De tussenwerelden (deel 16)

 

Toen zag ik het verband, dat weet ik nu, ik zag het, maar op een of andere manier maakte ik de connectie nog niet, niet helemaal. Welk verband, zal je zo duidelijk worden, eerst iets meer over dat gejouw en gepest. Want natuurlijk was dat er. We lijken allemaal zo tolerant, maar dat is maar een heel dun laagje beschaving. Mensen vinden homo’s oké, als concept, maar niet als levende, ademende mensen, en helemaal niet als ze zoenen. We moesten bij de rector komen, die ons vertelde dat hij er helemaal geen probleem mee had, maar . . . en daar komt het, er is altijd een maar, we moesten niet zo provoceren. De hypocriet! Alsof er door hetero’s nooit gezoend wordt op school, maar daar iets van zeggen is natuurlijk ook provoceren. Het ergste is dat hij hiermee de echte rotzakken beschermt, want behalve dat hij wat slap toegeeft dat de pesterijen niet goed zijn, natuurlijk, laat hij duidelijk doorschemeren dat we dat aan onszelf te danken hebben. Het allemaal lief en aardig voor elkaar zijn is een beroep dat alleen maar gedaan wordt aan de vertrapten. Sorry, ik ben boos, nu nog, en  dan word ik pamflettistisch. Goed. Dat verband. Want dat zou ik je vertellen. Het gaat over die giftigheid, de geniepige en vaak ook openlijke haat die we kregen. Ik meen het als ik zeg dat we er geen last van hadden, maar ik moet dat nuanceren. We lieten het op geen enkele manier beÏnvloeden hoe we over onszelf dachten, maar die haat liet ons niet koud. Het is verontrustend, pijnlijk, gruwelijk, ontmoedigend om te zien dat het bestaat. Als het zo dichtbij is kun je het voelen, het is als een dikke zwarte rookwolk die om mensen heen hangt. Daar! Daar heb je het. Dat is het verband. Dit is het. Dit is wat ik in mijn dromen voelde. Dit is het wat enger was dan de reuzenmuggen, maar ook ongrijpbaar. Dit is HET. Dit is het pure kwaad. De ogen als ze naar je kijken, de minachting die ze faken, want het is geen minachting, om minachting te kunnen voelen moet je jezelf iets waard voelen, en deze pubers voelden een eigenwaarde, ze waren allen op zoek naar stapstenen om hoger te klimmen. Het elkaar opzoeken om houvast te vinden, veelbetekende blikken wisselen, want alleen waren ze niet zo dapper. Alleen durfden ze het alleen sneaky en achterbaks. De vreselijk afgezaagde woordgrappen ook, zo fantasieloos.

 

Dit is hoe de monsters eruitzien als ze uit de tussenwerelden in onze wereld komen. Ik weet nu ook dat het echt zo werkt. Toen voelde in alleen een huiver. Ik wist het toen al, ik kon het alleen nog niet helder zien, laat staan verwoorden, maar ik snapte het direct, toen ik het mezelf uitlegde, in die andere wereld, maar dat is voor later.

 

Ik had het niet kunnen uitleggen, dus ik liet het voor wat het was, ik vertelde er niet over aan Jerry en de anderen. Ik wilde het gif achter me laten, niet ons mooie samenzijn verpesten door die mensen aandacht te geven die ze niet verdienen. 

 

Gelukkig waren er ook veel fijne reacties. Openlijk jezelf zijn leert je ook je vrienden kennen, mensen die me niet eens zouden zijn opgevallen voor die tijd, waarschijnlijk omdat zij hetzelfde verstopspel spelen als ik had gedaan. Jerry en ik hadden een teken gegeven, alsof we nu met een button op liepen van een geheim genootschap en anderen ook hun buttons tevoorschijn halen. Het deed me denken aan een liedje van Melanie, Beautiful People. Dus dit is hoe je ze vindt, dacht ik.

 

En toen gebeurde het, net toen alles perfect was, net toen ik mijn aandacht wilde richten op de andere werelden, toen besloten de andere werelden hun aandacht te richten op mij. Ergens was er een branding met rotsen, tussen een stuk woestijn en een regenwoud. De randen van de tussenwerelden doken op onmogelijke plekken op tussen al het niets met zwevende bollen en monsters. Ik vermoedde dat het grenzen met andere werelden waren, en dat een klein stukje van die wereld een soort van binnenste buiten gekeerd in de tussenwerelden. Zonder zwaartekracht was er geen onder en geen boven, alles was erg random. Maar waar ik overal monsters door deze stukken wereld zag verdwijnen, gebeurde hier iets anders. Uit die rotsen en uit het schuim van de branding kwamen er monsters de tussenwereld in. Wat mij nog het meest verontrustte was dat er reuzenmuggen tussen zaten, mijn reuzenmuggen. Dat kon niet anders, want ik kon ze op eenzelfde manier laten verdwijnen als die allereerste nacht dat ik ze in werkelijkheid zag. Astrid had het ook gezien.
“Jacob! Jouw muggen.” Ze vloog/zweefde er naar toe en schoot er een paar uit de lucht. En toen gebeurde het, een grote golf spatte uit elkaar op een rots, en een wolk van water vloog omhoog. Astrid werd erdoor gegrepen en was verdwenen.