De tussenwerelden (deel 10)

Maar eerst even iets anders. Niet om de spanning erin te houden. Dat is een flauwe truuk. Ik heb er een hekel aan, als schrijvers dat doen, wisselen van verhaallijn net als het spannend wordt. Maar dat jaloers zijn zit in mijn hoofd. Ik wil dat aan mijn psych uitleggen en aan jou. Ik wil het vooral aan mezelf uitleggen. Jaloers zijn is een verboden dingetje voor mij. Kennelijk heb ik geleerd dat dat niet mag. Mijn ouders natuurlijk, dat zijn toch wel een beetje fatsoensrakkers. Geen ouderwetse hel en verdoemenis of zo, juist heel ruimdenkend, maar wel van het goede doen, het rekening houden met elkaar, de andere kant willen zien, en dus ook niet jaloers zijn op anderen. Die dingen zitten diep, het aardig willen zijn, en goed voor iedereen is een behoorlijke handicap heb ik intussen ontdekt. Mijn psych zegt dat ik anderen eindeloos over mijn grenzen laat gaan, en ik denk dat hij gelijk heeft. Hij zegt ook dat mensen de dingen die ze niet mogen zijn gaan verstoppen. Voor anderen en voor zichzelf. Cognitieve dissonantie krijg je dan. Dat ik dingen doe uit jaloersigheid en tegelijk van mezelf vind dat ik helemaal niet jaloers ben, en het in alle toonaarden ontken als anderen me er op wijzen.

Dus helpt het om te bekennen dat ik jaloers was. Maar dat kan ik alleen als ik verzachtende omstandigheden claim. Niet voor jou, voor mezelf, ik ben degene die deze bittere pil moet doorslikken, dus hier is mijn spoonful of sugar (zoek die verwijzing zelf maar op).

Ik was niet jaloers dat Jerry mijn vriendinnetje had afgepakt. Ineke was niet mijn vriendinnetje, niet op die manier, we waren best friends. Maar ook best friends kunnen jaloers worden al een van hen plotseling verkering krijgt. Niet zo gek toch? Ik moest Ineke delen, ik miste de vanzelfsprekendheid waarmee we alles het eerst aan elkaar vertelden. Dat was mijn jaloersheid, en er kwam een nieuwe bij. Toen ik doorkreeg dat Jerry een hele leuke kant had, was ik jaloers op zijn flair. Ik betrapte mezelf erop dat ik op eenzelfde manier naar hem ging kijken als Ineke. Vooral in actie was hij echt zo’n held om voor in katzwijm te vallen. Nee, echt!

 

Dat is waarom ik geen wapen wilde, denk ik. Ik vond mezelf te mager afsteken tegen hem, ik kon nog steeds niet goed overweg met een lichtzwaard, en ik had ze nog wel bestendigd! Insert vloekwoord.

 

Dat was mijn cognitieve dissonantie, doen alsof het mijn taak was de tussenwerelden te verkennen, terwijl het gewoon een mengeling was tussen mokken en de hoop dat ik iets spectaculairs zou vinden waarmee ik de aandacht van Jerry af kon leiden.

Wat alles nog eens ingewikkelder maakte is dat Jerry op school deed alsof hij mij en Liza niet kende. Hij bleef omringd door foute vrienden, al was hij nu meer middelpunt tegen wil en dank. Of wilde ik dat graag zo zien? Of andersom, was hij altijd al middelpunt tegen wil en dank en had ik dat anders gezien? Dat laatste leek me mogelijk, maar dan waren er die steken onder water geweest. Jerry bleef een raadsel voor me.

Soms doen we de juiste dingen met de verkeerde redenen. Terwijl de anderen druk waren met monsters bevechten kon ik rondkijken, wel voortdurend alert blijvend om ze te ontwijken. Bewegen in de tussenwerelden is alsof je een tekening van Escher bent binnengestapt. Onder en boven hadden geen betekenis meer, binnen en buiten ook niet. Dat ontdekte ik toen een monster dwars door een steile rotswand vloog, een klif met daarboven een woelige zee en onder een afgrond. Het was een minidraakje, bijna lief. Ik volgde het en kwam terug bij de hut waar we begonnen waren. Het draakje was nergens meer te bekennen, er was wel een zwarte rookwolk, zoals Astrid had beschreven. Liza had gelijk gehad. In onze wereld losten ze op als rook. Maar er was iets mis, er was iets vreselijk mis. Ik voelde het voor ik het zag. Dit was het park van onze hut, met de vijver, met de heuvel met theekoepel. Maar de theekoepel was een betonnen bunker. De vijver bevroren, en het gras was kunstgras. Was ik in een andere tijd terecht gekomen? 

“Ha Jacob! Moet je niet iets meer aan dan dat T-shirt? Die jongelui toch!”

Het was de oudere vrouw die in de bungalow naast het park woonde, en die Ineke en mij altijd begroette, al vanaf we heel klein waren. Ze was even oud. Tenminste, als ik dat goed kon schatten met hele oude mensen. Geen andere tijd. Wel een andere wereld. Het was dus waar, van die paralelle werelden. De wereld van de bolen en de monsters was helemaal geen wereld, het was de overgang naar een andere wereld, naar andere werelden. Hoeveel? Ik moest direct terug, kon dat? Het kon. Het koste zelfs weinig moeite en godzijdank zag ik de anderen. In wenkte ze en we kwamen terug. In onze eigen wereld, o laat het alsjeblieft onze eigen wereld zijn.

<deel 11>