit onze klas maar stom vond, maar ik was blij dat ze het niet zei waar anderen bij waren. Die anderen hadden al genoeg materiaal om me mee te pesten. Meisjesjongetje was amunitie die ik ze niet gunde.



Ineke geloofde meteen dat het geen droom was geweest. Ze hield het T-shirt omhoog. 

“Dit is het bewijs! De enige reden waarom jij het niet gelooft is omdat je denkt dat ik op een of andere manier dit T-shirt op je kamer hebt gelegd.”

Ze moet iets aan mijn gezicht hebben gezien, want ze riep “ Zie je wel! Je verdenkt mij! Maar ik weet zeker dat ik het niet gedaan heb. Dus dat T-shirt heeft ze achtergelaten als teken, omdat ze wist je zou gaan twijfelen. Ze kent jou dus net zo goed als ik. Je hebt speciale krachten joh! Probeer ze uit! Hier ziet toch niemand ons.”

En nu zat Ineke daar, met een blik waaruit zoveel vertrouwen uitsprak, dat ik niet anders kon dan proberen om iets tevoorschijn laten komen. Er gebeurde niets, maar zelfs dat deed haar geloof niet wankelen. 

“Dat gebeurt bij superhelden ook altijd, dat het de eerste keren mis gaat.” Ineke en ik weten dit soort spul. Van Rob, haar grote broer. Behalve Adventure Time had hij eindeloos veel superhelden strips, en hij liet ons fragmenten zien uit superheldenfilms. Hij vond het onzin dat we daar te jong voor waren. 

 

Het bleef mislukken en Ineke bleef vertrouwen houden. 

“Het komt natuurlijk pas als het echt nodig is, of zoiets, of als je stopt met er over na te denken.” 

Ze bleek gelijk te hebben trouwens, al zou het nog ruim 8 jaar duren voor het zo ver was. Maar toen had ik geen Ineke meer om het te delen. 

 

Ik moet van mijn psycholoog afwisselend schrijven over de goede dingen en de minder goede dingen. “Er zijn geen goede dingen”, zei ik. Maar toen zei hij dat mijn gezicht zachter wordt als ik over Astrid praat en over Ineke. Dus daar zit mijn goede, dat, en ook . .

 

Nee. Dat goede heeft een pijnlijk…

 

.. einde.

 

Daar. Ik heb het geschreven. Mijn psycholoog zal tevreden zijn. Kut, wat doet dit zeer. Morgen verder schrijven.

 

Laat ik dan maar beginnen met Astrid.

 

Ik weet het, broer en zus horen ruzie te hebben, maar ik houd van mijn zusje. Zus, ze is al lang geen zusje meer. 

 

In het oude huis deelden we een kamer en hoewel ik tweeeneenhalf jaar ouder ben gingen we gelijk naar bed. Nou ja, zij iets eerder, maar ze was altijd wakker als ik naar bed ging. Toen ze nog in zo’n babyslaapzak sliep bevrijdde ik haar ‘ s ochtends en we speelden samen, lang voor onze ouders op waren, vooral in de weekenden.

 

Mijn moeder bleef thuis toen we klein waren, we waren met zijn tweeen, en wat hebben we mooie werelden gebouwd. Astrid ging onbevangen mee in alles wat ik verzon, want ik was haar grote broer. Later, toen we ouder waren, Astrid ook naar school, gebruikte ik haar als ijsbreker. Ik had nog steeds geen aansluiting bij mijn klas, maar Astrid trok naar mij toe en iedereen vond haar zo leuk en haar populariteit straalde een beetje op mij af. Ik gebruikte haar in veel situaties als ijsbreker. Wat een prachtig zelfvertrouwen heeft dat kind, net al haar . . Nee. Ook dat moet ik straks pas vertellen. Mooie momenten eerst.

