De tussenwerelden (deel 3)

Ik probeerde het moeras te laten verdwijnen zoals ik dat ook met de muggen en de wespen had gedaan. Want natuurlijk was het mijn moeras. Kijk meneer de psycholoog. Ik leer van me. Jij ziet dit natuurlijk als beeldspraak voor mijn geestestoestand. En waarschijnlijk heb je gelijk. Maar mijn geestestoestand verzwolg me. Het moeras stond al tot aan mijn kin. Mijn moeras, mijn wil. Het werkte niet. Was het moeras te sterk? Was mijn wil te zwak? Hoe? Hoe kom je van jezelf haten naar jezelf vertrouwen? Dat kan ik niet alleen! Ik wilde dat ik het kon beschrijven want ik ben daar nu weer. Ik heb met mijn psycholoog een heel lijstje gemaakt waarom ik de moeite waard ben. Ik heb Astrid en Ineke voor de geest gehaald die mij kennelijk de moeite waard vonden. Nou ja, Ineke niet meer. En als Astrid wist wat ik gedaan heb zou ze me ook niet meer moeten. En over Jerry moet ik het maar helemaal niet hebben. Dus van dat hele betoog dat ik samen met mijn psycholoog opzette, dat ik best oke ben, en dat toen ook nog geloofwaardig klonk, daar is niets van over. En de psycholoog was nog wel zo blij geweest. Sorry to tell you mister, het was van korte duur. En zelfs al had ik het geloofd. Ik zou het nooit meer kunnen voelen. Je kunt jezelf niet aan je haren uit het moeras trekken. Ik kon nog zo hard doen alsof ik geloofde dat ik dat moeras kon laten verdwijnen, ik geloofde het niet en dus werkte het niet. Ik ging ten onder. Ik verdronk.

 

Toen ik wakker werd lag ik in mijn eigen bed. Ik zag een silhouet. De oude vrouw! Zij kon me helpen! Maar het was mijn moeder.

“Rustig, lieverd, blijf liggen. Je hebt waarschijnlijk een hersenschudding. Wat goed dat Astrid je gevonden heeft. Wat moet jij op jouw leeftijd nog met bomen klimmen schatje?”

Astrid had me gevonden. In de hut. Waarom was ze daar? Wat had ze gezien? Uit de boom gevallen? Was dat wat ze verteld had? Ik klim geen bomen meer, en in de hut viel niks te klimmen. Ze heeft me ingedekt! Wat heeft ze gezien? Wat weet ze? En hoe kom ik hier? Heel vaag kon ik me nu flarden herinneren. Astrid die me overeind hielp. Bezorgdheid op haar gezicht, en meer. Angst, ze was meer dan bezorgd geweest. Ze had me ondersteund terwijl ik zelf naar huis strompelde.

 

 Ik stuurde mijn moeder weg door te zeggen dat ik wilde slapen. Zoals ik verwachtte kwam Astrid direct daarna binnen. Ze was  nog steeds bezorgd, ze knalde uit elkaar van spanning. In stukjes kwam haar verhaal er uit. 

“Jacob! Ik zag twee Inekes! De grote fietste boos weg en de kleine zat bij jou in de hut. En toen verdween ze! En jij ging raar doen met je keel, alsof je verdronk en toen viel je flauw. Er kwam een soort zwarte wolk uit je mond die wegvloog! Jacob! Die zwarte wolk leefde! Hij zweefde niet gewoon, hij vloog! Steeds sneller en hij maakte zelfs een bocht toen hij wegvloog! Komt dat allemaal van jou? De muggen? De wespen? Die wolk?”

Het duurde even tot het tot me doordrong wat ze zei. Ik maakte me zorgen om die wolk. Het! Het ding uit mijn droom?

“Wie heeft je verteld over de muggen?”

“Die heb ik zelf gezien, jaren geleden, toen je met de kleine Ineke in de hut zat. De echte kleine Ineke, toen jullie echt zo oud waren. Ik hoorde waar jullie het over hadden. Ik weet ook waar jij het Adventure Time T-shirt verstopt. Ik wist niet meer wat ik ervan moest geloven, maar vandaag zag ik die grote wespen op school, en je was niet thuis, dus ging ik naar de hut, om het je te vragen. En toen botste ik dus tegen Ineke op. De grote.”

 

Het was dus echt gebeurd. Ik was in een tussenwereld geweest, en ik had iets mee terug genomen naar hier. Het iets uit mijn nachtmerries. Het iets dat zoveel verschrikkelijker was dan mijn dromen. Mijn door de grond zakken had alles nog erger gemaakt!

