De tussenwerelden (deel 2)

<vorige deel>                                                                  <volgende deel>

Wiskunde. Van Heuveln. Die n vlak na de l, werd door mijn klasgenoten extra vet uitgesproken. Hoewel ik van Heuveln niet mocht vond ik dat kinderachtig. Van Heuveln had de nare gewoonte zijn les te beginnen met vragen. Ik snapte wel waarom dat was, even opfrissen waar het over gaat, activeren van voorkennis, noemen ze dat. Maar de manier waarop! 

“Kan iemand me vertellen  . . . ?”

En dan wachten. Snapt hij dan niet dat je door je vinger op te steken de minachting oproept van het clubje dat zo om Jerry heen hangt? Ik had sinds de ruzie met Ineke opgelet. Jerry deed het zelf niet, daar moest ik Ineke gelijk in geven, maar hij had wel te vaak verkeerde mensen om zich heen, en hij corrigeerde ze niet. Ik mocht hem dus nog steeds niet. Helemaal niet toen hij zich omdraaide en naar me keek. Zat hij me dan toch uit te dagen? Zijn ogen bleven te lang op me hangen voordat hij weer voor zich uit keek.

“Liza, weet ji het?”

Van Heuveln kwam uiteindelijk altijd bij mij of Liza uit. Liza was slimmer dan ik. Van Heuveln wilde zeker zijn van goede antwoorden in dit stadium van de les. Later, bij controlevragen kon hij genadeloos de leerlingen pakken die niet hadden opgelet. Dat was precies de reden dat Liza en ik het haatten om op deze manier uitgezonderd te worden in de klas. Ik was Enders Game aan het lezen. Science fiction over een ruimte oorlog. Ender, de protagonist, sorry ik lees te veel over hoe je een boek schrijft, zeg maar gewoon de held, is op weg naar ‘battleschool’ in de ruimte, om opgeleid te worden als aanvoerder, voor het geval de aliens de aarde weer aanvallen. De eerste keer dat ze dat deden had bijna het einde van de aarde betekent. Alleen dankzij een geniale ingreep van ene Mazar Rackham, een legandarische held, is de aarde gered. Ze hopen nu op die battle school een nieuwe Mazar Rackham op te leiden. De meest belovende kinderen worden daar naar toe gestuurd. Ender wordt door een van de opleiders direct in het begin al opgehemeld ten overstaan van de hele groep, en daarmee uitgezonderd. Een bewuste actie om te zien hoe hij daar mee om gaat. Aan die scene moet ik vaak denken bij ons op school. Onze leraren spelen dezelfde soort spelletjes, maar in tegenstelling tot de opleiders in het boek, hebben ze geen idee van wat ze aan het doen zijn. Ik zag Liza verstijven door de vraag van Van Heuveln. Snappen leraren dan echt niets van de dynamiek in een klas? Of vinden ze het gewoon leuk, om een beetje te prikken in een wespennest? Weten ze niet hoe gevaarlijk dat is? Er zijn leraren aan onderdoor gegaan. Burnout, noemde de directie het. Weggepest, zeiden de leerlingen. En dan heb ik het nog niet eens over alle leerlingen die er aan onderdoor gaan. En dat zou ik wel moeten doen, want niemand anders doet het.

Ik voelde Liza’s onmacht en ik werd opeens vreselijk boos. En toen gebeurde het. Was het omdat ik net aan wespen had gedacht? 

“Een wesp in de klas!” schreeuwde iemand. Iedereen deed me in deed meteen mee in de paniek.

“Daar, nog een. Jee wat een joekel!”

Ik keek en zag er minstens 4, nee 5, 6! Ze waren inderdaad groot. Niet zo groot als mijn muggen, maar te groot voor wespen. Leerlingen renden in paniek de klas uit. 

“Hoornaars!” werd er geroepen. Alle lokalen op onze gang stroomde leeg, de leraren deden nu mee met de ontruiming, want er leken opeens overal wespen te zijn, of hoornaars. Of iets ergers, vermoedde ik. 

En ik dacht ook: “ Het is terug!”

Ik kon dit aan, dat wist ik. Nou ja, hoopte ik. Ik hoopte het heel hard. Meer had ik niet, hoop. Ik hoopte dat dat genoeg zou zijn. Hoe was de mantra ook al weer? Wat had de oude vrouw gezegd? Mijn muggen, mijn kracht. Mijn kracht, mijn wespen. Het werkte. Ik zag de eerste wesp uit elkaar trillen toen ik naar hem keek. Voor het eerst in acht jaar voelde ik dat ik de macht had over iets in mijn leven.

 

Het was de laatste les geweest. Ik deed niet mee met alle sensatie, pakte mijn fiets en ging naar huis. Ineke had gelijk gehad. Ik kon het nog. Waarom nu opeens? Ik had een boel om over na te denken. Ik nam de route door het park en reed naar de hoek waar de grote rodondendronstruik stond Hij leek nu een stuk minder groot leek, maar ik paste er nog steeds in. Daar zat ik, in onze oude hut. Was Ineke nu maar hier. Om haar te kunnen zeggen dat ze gelijk had. En om me te helpen het deze keer vast te houden. En te beheersen. Want ik wilde geen muggen, ik wilde andere dingen. Dat moest toch mogelijk zijn?