 

Zoals de blijdschap op haar gezicht als ik thuis kwam met make-up voor haar. Stiekem, want het mocht niet van onze ouders. Mijn ouders waren van de naturel. De mooiste make-up is je glimkach, dat soort spul. Wat zw niet snapten is dat, ook als is make-up niet nodig, het wel heel gaaf kan zijn om er mee te spelen. Astrid leerde me dat je make-up niet draagt voor een ander, maar voor jezelf. Ik has de eer om het te mogen zien, het was gewoon kunst. Die make-up kocht ik samen met Ineke. Met haar durfde ik wel die winkel in, maar ik liet voor de zekerheid het afrekenen over aan Ineke. Die vond dat prima, ze gebruikte zelf amper make-up, maar vond het wel leuk om af en toe uit te proberen, en dat deed ze als Astrid met ons mee speelde. Astrid was de enige die onze hut in mocht.

 

Astrid. En Ineke. Dan heb ik het zo’n beetje gehad. De tijd dat ik nog niet naar het middelbaar hoefde, want daar begon de ellende. Geen Astrid, maar ook geen Ineke, want die kwam met alle meiden van ons dorp in een paralelklas. Ik zat opgescheept met jongens die alleen maar over voetbal of Grand Theft Auto konden praten. (Ik had moeten googelen wat GTA was). Mijn muziek was de hunne niet, van mijn cartoons had nooit iemand gehoord, ze dachten dat Adventure Time een kinderserie was. Ik voelde me alleen en diep ongelukkig. Mijn ouders dachten dat het allemaal oke was. Zolang ik maar met goede cijfers thuis kwam was er niets aan de hand, wel zo rustig.

 

En ik had dus ruzie met Ineke.

Je moet weten dat ik me in de eerste klas zo eenzaam voelde dat ik moest huilen. Ik ging in pauzes voor het grote aquarium in de aula staan. Tropische vissen bestuderen, en hopen dat zij de enigen waren die mijn tranen zouden zien. Een van die keren riep iemand. “zit je nu te huilen, Jacob?” Dat was Jerry, een zittenblijver die bij iedereen populair was en die zojuist mijn lot bepaald had op school. Ik moest erg mijn best doen om onzichtbaar te blijven, maar Jerry wist steeds mijn zwakke plekken te vinden. Uitgerekend deze Jerry zag ik praten met Ineke. Ze had nu een aantal vakken samen met hem. Niet een keer praten, maar meerdere keren. Ik sprak Ineke er op aan. 

“Ik vind hem best leuk.” 

“Wat moet jij met zo’n stoere jongen? Je zei vroeger altijd dat we een match waren omdat ik een meisjesjongen was.”

“Jee, niet zo jaloers, we zijn toch nog vrienden?”

“Nou, als jij zo iemand leuk vindt . . .”

“Ben je nu een klein beetje racistisch?”

“Hoe durf je te denken dat het daar mee te maken heeft! Het is gewoon een populaire pestkop!”

“Heeft hij jou ooit gepest?”

Ik wilde Ineke niet vertellen dat ik gehuild had, dus ik gaf geen antwoord. Ik wist niet eens zeker of zijn opmerking als pesten bedoeld was. Maar anderen hadden gelachen. Ik kon dit allemaal niet uitleggen aan Ineke. Voor het eerst voelde ik me onbegrepen door haar. Misschien was ik ook wel jaloers. Ik ging expres heel hard fietsen.

“Veel plezier met hem!” riep ik achterom.

Dat was de laatste keer dat we samen fietsten.

 

En dus had ik niemand om het te delen toen de insecten terugkwamen. Geen Ineke om te zeggen dat ze gelijk had. Geen Ineke om me te helpen mijn superkrachten te beteugelen die plotseling geactiveerd waren.

 

Let op! Dit is een eerste draft. En misschien wil ik het straks echt wel uitgeven. Dus als je slordigheidsfouten ziet, die ga ik fixen. En als het allemaal wat vreemd overkomt. Sorry! Zo is het gebeurd. Maar ik heb intussen gelezen over verhalen schrijven. Echt gebeurd is geen excuus. Dat betekent dat ik het in de herschrijf wat geloofwaardiger moet maken.

Hieronder straks de link naar deel 2.

 

<deel 2>