De tussenwerelden (deel 11)

Ik lieg. Het is niet waar. Dit bovenstaande stukje heb ik verzonnen. Er is vast wel ergens een wereld met een betonnen bunker op onze heuvel in plaats van een theekoepel, en ook een wereld waar het nog wel vriest in de winter. Maar ik kan niet liegen. De waarheid is gewoner dan je zou denken en tegelijkertijd  vreselijker. Dat beeld van die bunker op onze heuvel voelt vreselijk fout. Het doet pijn om het voor me te zien. Je zou denken dat het helpt om me af te leiden van de pijn die ik nu voel, zoals je met je nagels een kruis zet in een muggenbult om de jeuk niet te voelen, maar zo werkt het niet. Het is alleen maar extra pijn. Ik verlos onze heuvel van zijn bunker.

 

Ja, dat van die werelden is waar, maar het bewijs kreeg ik pas later. En toch wist ik het. Toen ik die kleine draak volgde die als een rookkolom in de wereld verdween, leek het alsof ik gewoon in onze eigen wereld terecht was gekomen. Maar het voelde fout. Ik had geen enkel bewijs, want alles leek normaal, maar ik wist direct dat dit mijn wereld niet was, daar had ik die bunker niet voor nodig.

 

Hoe vertel je iets dat je zeker weet als je niet eens weet hoe die wetenschap binnen is gekomen? Dit is waarom ik zo weinig zeg. Mensen willen altijd weten hoe ik daar bij kom, en intuitie of gevoel heeft niemand die ik ken ooit serieus genomen. Nou ja, behalve Astrid, Ineke en Liza dan. En Jerry, maar die doet dat natuurlijk vanwege Ineke.

 

Lieve psych. Sorry lezer. Ik moet het hier nu even over hebben. Dat voelen van mij, dat weten, dat zeker weten dat ik niet in mijn eigen wereld was, dat is precies waar we het over hadden in ons gesprek gisteren. Het is zo lastig te omschrijven. Het woord intuitie voelt ook niet goed. Het is een weten, een weten dat iets scheef is, een jeuk waar je niet aan kunt krabben. Zoiets als je evenwichtsorgaan die je zegt of je rechtop staat, zelfs als je geen enkele andere informatie hebt van je andere zintuigen. Kijk. Aaarg! Zo lastig uit te leggen. 

Ik vertelde ze wat ik ontdekt had, en ze geloofden me direct. Ik had geen bunker of bevroren vijver nodig. Misschien had ik jou ook moeten vertrouwen. Bij deze dus.

“Maar hoe weten we dan of we wel in de goede wereld terugkomen? Er is daar niet echt een duidelijke ingang of uitgang. Ik dacht dat we gewoon op elk punt die wereld konden verlaten e dat we automatisch hier zouden komen.” Liza, als altijd recht op het doel af. Ik kon haar een beetje gerust stellen met mijn vermoeden dat de band met onze eigen wereld zo sterk was dat we altijd thuis zouden komen als we geen extra moeite deden ergens anders te komen, zoals toen ik de draak volgde. 

“En ik voel het, als het niet zo is.” Dat was voor haar genoeg. 

De anderen namen me ook serieus, zelfs Jerry. Ik zei net dat hij dat voor Ineke deed, maar nu voelde het anders.

“Misschien zijn er wel oneindig veel werelden”, zei hij.

“Kunnen we onszelf tegenkomen, in die andere wereld?” Dat was Astrid.

Goede vragen allemaal. Ze maakten dat we niet langer zo lichtzinnig meer dachten over onze trips naar de tussenwerelden.

Er was nog iets. Iets dat we toen al door hadden moeten hebben.

 
<deel12>