 

En dat is waarom ik er nu niet aan toe geef. Ik heb niet de luxe om door de grond te zakken. Ik heb door te leven. Dat is waarom ik schrijf, ook over de lelijke dingen. Soms is pijn beter dan de doffe grijze mist waar ik in zit. Want ik heb alleen maar die twee smaken. Hevige pijn die te groot is om te voelen, of de dikke grijze mist waarin het me allemaal niets meer kan schelen. Om niet te hoeven voelen wat ik gedaan heb. Dus ik schrijf. Pijn die ik schrijf is minder drukkend, alsof ik een deel van die pijn via de inkt naar het papier kan laten vloeien. Mijn psycholoog had gelijk toen hij zei dat ik het met pen en papier moest doen, met een echte ouderwetse vulpen.

Afterthought: Dit werkt dus alleen zolang ik schrijf. Als ik daarmee stop komt alles im zijn hevigheid terug, of in zijn doffe uitzichtloosheid. 

Ik moest twee dagen in bed blijven liggen met de gordijnen dicht. Toen mocht ik weer naar school. Ik ontweek Ineke zoveel mogelijk en als ik haar zag was ze met Jerry. Als ze mijn kant op keken kon ik wel door de grond  . .  Nee! dat kon ik van alle dingen juist het minst. 

 

De dagen werden grauwer dan ze ooit waren geweest. Het leek wel of de leraren nog strenger waren geworden na het incident met de muggen. Zelfs de leuke leraren waren kortaf. Mijn ouders, die al een tijdlang bijna geen ruzie meer maakten, het eigen bedrijf dat mijn moeder aan het opzetten was had wonderen gedaan, begonnen ook weer kribbiger te worde naar elkaar. Het was dat ik Astrid nog had, anders was ik gek geworden. 

 

Of was ik dat alsnog aan het worden? Ik besloot mijn aandacht te richten op mijn ‘krachten’. Ik ging steeds vaker naar de hut om te oefenen. Muggen en kastanjes, die kon ik nog, gelukkig. Maar daar bleef het bij. Ik besloot hele kleine stapjes te nemen. Eikels, takjes, mieren. Alles wat in het bos hoorde lukte redelijk goed. Maar toen ik het een keer met geld probeerde gebeurde er helemaal niks. Mijn angsten waren destijds de start geweest, en de muggen en wespen kwamen nog steeds sneller dan wat dan ook. Het moest te maken hebben met het gemak waarmee ik me dingen kon voorstellen. Daarom lukte dat geld natuurlijk niet. Iets in mij vond dat te mooi om waar te zijn. Dus besloot ik te oefenen met dingen die ik me voor kon stellen. De volgende stap was dat ik me probeerde voor te stellen dat ik me meer kon voorstellen. Met vallen en opstaan lukte er steeds meer.

 

Ze moeten dit verfilmen! Ik wil niet alleen een boek, ik wil een film van het boek. Ik weet namelijk precies hoe ze dit stukje moeten verfilmen. In bijna elke superhelden film zit wel zo’n scene. De scene waar de held zijn krachten ontdekt. Snel gefilmd en ge-edit. Met lekkere harde muziek eronder. En natuurlijk veel bloopers, dit is het ontspannende stukje voor het echte enge begint.

 

Een van mijn bloopers was mijn huiswerk. Ik had nooit problemen met mijn huiswerk, maar het was saai en veel. En De Bruin van geschiedenis controleerde altijd. Uittreksels moesten we maken. Dat was mijn eerste nuttige uitprobeersel. Ik schreef eerst zelf een paar regels, deed mijn schrift dicht en verbeelde me dat ik het af had. Ik deed mijn schrift open en ja hoor, hele bladzijden vol. Ik had zelfs een kein beetje plezier toen ik het inleverde.

Twee dagen later verging het plezier me. De Bruin bezorgde me het grootste schaamte moment tot nu toe.

“Jacob! Wat dacht jij? ‘Laten we De Bruin voor de gek houden?’” Hij hield mijn schrift omhoog.

“Bladzijden lang steeds dezelfde regels! Of wilde je vast oefenen voor het strafwerk dat je nu van me krijgt?”

“Wow! Way to go, Jacob!” riep Jerry en hij begon te klappen. Ik haatte hem nog meer dan ooit! Wat zag Ineke in hemelsnaam in hem?

<deel 4>