 

En ik probeerde wat ik kon. Eerst toch die wesp maar, makkelijk beginnen, die kon ik me zo voor de geest halen. Ik schrok ervan hoe snel het ging. En waarom zoveel? Ik had er maar eentje gewild. Een hele zwerm! Ik liet ze weer verdwijnen, gelukkig kostte dat geen moeite. Ik deed het een paar keer achter elkaar, en toen wilde ik wat anders. Een kastanje. Ineke en ik hadden hier vaak gezeten met een buut aan tamme kastanjes die we vlakbij vonden. Een kastanje kon ik me makkelijk voorstellen in de hut. Ik sloot mijn ogen en toen ik ze opende lag er een stapeltje. Wat baalde ik weer dat Ineke hier niet was. Maar misschien kon dit er weer voor zorgen dat het goed kwam tussen ons.

Had ik toen al door dat ik met mijn acties “Het” wakker had gemaakt? Ik denk het niet, ik was te zeer gefocust op wat ik kon, en op het gemis van Ineke, nu ik in ‘onze hut’ zat. Throwback naar acht jaar geleden, toen ze hier op deze plek zo zeker wist dat ik een gave had. God wat wilde ik dat ik het haar kon laten zien. Het gemis aan haar deed pijn. En dat is hoe het gebeurde. Ik had mijn ogen gesloten en me voorgesteld hoe we daar hadden gezeten, en toen ik ze open deed zat ze daar, de zevenjarige Ineke. Compleet met haar lievelings vest dat ze die hele herfst, winter en zelfs lente droeg, tot het echt te warm werd. Ineke! Maar de Ineke van toen. Omdat ik haar zo had voorgesteld natuurlijk.

Ik hoorde geritsel achter me. Ik draaide me om en keek in de ogen van de 15 jarige Ineke, die geschokt heen en weer keek van de jonge Ineke naar mij en terug. Ik zag haar gezicht veranderen. Eerst was er die blije ik-wist-wel-dat-je-hier-zat blik geweest. Die blik waarmee ze me liet zien dat ze me door had, de blik waardoor ik af en toe had gedacht dat ze me beter kende dan ik zelf. Waarom had ik ook ruzie gemaak? Maar toen zag ik haar schrikken, en nog weer later zag ik dat ze de situatie begreep en ze werd boos.

“Ik zie dat je me niet meer nodig hebt”, ze draaide zich om, liep de hut uit en sprong op haar fiets. Ik wilde er achteraan, maar wist dat het geen zin had. Hoe kon ik dit uitleggen? Mijn kans om het goed te maken, om samen het avontuur van mijn gave te beleven was verkeken. Mijn gave! Psah! Mooie gave! Monsters en een kastanje, en een Ineke die niet in deze tijd hoorde. De echte Ineke had natuurlijk meteen haar conclusies getrokken toen ze over de wespen hoorde, of had ze ze zelf ook gezien? En ze had ook geweten waar ik zou zijn toen ze me niet op school zag. Ze dacht dus nog aan me. Niet Ineke had mij in de steek gelaten, maar ik had Ineke in de steek gelaten. Dubbel nu, en hoe! 

 

Ik kon alleen maar waardeloze dingen doen en mensen boos maken. Ik kon er beter helemaal niet meer zijn. Door de grond willen zakken, zeggen ze wel eens, maar weten ze hoe het voelt als je dat echt wil? Als dat de enige optie is die je nog hebt, omdat je je zo vreselijk waardeloos voelt? Geen drama. Geen zelfmoord, maar er gewoon niet zijn. Dat is wat mijn psycholoog niet snapt. Ik zit hier omdat ze me een risico vinden. Maar ik wil mezelf helemaal niet dood maken, ik wil er alleen maar niet zijn. En ze snappen niet dat dat veel gevaarlijker is. Want dat kan ik wel laten gebeuren, er niet zijn. Dat weet ik. Toen in die hut gebeurde dat voor de eerste keer.

 

Mijn Gave reageert vooral sterk op mijn angsten. Of was het dat ik in die tijd alleen maar angsten had? In ieder geval nam het mijn door-de-grond-zak wens letterlijk. Ik zakte door de grond en kwam in de tussenwereld. Tenminste dat is hoe ik het nu noem. Ik heb al mijn kracht nodig om daar nu niet weer in terecht te komen. Soms lukt dat niet en ben ik er weer. Dissociëren, noemt mijn psycholoog het. Ik laat hem in die waan.

 

Mijn vader had alle oude Elpees uit zijn jeugd nog. Ik vond vooral de voorkanten van sommige albums fascinerend. Mijn vader was heel blij met mijn interesse, een blijdschap die verwaterde toen bleek dat ik later lang niet al zijn muziek even geweldig vond. Waar ik nu in terecht kwam deed me denken aan “Who do we think we are?” van Deep Purple. Die muziek was oke, trouwens. Degelijk ouderwetse hard rock. Op de voorkant zweefden de bandleden in een soort luchtbellen door een donkere wereld, boven een soort oceaan. Dat is hoe het was, die tussenwerelden.

Dat door de grond zakken gebeurde twee keer. De eerste keer was er van zakken eigenlijk geen sprake. De grond verdween gewoon, net als al het andere. Ik zweefde in een luchtbel door een donkere wereld. De woest golvende oceaan was er ook, maar niet alleen onder me, hij leek van alle kanten op ons af te komen. Ons, ja. Er waren meer luchtbellen, zo te zien allemaal met mensen er in. Maar veel tijd om daar op te letten had ik niet. Op de eerst nog doorzichtige bodem van mijn luchtbel ontstond een moeras waar mijn voeten langzaam in wegzakten. De tweede keer door de grond zakken. Maar even later besefte ik dat het anders was. Niet ik zakte, maat het moeras kwam langzaam omhoog. Maakt niet uit voor het resultaat, zou je denken, maar voor mij maakte het alle verschil. Ik zakte niet weg, er was iets dat mij overweldigde.

<volgende deel>